< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Verzoek om voor recht te verklaren dat werkneemster tijdig de nietigheid/vernietigbaarheid van het ontslag op staande voet heeft ingeroepen wegens gebrek aan belang afgewezen. Werkneemster had de kantonrechter om vernietiging van het ontslag op staande voet moeten vragen, omdat dit niet buitengerechtelijk kan plaatsvinden. Voor zover wel een inhoudelijk oordeel gegeven had moeten worden was het ontslag op staande voet gerechtvaardigd. Werkneemster heeft gedurende een langere periode stelselmatig ongeoorloofd een aantal patiëntendossiers ingezien, waardoor de privacy van de patiënten is geschonden. Werkneemster had middels voorschriften, intranet en een e-learningmodule op de hoogte kunnen zijn van de consequenties hiervan.

Uitspraak



RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 7193867 AZ VERZ 18-73

beschikking d.d. 29 januari 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te ([postcode]) [woonplaats], aan de [adres],

verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek,

verder te noemen: “[verzoeker]”,

gemachtigde: mr. F.L.L. Vermeeren, advocaat te Drunen, gemeente Heusden,

tegen

de stichting [verweerder],

gevestigd en kantoorhoudende te ([postcode 2] [woonplaats 2], aan de [adres 2],

verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek

verder te noemen: “[verweerder]”,

gemachtigde: mr. D. van Heeten, advocaat te Arnhem.

1 Het procesverloop

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

1.1.

[verzoeker] heeft een verzoek gedaan om voor recht te verklaren dat [verzoeker] tijdig een beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van het haar op

13 augustus 2018 gegeven ontslag en dat dit verleende ontslag op staande voet nietig is. Het verzoekschrift is op 7 september 2018 ter griffie ontvangen. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend en een tegenverzoek gedaan tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het tegenverzoek is op 31 oktober 2018 ter griffie ontvangen.

1.2.

Op 17 december 2018 heeft een zitting plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling is [verzoeker] in persoon verschenen, vertegenwoordigd door

mr. Vermeeren voornoemd. Namens [verweerder] waren aanwezig mevrouw [A] (secretaris Raad van Bestuur) en mevrouw [B] (Clustermanager HRM), bijgestaan door mr. Van Heeten voornoemd. De gemachtigde van [verzoeker] heeft ter gelegenheid van de zitting pleitaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

2 De feiten

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

2.1.[verzoeker], geboren op [geboortedatum], is op 1 februari 2006 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) [verweerder]. De laatste functie die [verzoeker] vervulde, is die van planningsmedewerker IC/CCU, laatstelijk voor 28 uur per week, met een salaris van

€ 2.072,84 bruto per maand, te vermeerderen met emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Ziekenhuizen van toepassing.

2.2.

[verweerder] maakt gebruik van het elektronisch patiëntendossier (hierna: “EPD”).

2.3.

[verweerder] is wettelijk verplicht de privacy van haar patiënten te waarborgen en daarom gelden binnen [verweerder] strikte voorschriften omtrent het inzien van medische gegevens. De regels hieromtrent staan onder meer beschreven in het “Reglement informatiebeveiliging voor medewerkers [verweerder]”, het “Privacyreglement”, het “Patiëntgegevens-uitwisselingsbeleid” en de “Handleiding Omgaan met medische gegevens”. Ook de consequenties van het niet naleven van de voorschriften omtrent het inzien van medische gegevens – zoals een berisping, schorsing of beëindiging van de arbeidsovereenkomst – staan hierin vermeld.

2.4.

[verweerder] brengt haar voorschriften regelmatig via Intranet onder de aandacht van haar medewerkers. Zo is onder meer op 18 november 2015 het volgende bericht geplaatst:

“ Medewerkers van het [verweerder] mogen uitsluitend patiëntgegevens inzien wanneer men direct betrokken is bij de behandelovereenkomst.” en op 6 april 2018: “ De boodschap blijft: laat je niet verleiden om een dossier te raadplegen als je niet direct, als behandelaar, bij de behandelovereenkomst bent betrokken. Onrechtmatige inzage kan je je baan kosten.”.

2.5.

De voorschriften omtrent het inzien van medische gegevens worden ook onder de aandacht van de medewerkers van [verweerder] gebracht middels de e-learning module Informatiebeveiliging, welke module door de medewerkers om de drie jaar moet worden doorlopen. In de module wordt onder meer melding gemaakt dat er een sanctie volgt na ongeoorloofde inzage, zijnde een schriftelijke waarschuwing, schorsing of direct ontslag, en dat alleen degene die direct bij het behandelproces van een patiënt betrokken is inzagerecht heeft. [verzoeker] heeft voormelde e-learning module in 2018 met goed gevolg afgerond.

2.6.

Bij het inloggen in het EPD worden de voorschriften omtrent het inzien van medische gegevens ook onder de aandacht gebracht door middel van het doorlopen van een zogenaamde noodprocedure. Er wordt middels een pop-up naar de reden van inzage gevraagd, waarna de betreffende medewerker de reden kan invullen of wegklikken.

2.7.

[verweerder] heeft op 10 juli 2018 een melding van een patiënte ontvangen dat [verzoeker] mogelijk ongeoorloofd haar medische gegevens heeft ingezien. De patiënte heeft de privacyfunctionaris van [verweerder] verzocht hieromtrent een controle in het logboek van [verzoeker] te verrichten.

2.8.

De privacyfunctionaris heeft een controle uitgevoerd, waaruit bleek dat [verzoeker] gedurende langere periode het EPD vele malen had geraadpleegd ten behoeve van één patiënte waar mogelijk geen behandelrelatie mee bestond. Na de controle heeft de privacyfunctionaris bij e-mailbericht van 11 juli 2018 aan het management gemeld dat hij [verzoeker] verdenkt van het raadplegen van het EPD, terwijl zij mogelijk niet als behandelaar direct betrokken was bij de behandelovereenkomst. Daarbij heeft de privacyfunctionaris verzocht de verdenking van deze onrechtmatige inzagen te onderzoeken.

2.9.

Op 12 juli 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] en [verzoeker]. [verzoeker] heeft in dit gesprek erkend dat zij het EPD van de patiënte, die de melding heeft gemaakt van de ongeoorloofde inzagen in het medische dossier, meerdere malen onrechtmatig heeft ingezien. [verweerder] heeft [verzoeker] tijdens dit gesprek geschorst om nader onderzoek te verrichten. Dit is per brief van diezelfde datum aan haar bevestigd. Hierin valt onder mee te lezen: “ Gezien de ernst van de klacht en het feit dat het meerder malen in langere periode – van 2014 tot heden – heeft plaatsgevonden, is besloten nader onderzoek in te stellen om de feiten voor zover mogelijk boven tafel te krijgen en de arbeidsrechtelijke consequenties te bepalen. De op dit moment bekende feiten beoordelen wij als zodanig ernstig, dat voortzetting van de werkzaamheden door u niet langer verantwoord is. In verband daarmede heeft mevrouw [C] u aan het einde van het gesprek hedenochtend medegedeeld dat u op voormelde gronden met onmiddellijke ingang per heden bent geschorst. Conform CAO Ziekenhuizen, artikel 3.1. 4 wordt u geschorst met behoud van salaris. ”. Voorts valt te lezen: “De duur van de schorsing is vooralsnog 1 kalenderweek na 12 juli 2018, zijnde de datum waarop mevrouw [C] de schorsing aan u heeft medegedeeld.” en “U wordt bij deze in de gelegenheid gesteld binnen 4 werkdagen na dagtekening zich tegenover de werkgever te verantwoorden. U kunt zich hierbij laten bijstaan door raadsman. Mocht u van die gelegenheid gebruik willen maken, dan verzoeken wij u daartoe telefonisch een afspraak te maken via mw. [D] van HR” en “Wij wijzen u er nadrukkelijk op dat, indien op basis van ons nader onderzoek mocht komen vast te staan dat u inderdaad in ernstige mate op onrechtmatige wijze vele malen een of meerdere patiëntendossiers hebt ingezien, zulks voor ons een dringende reden zal vormen om uw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen.”.

2.10.

Bij e-mailbericht d.d. 15 juli 2018 heeft [verzoeker] gereageerd en een verklaring gegeven voor haar onrechtmatige gedrag, namelijk dat zij een onveilig gevoel had bij de betreffende patiënte. In het e-mailbericht vermeldt zij tevens: “Woensdag as. gaan [E] en ik met vakantie” en “Ik ben op maandag en dinsdag nog de hele dag beschikbaar mocht u een gesprek met mij willen aangaan. Ik zou mij dan graag laten vergezellen door [E].”.

2.11.

Per e-mailbericht van 16 juli 2018 heeft [verweerder] daar onder meer als volgt op gereageerd: “Dhr. [F] heeft mij daarop laten weten dat hij er kennis van heeft genomen en geen behoefte heeft aan een gesprek daarover met u en uw partner.

Wij beschouwen uw schriftelijke reactie als uw verantwoording ten opzichte van uw werkgever. Indien u deze reactie mondeling wilt toelichten, kunt u daartoe – zoals vermeld in de brief van 12 juli 2018 – een afspraak maken via mw. [D] van HR. Dit gesprek is mogelijk tot en met woensdag 18 juli aanstaande.

Het nader onderzoek wordt tot woensdagmiddag 16 uur voortgezet, waarna wij de stand van zaken zullen opmaken. Indien het onderzoek niet is afgerond, zullen wij dit voortzetten. U zult door HR worden uitgenodigd voor een gesprek op 19 juli aanstaande. Het is aan u om te beslissen of u op de uitnodiging ingaat.”.

2.12.

[verzoeker] heeft op diezelfde dag gereageerd: “Zoals eerder vermeld zijn wij vanaf woensdag 18 juli tot en met zaterdag 11 augustus in het buitenland ivm een al geplande vakantie.”.

2.13.

Op 16 en 17 juli 2018 heeft [verweerder] nog drie meldingen over mogelijk onrechtmatige inzagen in het EPD ontvangen. Dit betroffen meldingen inzake de moeder en de twee dochters van de patiënte die reeds op 10 juli 2018 een melding heeft ingediend.

2.14.

Op 17 juli 2018 is [verweerder] een nader onderzoek gestart naar de nieuwe meldingen.

2.15.

[verweerder] heeft [verzoeker] zowel per reguliere als aangetekende post, alsmede per

e-mailbericht op de hoogte gesteld van de nieuwe meldingen. [verweerder] heeft [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek inzake alle meldingen. In die brief staat onder meer het volgende vermeld: “Het is in ons beider belang om het onderzoek zorgvuldig en binnen een zo kort mogelijk tijdsbestek af te ronden. We willen u ook niet langer dan nodig in onzekerheid houden over de mogelijke arbeidsrechtelijke consequenties. Anderzijds heeft u ons laten weten dat u met ingang van 18 juli 2018 tot en met 12 augustus 2018 vakantie geniet en ook niet bereikbaar bent. We nodigen u uit voor een gesprek over de uitkomsten van ons (nadere) onderzoek op maandag 13 augustus 2018 om 08.30 uur.” en “Deze dag zou normaliter uw eerste werkdag na uw vakantie zijn geweest. Omdat wij het onwenselijk achten dat u lopende het onderzoek uw werkzaamheden zou kunnen hervatten, stellen wij u op basis van artikel 3.1.5 van de CAO Ziekenhuizen met ingang van 13 augustus 2018 op non- actief, zulks voor de duur van 3 weken. Vooralsnog gaan wij er van uit dat wij binnen deze periode het onderzoek hebben afgerond, u hebben kunnen horen over de mogelijk nieuwe feiten en een beslissing kunnen nemen.”.

2.16.

Op 20 juli 2018 bevestigt [verzoeker] dat zij de brief per e-mail heeft ontvangen en heeft zij kort geregeerd op de mededeling dat er nieuwe meldingen over onrechtmatige inzagen in het EPD zijn ontvangen bij [verweerder].

2.17.

Uit het (nadere) onderzoek blijkt dat [verzoeker] stelselmatig ongeoorloofd inzage heeft gepleegd in het EPD betreffende drie patiënten. Bij één patiënt heeft [verzoeker] meer dan 200 keer ongeoorloofd inzage gepleegd in de periode 24 juni 2014 tot en met

11 juni 2018, waarbij ze als inzagereden heeft vermeld ‘zorgadministratie’ of waarbij ze de noodprocedure heeft geschonden door de pop-up te omzeilen en geen reden voor inzage heeft ingevuld. Bij de tweede patiënt heeft zij twee keer onrechtmatig inzage gepleegd, te weten op 11 februari 2015 en 28 september 2015 en bij de derde patiënt heeft [verzoeker] één keer ongeoorloofd inzage gepleegd, namelijk op 16 augustus 2015.

2.18.

Tijdens het gesprek op 13 augustus 2018 is [verzoeker] door [verweerder] op staande voet ontslagen. [verweerder] heeft dit bij brief van diezelfde dag bevestigd. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld met betrekking tot de dringende reden:

“De dringende reden van dit ontslag is gelegen in het feit dat u het elektronisch patiëntdossier van ten minste drie patiënten hebt ingezien, zonder dat er op die momenten een behandelrelatie bestond of dat u betrokken was bij de behandelrelatie met desbetreffende patiënten. U heeft daarmee in strijd gehandeld met de binnen [verweerder] geldende regels omtrent ongeoorloofde inzage in het patiëntdossier en inbreuk gemaakt op de privacy van deze patiënten. Daarmee zijn dit (binnen het [verweerder]) onrechtmatige inzagen. Ten aanzien van één van die patiënten geldt bovendien, zoals inmiddels na onderzoek is gebleken, dat de onrechtmatige inzagen gedurende een langere periode (tussen juni 2014 en juni 2018) stelstelmatig hebben plaatsgevonden. U heeft dit gedaan, terwijl u volgens uw eigen woorden op de hoogte was van het verbod daaromtrent.

U bent in ons ziekenhuis werkzaam als planningsmedewerker voor het plannen van personele inzet van de afdeling IC, en tot oktober 2017 soms als administratief medewerker in oproepdienst, maar u stond nooit in een behandelrelatie met de desbetreffende patiënten.

U heeft herhaaldelijk de regels van het [verweerder] omtrent het inzien van medische gegevens overtreden, welke regels wij regelmatig onder uw aandacht hebben gebracht (laatstelijk op 6 april 2018) en van welke regels u naar eigen zeggen ook op de hoogte bent en heeft erkend dat u die heeft overtreden. U heeft met uw gedragingen ook de geheimhoudingsplicht geschonden die vermeld staat in de CAO Ziekenhuizen en daarmee onderdeel is van uw arbeidsovereenkomst. Hierbij is tevens relevant dat u recent (in februari 2018) de vernieuwde e-learning module Informatiebeveiliging met goed gevolg heeft afgerond, waarin nogmaals het verbod omtrent inzage in patiëntdossiers zonder geldige reden wordt toegelicht.”

2.19.

[verzoeker] heeft bij brief van 21 augustus 2018 betwist dat er sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter voor recht te verklaren dat zij tijdig een beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van het haar op 13 augustus 2018 gegeven ontslag op staande voet en dat dit verleende ontslag op staande voet nietig is. Tevens verzoekt [verzoeker] om [verweerder] te veroordelen haar toe te laten tot het ziekenhuis voor het uitoefenen van de bedongen werkzaamheden. Ook verzoekt [verzoeker] om [verweerder] te veroordelen tot betaling van het loon vanaf 1 althans 13 augustus 2018, de vakantietoeslag van 8% en uitbetaling van resterende vakantiedagen, dit alles tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd. Tot slot verzoekt [verzoeker] om [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging over alle gevorderde loonbedragen en de wettelijke rente over voornoemde posten.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoeker] ten grondslag – kort weergegeven – dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet en dat dit ontslag niet onverwijld is gegeven. In dat kader heeft [verzoeker] het volgende aangevoerd. Hoewel zij heeft erkend dat zij drie EPD’s heeft ingezien zonder dat er een behandelrelatie bestond, is in haar optiek geen rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden waaronder zij deze inzagen heeft verricht. [verzoeker] heeft veelvuldig het EPD ingezien van de

ex-echtgenote van haar man. Door de nasleep van de vechtscheiding tussen haar man en zijn ex-echtgenote hebben zich gebeurtenissen voorgedaan waardoor [verzoeker] zich – ook op haar werk – niet meer veilig voelde. Door in het EPD te kijken, kon zij zien of de ex-echtgenote van haar man in het ziekenhuis moest zijn en of zij mogelijk met haar geconfronteerd zou kunnen worden. Zo werd haar gevoel van onveiligheid weggenomen, aldus [verzoeker]. Ondanks dat de ex-echtgenote [verweerder] te kennen heeft gegeven dat er medische informatie uit het EPD in het boek dat haar ex-echtgenoot heeft uitgegeven terecht is gekomen, ontkent [verzoeker] dat zij informatie uit het EPD met derden heeft gedeeld, en derhalve ook niet met haar echtgenoot. Gelet op de persoonlijke omstandigheden is het ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd, aldus [verzoeker]. In haar visie was een waarschuwing op zijn plaats geweest. Daarnaast is het ontslag op staande voet niet onverwijld gegeven. Op 12 juli 2018 was immers reeds bekend dat [verzoeker] ongeoorloofd in het EPD heeft gekeken, zodat van onverwijldheid op 13 augustus 2018 geen sprake meer kan zijn.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek. Zij voert aan – samengevat – dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. [verzoeker] heeft immers stelselmatig de privacy van patiënten geschonden door het EPD van drie patiënten onbevoegd en uitsluitend voor privédoeleinden in te zien. Dit is niet toegestaan en daar was [verzoeker] van op de hoogte, hetgeen door haar is erkend. Bij één van de patiënten betrof het gedurende een langere periode stelselmatig, namelijk meer dan 200 keer, ongeoorloofd inzage in haar dossier. Hoewel [verzoeker] heeft aangevoerd dat zij wegens een onveilig gevoel heeft gehandeld, had zij dit in de visie van [verweerder] bespreekbaar kunnen maken bij bijvoorbeeld een vertrouwenspersoon of leidinggevende. [verweerder] heeft in haar optiek alle relevante feiten en omstandigheden op juiste wijze afgewogen en heeft in tegenstelling wat [verzoeker] stelt rekening gehouden met haar persoonlijke omstandigheden. [verweerder] was aldus gerechtigd [verzoeker] op staande voet te ontslaan.

4.2.

Voorts voert [verweerder] een aantal formele verweren aan. [verzoeker] verzoekt voor recht te verklaren dat [verzoeker] tijdig een beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van het haar op 13 augustus 2018 gegeven ontslag op staande voet en dat dit verleende ontslag op staande voet nietig is. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat sinds de wetswijziging op 1 juli 2015 aan de kantonrechter om vernietiging van het ontslag op staande voet moet worden verzocht en dit niet buitengerechtelijk kan geschieden. Daarnaast is de termijn waarbinnen dit dient te geschieden verstreken, aldus [verweerder].

4.3.

In de zaak van het tegenverzoek wordt door [verweerder] verzocht de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] voorwaardelijk te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e danwel g danwel h BW. Het verzoek is voorwaardelijk, namelijk voor het geval de arbeidsovereenkomst niet blijkt te zijn geëindigd door het aan [verzoeker] op staande voet gegeven ontslag. [verzoeker] heeft daartegen verweer gevoerd en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen.

5 De beoordeling

in de zaak van het verzoek

5.1.

Vooreerst zullen de formele verweren van [verweerder] worden besproken.

5.2.

Op grond van artikel 7:681 lid 1 onder a BW jo. 7:686a lid 4 onder a BW dient het verzoek tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:677 BW is ge ëindigd bij de kantonrechter te worden ingediend. Nu het ontslag op staande voet op

13 augustus 2018 is gegeven en het verzoekschrift op 7 september 2018 is ontvangen, is het verzoek tijdig ingediend. Het verweer van [verweerder] dat het niet tijdig is ingediend zal dan ook worden gepasseerd.

5.3.

Artikel 7:681 lid 1 onder a BW jo. 7:671 lid 1 onder c BW bepaalt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen, of op zijn verzoek aan hem ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toekennen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel

7: 671 BW. De gemachtigde van [verzoeker] heeft dit niet verzocht, maar heeft verzocht om voor recht te verklaren dat ze middels haar brief van 21 augustus 2108 tijdig uitdrukkelijk en gemotiveerd de nietigheid c.q. vernietigbaarheid van het ontslag heeft ingeroepen. De kantonrechter oordeelt als volgt. Het afgeven van de verzochte verklaring voor recht leidt niet tot het door [verzoeker] gewenste gevolg dat de arbeidsovereenkomst niet door het ontslag op staande voet is geëindigd. Dit dient per slot van rekening te geschieden door de kantonrechter nadat aan hem is verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen. [verzoeker] heeft zodoende geen belang bij hetgeen zoals door haar gemachtigde is verzocht. Hoewel de gemachtigde van [verzoeker] stelt dat het verzoek bedoeld is tot vernietiging van het ontslag op staande voet en op die manier dient te worden gelezen, is door [verweerder] terecht opgemerkt dat [verzoeker] door een advocaat wordt bijgestaan en voor een andere lezing dan verwoord in het petitum geen grond is. Het verzoek zal dan ook wegens gebrek aan belang worden afgewezen.

5.4.

Mocht hierover anders geoordeeld moeten worden dan overweegt de kantonrechter het navolgende.

5.5.

Artikel 7:677 lid 1 BW legt op de werkgever de verplichting om onverwijld, dat wil zeggen met de nodige voortvarendheid, te handelen op het moment dat deze overweegt een werknemer op staande voet te ontslaan en dat deze de reden van het ontslag ook onverwijld moet mededelen. Mits voortvarend wordt gehandeld, heeft de werkgever daarbij de gelegenheid om een nader onderzoek in te stellen, om de werknemer te horen en intern overleg te voeren. [verzoeker] betwist dat sprake is van een onverwijld gegeven ontslag op staande voet, nu bij [verweerder] reeds op 12 juli 2018 bekend was dat [verzoeker] ongeoorloofd in een EPD heeft gekeken en zij haar pas op 13 augustus 2018 op staande voet heeft ontslagen. De kantonrechter volgt dit standpunt niet. Nadat de privacyfunctionaris op 10 juli 2018 een melding van een patiënte had ontvangen, heeft de betreffende functionaris een controle uitgevoerd, waarna hij op 11 juli 2018 aan het management van [verweerder] verzocht heeft onderzoek naar de verdenking van de onrechtmatige inzages te verrichten. Op 12 juli 2018 heeft een gesprek met [verzoeker] plaatsgevonden, waarbij ze is geschorst. In een brief van diezelfde datum is aan [verzoeker] haar schorsing toegelicht. Gelet op de ernst van de klacht en de stelselmatigheid van het onrechtmatig inzage in het EPD heeft [verweerder] voldoende kenbaar gemaakt dat zij zorgvuldig onderzoek heeft willen verrichten. Daarbij komt dat [verzoeker] – naar aanleiding van de melding van [verweerder] in haar

e-mailbericht op 16 juli 2018 dat zij na afronding van het onderzoek door HR zal worden uitgenodigd op 19 juli 2018 – heeft vermeld dat zij, zoals zij ook al in eerder bericht van

15 juli 2018 heeft vermeld, van woensdag 18 juli 2018 tot en met zaterdag 11 augustus 2018 wegens vakantie in het buitenland verblijft. [verweerder] heeft de uitnodiging voor het gesprek op 13 augustus 2018 aan [verzoeker] per (aangetekende) post en per e-mailbericht verzonden op 19 juli 2018, waarin [verweerder] tevens heeft gemeld dat het gesprek op die datum plaats zal vinden omdat [verzoeker] te kennen heeft gegeven op vakantie te zijn en dat zij niet bereikbaar is. [verzoeker] heeft per e-mailbericht d.d. 20 juli 2018 bevestigd dat zij de brief van [verweerder] heeft ontvangen, maar geenszins is gebleken dat zij bezwaren heeft geuit dat zij gedurende haar vakantieperiode niet bereikbaar zou zijn om over het (nader) onderzoek te spreken. In het kader van hoor en wederhoor is de uitkomst van het onderzoek direct na de vakantie van [verzoeker] met haar besproken, waarna [verzoeker] op staande voet is ontslagen. De kantonrechter is van oordeel dat – gelet op het verloop – [verweerder] voldoende voortvarend heeft gehandeld. Indien het verzoek niet zou worden afgewezen vanwege gebrek aan belang, was aan het vereiste van onverwijldheid voldaan.

5.6.

Voor het geval de rechtmatigheid van het ontslag op staande voet beoordeeld had moeten worden, leidt dit er toe dat er sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen voor een ontslag op staande voet beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Er dient gelet te worden op alle feiten en omstandigheden van het geval, waaronder de aard en ernst van de als zodanig aangemerkte gedraging, de wijze waarop in het verleden is gefunctioneerd, evenals de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor de werknemer heeft. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de conclusie leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

5.7.

[verzoeker] heeft – zoals door haar gesteld – uit een gevoel van onveiligheid gehandeld, gedurende haar 12,5 jaar dienstverband naar behoren gefunctioneerd, met haar

54 jarige leeftijd een slecht perspectief op de arbeidsmarkt en bij ontslag op staande voet geen recht op een WW-uitkering. Daartegenover staat dat niet alleen [verweerder], maar ook iedere individuele patiënt en een medische organisatie er vanuit mag gaan dat geen enkel personeelslid onbevoegd een patiëntendossier inziet, om wat voor reden dan ook. Deze medische gegevens zijn, behalve voor een behandeling, puur persoonlijk en ongeoorloofde inzage levert dan ook schending van de privacy van de patiënt op. [verzoeker] heeft gedurende lange tijd in ernstige mate inbreuk gemaakt op dit persoonlijkheidsrecht van de ex-echtgenote van haar man. Dit kennelijk na een zogenoemde vechtscheiding. Dit laatste had [verzoeker] juist in het bijzonder moeten weerhouden van het kennisnemen van het medisch dossier van de ex-echtgenote van haar man, mede om te voorkomen dat in haar huidige relatie mogelijk informatie zou worden gedeeld.

5.8.

Ondanks dat [verzoeker] heeft gesteld dat zij handelde uit vrees voor een ontmoeting met de ex-echtgenote van haar man, is deze vrees – die aan haar handelen ten grondslag ligt – geenszins onderbouwd. Nog daargelaten dat een dergelijke vrees haar niet disculpteert om inzage in het EPD te verrichten. Bovendien heeft [verweerder] [verzoeker] er terecht op gewezen dat er een tal van mogelijkheden zijn om, indien deze vrees al zou bestaan, haar er bij te betrekken. [verzoeker] was tenslotte middels de voorschriften, intranet en de e-learningmodule op de hoogte van de consequenties die haar handelen meebrengen.

5.9.

Tot slot overweegt de kantonrechter dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [verweerder] in soortgelijke gevallen als bij haar het geval is tot andere (re)acties komt in de arbeidsrechtelijke sfeer, zodat ook dit verweer niet zou slagen.

5.10.

Nog daargelaten dat onderhavig verzoek wegens gebrek aan belang zal worden afgewezen, maakt dit alles dat het ontslag op staande voet gerechtvaardigd zou zijn.

5.11.

De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker], omdat zij ongelijk krijgt.

in de zaak van het tegenverzoek

5.12.

[verweerder] heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e danwel g danwel h BW, zonder toekenning van een transitievergoeding. [verweerder] heeft dit verzoek ingesteld onder de voorwaarde dat het gegeven ontslag op staande voet geen stand houdt. Zoals onder overweging 5.3. is overwogen zal het verzoek worden afgewezen wegens gebrek aan belang. Op het tegenverzoek behoeft dan ook niet te worden beslist.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

6.1.

wijst het verzoek af wegens gebrek aan belang;

6.2.

veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verweerder] tot en met vandaag vaststelt op € 480,00 als salaris voor de gemachtigde van [verweerder];

6.3.

verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.A.M. van Dijke, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature