E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBZWB:2019:5113
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, AWB - 18 _ 1782

Inhoudsindicatie:

Bpm/Unierecht

Met betrekking tot de hoogte van de verschuldigde Bpm verwerpt de rechtbank de stelling van belanghebbende dat in het licht van de toepassing van het Unierecht op de bestaande nationale heffingsmodaliteit het op de weg van de inspecteur ligt, als partij die de bewijslast draagt, om de meest voordelige berekeningsmethode te onderzoeken.

Diverse andere onderwerpen (met veelal beroep op Unierecht): heffing griffierecht, rentevergoeding over teruggaaf Bpm, 30ha-rente, Irimie-rente, vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding redelijke termijn, vergoeding van materiële schade, hoogte (proces)kostenvergoeding, samenhangende zaken, rente over griffierecht, immateriëleschadevergoeding en proceskostenvergoeding in beroep, verplichting tot het stellen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

Met betrekking tot de hoogte van de proceskostenvergoeding in beroep oordeelt de rechtbank dat sprake is van samenhang binnen een groep waarvan één beroep slaagt op inhoudelijke gronden, maar niet als gevolg van een geslaagd betoog omtrent de handelsinkoopwaarde en de hoogte van de verschuldigde Bpm, zodat de rechtbank het karakter van de zaken als geheel dermate vergelijkbaar acht met de zaken van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat deze onder de reikwijdte daarvan vallen (ECLI:NL:GHSHE:2019:3972).

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie