< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Belanghebbende is een Rijnvarende, die in Nederland woont. Niet aannemelijk is dat feitelijk sprake was van een buiten Nederland gevestigde exploitant van het schip. Belanghebbende is dan in Nederland verplicht verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen.

Instemming met de verlenging van de beslistermijn in de bezwaarfase maakt niet dat deze verlengingstermijn buiten beschouwing moet blijven bij het bepalen van de overschrijding van de redelijke termijn i.v.m. de vergoeding voor immateriële schade.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/6431

uitspraak van 10 april 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur

en

de Minister voor Rechtsbescherming.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2007 de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.626, aanslagnummer [aanslagnummer] H.76 (hierna: de aanslag).

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 augustus 2017 de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij faxbericht van 21 september 2017, ontvangen bij de rechtbank op diezelfde datum, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2019 te Breda. Ter zitting zijn de zaken BRE 17/6431 en BRE 17/6432 tegelijkertijd behandeld. Voor de verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting, waarvan een afschrift gelijktijdig met het afschrift van deze uitspraak aan partijen zal worden toegezonden.

1.6.

Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak binnen zes weken aangekondigd. Bij brieven van 3 april 2019 heeft de rechtbank de uitspraaktermijn verlengd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in 2007 in Nederland. Hij stond in het onderhavige jaar op de loonlijst van [BV 1] (hierna: [BV 1] ), gevestigd te Luxemburg. In dat jaar was belanghebbende in loondienst werkzaam op het binnenschip [schip] (hierna: het schip).

2.2.

Vanaf 22 april 1997 was het schip in eigendom van de heer [Persoon A] te [woonplaats] en vanaf 10 augustus 2007 was het schip in eigendom van [BV 2] te [woonplaats] . Het schip stond in Nederland geregistreerd en was voorzien van een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte .

2.3.

Ten behoeve van het schip is met dagtekening 1 mei 1997 een rijnvaartverklaring afgegeven, waarop de heer [Persoon A] , woonachtig in Nederland, als eigenaar is vermeld. Bij beschikking van 13 oktober 2006 heeft de Inspectie van Verkeer en Waterstaat (hierna: de IVW) een door [BV 1] ingediende aanvraag van een Rijnvaartverklaring, onder andere ten behoeve van het schip in onderhavige zaak, niet-ontvankelijk verklaard. Op 10 augustus 2007 is (opnieuw) een rijnvaartverklaring afgegeven, waarop [BV 2] is vermeld als eigenaar en [BV 1] als exploitant. Laatstgenoemde rijnvaartverklaring is op 24 juli 2009 door de IVW ingetrokken.

2.4.

Op 25 augustus 2006 is door de Luxemburgse autoriteiten een ‘Certificat d’exploitant’ afgegeven waarop [BV 1] als exploitant van het schip is vermeld. Dit certificaat heeft op 30 juli 2008 zijn geldigheid verloren.

2.5.

Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2007 verzocht om vrijstelling voor de premie volksverzekeringen over het loon van [BV 1] . Bij het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur die vrijstelling niet verleend voor de periode 1 januari 2007 tot en met 9 augustus 2007.

2.6.

Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase heeft de inspecteur bij brief van 5 augustus 2010 aan de gemachtigde verzocht om in te stemmen met de verlenging van de beslistermijn op het bezwaarschrift met de periode welke ligt tussen de beslisdatum van artikel 7:10, derde lid, van de Awb , zijnde 22 oktober 2010, en de datum waarop de inspecteur uitspraak op bezwaar zal doen. De gemachtigde heeft deze brief voor akkoord getekend op 9 augustus 2010. Bij brief van 22 maart 2017 heeft de inspecteur een vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar verzonden. Bij brief van 13 april 2017 heeft de gemachtigde in zijn reactie op die vooraankondiging verzocht om vergoeding voor immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Bij uitspraak op bezwaar van 11 augustus 2017 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding voor immateriële schade afgewezen.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende (ook) voor de periode 1 januari 2007 tot en met 9 augustus 2007 recht heeft op een vrijstelling van de heffing van premie volksverzekeringen. Tevens is in geschil of belanghebbende recht heeft op een vergoeding voor immateriële schade.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag en tot toekenning van een vergoeding voor immateriële schade.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 4. Beoordeling van het geschil

Bevoegdheid inspecteur

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 57 en 58 van de Wet financiering sociale verzekeringen en artikel 11, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen , bevoegd is tot heffing van de premie volksverzekeringen. Anders dan belanghebbende heeft aangevoerd, zijn de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur ter zake van de premievaststelling niet het bevoegde orgaan om de toepasselijke wetgeving te bepalen. Daaraan doet niet af dat voornoemde Ministers zijn aan te merken als de voor Nederland bevoegde autoriteit om op grond van artikel 13 van het Verdrag van 13 februari 1961 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden, ondertekend te Genève op 30 november 1979 (hierna: het Rijnvarendenverdrag) een zogenoemde regularisatieprocedure te starten, die kan uitmonden in het maken van uitzonderingen op de toepassing van de aanwijsregels van artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag. Deze overlegprocedure staat immers los van de onderhavige rechterlijke procedure over de ingevolge de aanwijsregels toe te passen wetgeving en de daarbij van belang geachte feiten en omstandigheden.

Premieplicht

4.2.

Op grond van artikel 6, eerste lid, letter a, van de Algemene Ouderdomswet (hierna: de AOW) en gelijkluidende bepalingen in de overige volksverzekeringswetten is een ingezetene van Nederland van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen. In afwijking van artikel 6 van de AOW wordt op grond van artikel 6a van de AOW als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie en wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

4.3.

Vaststaat dat belanghebbende in 2007 in Nederland woonde en nog niet de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Gelet hierop is belanghebbende voor het jaar 2007 aan te merken als een Nederlandse ingezetene en is hij op grond van het Nederlandse nationale recht in beginsel van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in het onderhavige jaar voldoet aan de criteria om als rijnvarende in de zin van artikel 1, letter m, van het Rijnvarendenverdrag te worden aangemerkt. In artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag is bepaald dat op de rijnvarende de wetgeving van de Verdragsluitende Partij van toepassing is op welks grondgebied zich de zetel bevindt van de onderneming, waartoe het in artikel 1, sub m ) bedoelde schip, aan boord waarvan deze rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht, behoort. Het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van Rijnvarenden heeft in het Besluit nummer 5 van 27 maart 1990 bepaald dat als onderneming waartoe het schip behoort de onderneming is die het schip exploiteert. Het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van Rijnvarenden heeft in het Besluit nummer 7 van 26 juni 2007 verduidelijkt, wanneer het schip door meerdere vennootschappen wordt geëxploiteerd, dat als exploitant van het schip moet worden aangemerkt de vennootschap die het schip daadwerkelijk exploiteert en die beslissingsbevoegd is voor het economische en commerciële management van het schip.

4.5.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij in het onderhavige jaar niet in Nederland maar in Luxemburg verzekerd en premieplichtig was voor de volksverzekeringen. De rechtbank overweegt dat nu belanghebbende zich beroept op afwijking van de onder 4.3 vermelde hoofdregel dat een Nederlandse ingezetene in Nederland is verzekerd voor de volksverzekeringen, op hem de last rust de daarvoor van belang zijnde feiten te stellen en – in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur – aannemelijk te maken (vgl. HR 24 oktober 2014, nr. 14/01601, ECLI:NL:2014:3016). Voor zover belanghebbende nog betoogt dat een andere bewijslastverdeling geldt, faalt dit betoog.

4.6.

Belanghebbende heeft gesteld dat [BV 1] gedurende het gehele jaar 2007 de exploitant van het schip was en dat hij daarom in Luxemburg verzekerd en premieplichtig was voor de volksverzekeringen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij gewezen op de volgende stukken:

de beschikking van 13 oktober 2006 waarin [BV 1] door de IVW is aangemerkt als exploitant (zie 2.3);

de rijnvaartverklaring van 10 augustus 2007 waarop [BV 1] als exploitant is vermeld (zie 2.3);

het Certificat d’exploitant van 25 augustus 2006 waarop [BV 1] als exploitant van het schip is vermeld (zie 2.4).

4.7.

De inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd betwist. Daarbij heeft hij gewezen op de rijnvaartverklaring van 1 mei 1997 (zie 2.3), die in onderhavige periode van toepassing was. Aangezien op die rijnvaartverklaring geen exploitant is vermeld, moet volgens het standpunt van de inspecteur de eigenaar van het schip, de heer [Persoon A] , woonachtig in Nederland, als exploitant worden aangemerkt.

Verder heeft de inspecteur melding gemaakt van een brief van 19 december 2011 van het Centre Commun de la Sécurité Sociale (de bevoegde autoriteit in Luxemburg), waarin aan de SVB wordt gemeld dat na onderzoek in 2009 is gebleken dat [BV 1] niet als exploitant in de zin van bestaande Verdragen en de bestaande Luxemburgse wet- en regelgeving kon worden aangemerkt en dat dit standpunt is bevestigd bij uitspraak van de Administratieve Rechtbank van het Groothertogdom Luxemburg (het tribunal administratif du Grand-Duché de Luxembourg) van 16 juni 2010. Om die reden zijn alle Certificaten d’exploitant en rijnvaartverklaringen met betrekking tot [BV 1] komen te vervallen, aldus de inspecteur.

4.8.

De rechtbank acht niet aannemelijk dat [BV 1] feitelijk de exploitant van het schip was, gezien de in 4.7 vermelde uitspraak van de Administratieve Rechtbank van het Groothertogdom Luxemburg (Tribunal administratif du Grand-Duché de Luxembourg, audience publique du 16 juin 2010, N° 26148 du rôle; zie http://www.ja.etat.lu/25001-30000/26148.pdf; tevens geciteerd in overweging 5.12 van de conclusie van Advocaat-Generaal Wattel van 14 augustus 2018, ECLI:NL:PHR:2018:8450). Omdat [BV 1] materieel niet als exploitant kan worden aangemerkt en belanghebbende niet heeft gesteld of anderszins aannemelijk is geworden dat sprake was van een andere – buiten Nederland gevestigde – exploitant van het schip, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende, gelet op het overwogene in 4.3 en 4.5, in de periode 1 januari tot en met 9 augustus 2007 in Nederland verzekerd en premieplichtig was voor de volksverzekeringen.

Vertrouwensbeginsel

4.9.

Belanghebbende heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat een aftrek ter voorkoming van dubbele premieheffing aan hem moet worden toegekend, omdat hij, gelet op de in 2.3 en 2.4 vermelde rijnvaartverklaring en het Certificat d’exploitant, erop mocht vertrouwen dat [BV 1] als exploitant kon worden aangemerkt en hij daarom in Luxemburg was verzekerd en premieplichtig was voor de volksverzekeringen.

4.10.

De rechtbank is van oordeel dat aan de rijnvaartverklaring geen vertrouwen kan worden ontleend, omdat die verklaring niet voor de onderhavige periode is afgegeven. Het door Luxemburgse autoriteiten afgegeven Certificat d’exploitant wekt als zodanig geen in rechte door de Belastingdienst te honoreren vertrouwen.

Zorgvuldigheidsbeginsel

4.11.

Belanghebbende heeft gesteld dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden, aangezien volgens zijn standpunt een zorgvuldige voorbereiding van het besluit van de inspecteur om premie volksverzekeringen te heffen zou hebben meegebracht dat de inspecteur – teneinde dubbele heffing te voorkomen – (i) contact met de Luxemburgse autoriteiten zou hebben opgenomen of (ii) met de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB), die de mogelijkheid heeft op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag in overleg te treden met de Luxemburgse autoriteiten, en (iii) bovendien op de voet van artikel 72 van het Rijnvarendenverdrag een interpretatieve vraag aan het Administratief Centrum zou hebben voorgelegd.

4.12.

De rechtbank is van oordeel dat geen rechtsregel de inspecteur verplicht vóór het opleggen van de aanslag contact op te nemen met de Luxemburgse autoriteiten. De inspecteur is niet bevoegd in overleg te treden met de Luxemburgse autoriteiten om op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag een regularisatieprocedure te starten en geen rechtsregel verplicht de inspecteur om in alle gevallen waarin mogelijk sprake is van dubbele heffing met de voor Nederland wel bevoegde autoriteit, de Minister dan wel de SVB, als vertegenwoordiger van de Minister, contact op te nemen. Hetzelfde heeft te gelden voor belanghebbendes grief dat geen interpretatieve vraag is voorgelegd aan het Administratief Centrum. Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel faalt daarom.

Regularisatie

4.13.

Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om vast te stellen dat op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag regularisatie dient plaats te vinden, om dubbele premieheffing te voorkomen.

4.14.

De rechtbank stelt voorop dat regularisatie pas plaats kan vinden als op grond van artikel 11 en 12 van het Rijnvarendenverdrag is vastgesteld dat belanghebbende in Nederland premieplichtig is. In de huidige vaste praktijk wordt door de SVB in beginsel afwijzend beslist op verzoeken om toepassing van regularisatie, indien er in de fiscale kolom nog een procedure loopt over de ingevolge de aanwijsregels toe te passen wetgeving. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 4 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4332, geoordeeld dat die werkwijze van de SVB geenszins onredelijk is.

4.15.

In onderhavige zaak staat de aanslag nog niet onherroepelijk vast. Ter zitting heeft de rechtbank aan partijen voorgehouden dat het dan weinig doelmatig lijkt om de zaak aan te houden met de opdracht aan de inspecteur om de SVB te verzoeken om over te gaan tot regularisatie (voor zover de rechtbank daartoe al bevoegd zou zijn). Partijen hebben in reactie hierop aangegeven dat dit inderdaad zou leiden tot een patstelling. De rechtbank is het daarmee eens, gezien de hiervoor vermelde rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Naar het oordeel van de rechtbank is het dan aan belanghebbende om na afwikkeling van de fiscale procedure een verzoek tot regularisatie in te dienen. De beoordeling daarvan kan vervolgens worden getoetst door rechtbank en de Centrale Raad van Beroep. Op zichzelf beschouwd, is aldus een voldoende doeltreffende mogelijkheid voorhanden om uiteindelijk dubbele premieheffing te doen voorkomen.

4.16.

Belanghebbende heeft verder nog aangevoerd dat bij een andere werknemer (de heer [Persoon B] ), die eveneens in dienst was bij [BV 1] en werkzaam op het schip [schip] , met betrekking tot het jaar 2006 wel regularisatie is toegepast, waardoor die werknemer alsnog geen premie volksverzekeringen was verschuldigd in Nederland. De rechtbank heeft de stelling van belanghebbende opgevat als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting niet kunnen ophelderen of ook voor het jaar 2007 regularisatie heeft plaatsgevonden bij de heer [Persoon B] . Daardoor heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt reeds daarom. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, ook indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van gelijke gevallen, de dan bedoelde ongelijke behandeling toerekenbaar is aan de SVB en niet aan de inspecteur, zodat een beklag uit hoofde van het gelijkheidsbeginsel in de onderhavige procedure niet tot een andere uitkomst zou leiden.

Verzoek vergoeding voor immateriële schade

4.17.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding voor immateriële schade vanwege overschrijding van de termijn voor het doen van uitspraak. De inspecteur heeft erop gewezen dat de gemachtigde heeft ingestemd met verlenging van de beslistermijn in de bezwaarfase vanaf 22 oktober 2010 tot aan het moment van uitspraak op bezwaar en dat die periode daarom buiten beschouwing dient te worden gelaten.

4.18.

De rechtbank stelt vast dat na de ontvangst van het bezwaarschrift op 29 juli 2010 tot de datum van deze uitspraak acht jaar en negen maanden zijn verstreken. Naar het oordeel van de rechtbank is de instemming van belanghebbende met een verlenging van de beslistermijn als bedoeld in artikel 7:10, vierde lid, van de Awb in dit geval niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid die een langere behandelduur rechtvaardigt. Uit het verzoek tot instemming met verlenging van de beslistermijn volgt dat de inspecteur hierom heeft verzocht louter omdat het, vanwege de door hem gekozen behandelwijze van het bezwaar, niet mogelijk was binnen de wettelijke beslistermijn van zes weken uitspraak te doen. Van een aanhouding in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen door het HvJ EU of een richting gevende beslissing door de Hoge Raad, is in dezen geen sprake. Indien in dit geval een bijzondere omstandigheid in aanmerking zou worden genomen, zou dat in feite neerkomen op het aan belanghebbende tegenwerpen dat hij niet heeft aangedrongen op een spoedige behandeling van zijn zaak teneinde overschrijding van de redelijke termijn te voorkomen. Aanspraak op vergoeding van immateriële schade kan echter niet op die grond worden afgewezen of beperkt (HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461). Aangezien ook overigens niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een langere behandelduur rechtvaardigen, is de redelijke termijn met 6 jaar en 9 maanden (= 81 maanden) overschreden.

4.19.

Omdat de aanslagen in de zaken BRE 17/6431 en BRE 17/6432 in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp en sprake is geweest van gezamenlijke behandeling wordt voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd waarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn wordt gerekend vanaf de ontvangst van het eerst ingediende bezwaarschrift (zie ook Hoge Raad 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540 en Hoge Raad 19 februari 2016, 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252). De rechtbank zal om redenen van proceseconomie de vergoeding enkel in deze zaak toekennen, aangezien in deze zaak het eerste bezwaarschrift is ingediend. Belanghebbende heeft daarom recht op een vergoeding van 14 x € 500 = € 7.000.

4.20.

Voor de verdeling daarvan tussen de inspecteur (bezwaarfase) en de Minister voor Rechtsbescherming (beroepsfase) geldt het volgende. De bezwaarfase is geëindigd met het op de voorgeschreven wijze bekendmaken van de uitspraak op bezwaar op 11 augustus 2017. De bezwaarfase heeft daarmee afgerond 7 jaar en 1 maand (85 maanden) geduurd, waarmee de redelijke termijn voor de bezwaarfase met 79 maanden is overschreden. Het restant wordt toegerekend aan de beroepsfase (2 maanden). De inspecteur dient daarom 79/81e deel van € 7.000 te betalen (€ 6.827) en de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) 2/81e deel van € 7.000 (€ 173). De rechtbank merkt de Minister voor Rechtsbescherming in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie

4.21.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. De omstandigheid dat aan belanghebbende de hiervoor vermelde schadevergoeding wordt toegekend maakt dat niet anders.

5 Proceskosten en griffierecht

5.1.

De omstandigheid dat aan belanghebbende de in 4.19 vermelde schadevergoeding wordt toegekend geeft aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten voor (alleen) de beroepsfase en vergoeding van het griffierecht (vgl. HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660). Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan de inspecteur als aan de rechtbank is te wijten zal om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid ieder voor de helft worden veroordeeld in deze kosten (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).

5.2.

De kosten voor de beroepsfase zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 512 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 0,5). Daarbij verdient opmerking dat de rechtbank in de omstandigheid dat de inspecteur en de Minister voor Rechtsbescherming slechts worden veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende omdat aan hem een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, aanleiding heeft gevonden om een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak te hanteren van 0,5 (licht).

6 Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 6.827;

veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 173;

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 256 (1/2 x € 512);

veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 256 (1/2 x € 512);

gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 voor de helft vergoedt, zijnde een bedrag van € 23;

gelast dat de Minister voor Rechtsbescherming het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 voor de helft vergoedt, zijnde een bedrag van € 23.

Deze uitspraak is gedaan op 10 april 2019 door mr. drs. P.C. van der Vegt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Riemens, griffier, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR ).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature