< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

BRE 17/6139 tot en met 17/6143, 18/2133 tot en met 18/2136 en 18/5053 tot en met 18/5056

Artikel 27e AWR, bron van inkomen, vergrijpboeten.

De inspecteur heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat belanghebbende niet-aangegeven resultaat uit overige werkzaamheden heeft behaald in de onderhavige jaren. Aannemelijk is dat sprake is van ‘negatieve kassen’ bij belanghebbende. Deze negatieve kassen baseert de inspecteur op het saldo van geconstateerde contante stortingen en contante opnamen, alsmede op geconstateerde contante uitgaven en veronderstelde contante uitgaven op basis van onder meer Nibud-normen. De rechtbank is van oordeel dat deze methode op zichzelf geschikt is om te bepalen of sprake is van een ‘negatieve kas’. Het verweer van belanghebbende is onvoldoende. Voor een groot deel van de verklaringen van belanghebbende geldt dat als de desbetreffende verklaring afzonderlijk – op zichzelf, los van de overige verklaringen – wordt bezien, gezegd kan worden dat sprake is van een verklaring die plausibel zou kunnen zijn. Echter, een complexbenadering is op zijn plaats. Als de verklaringen in zijn geheel en in onderlinge samenhang worden bezien zijn er te veel bedenkingen en leggen zij dus onvoldoende gewicht in de schaal ten opzichte van wat de inspecteur heeft aangevoerd. Aannemelijk is gemaakt dat de vereiste aangifte niet is gedaan in elk van de jaren. De schatting is redelijk en belanghebbende is niet geslaagd in de verzwaarde bewijslast. Met betrekking tot de vergrijpboeten ziet de rechtbank aanleiding voor matiging gezien de omkering van de bewijslast en de persoonlijke, financiële omstandigheden van belanghebbende. Daarbij zijn de onderhavige bestreden belastingschulden meegewogen.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 17/6139 tot en met 17/6143, 18/2133 tot en met 18/2136 en 18/5053 tot en met 18/5056 (hierna in de koptekst aangeduid als: BRE 17/6139 e.a.)

uitspraak van 19 oktober 2018

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats blh] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2010 tot en met 2016 (navorderings-/voorlopige/definitieve) aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd, alsmede bij gelijktijdige beschikkingen vergrijpboeten opgelegd en heffings-/belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft verzocht om herziening van de voorlopige aanslagen en bezwaar gemaakt tegen de overige in 1.1 bedoelde aanslagen.

1.3.

De zaken betreffen rechtstreekse beroepen in verband met toepassing van artikel 7:1a van de Awb (zaaknummers BRE 17/6139 tot en met 17/6143 en 18/5053 tot en met 18/5056) en beroepen tegen uitspraken op bezwaar (zaaknummers BRE 17/6139 tot en met 17/6143). Ter zake van deze (rechtstreekse) beroepen heeft de griffier van belanghebbende griffierechten geheven van, in totaal, € 92 (tweemaal € 46).

1.4.

De inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2018 te Breda. Voor een overzicht van de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak is verzonden.

1.6.

Bij brief van 28 augustus 2018 heeft de rechtbank de aangekondigde uitspraaktermijn verlengd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is geboren in Indonesië en woonde in de jaren 2010 tot en met 2016 (hierna: de onderhavige jaren) in Nederland. Hij is gehuwd met [naam echtgenote] (hierna: de echtgenote) en samen hebben zij twee kinderen die gedurende de onderhavige jaren meerderjarig waren en deel uitmaakten van het huishouden van belanghebbende (hierna: de kinderen).

2.2.

Belanghebbende en de echtgenote waren in de onderhavige jaren beiden in dienstbetrekking werkzaam bij de [gemeente x] . Ook de kinderen hebben in de onderhavige jaren inkomsten gegenereerd. Verder hebben belanghebbende en de echtgenote diverse auto’s, motoren en caravans op hun naam (gehad), zijn zij eigenaar van een woning in Hongarije en hebben zij de beschikking over een flexibel krediet en over de saldi van diverse Nederlandse en Hongaarse bankrekeningen (hierna: de bankrekeningen van belanghebbende of de eigen bankrekeningen).

2.3.

Over ieder van de onderhavige jaren is belanghebbende uitgenodigd om een aangifte IB/PVV en Zvw in te dienen. Belanghebbende heeft over de diverse jaren steeds, tijdig, een aangifte IB/PVV en Zvw ingediend.

2.4.

Naar aanleiding van signalen over de levensstijl van belanghebbende en zijn gezin heeft de inspecteur een onderzoek bij belanghebbende ingesteld. Dit onderzoek is met name gericht geweest op de contante stortingen die belanghebbende heeft gedaan op de diverse eigen bankrekeningen en op de bankrekeningen van de kinderen. Naar aanleiding van de bevindingen van dat onderzoek heeft de inspecteur met dagtekening 14 november 2015 navorderingsaanslagen IB/PVV inclusief vergrijpboeten aan belanghebbende opgelegd over de jaren 2010 tot en met 2013 (hierna: de eerste serie navorderingsaanslagen) en met dagtekening 20 november 2015 de definitieve aanslag IB/PVV over het jaar 2014, eveneens met vergrijpboete, aan belanghebbende opgelegd. Belanghebbende heeft bezwaar en beroep ingesteld tegen voormelde (navorderings-)aanslagen. Bij uitspraken van 4 oktober 2017 heeft deze rechtbank de eerste serie navorderingsaanslagen vernietigd en de aanslag IB/PVV over het jaar 2014 verminderd, kort gezegd omdat er geen grond is voor de correcties bij gebrek aan ingediende processtukken door de inspecteur.

2.5.

Op 19 mei 2015 heeft de inspecteur de zaak van belanghebbende aangemeld bij het Regionaal Informatie en Expertise Centrum Limburg (RIEC). Tegen belanghebbende liep reeds een strafrechtelijk onderzoek. In het kader van de verdenking dat belanghebbende en de echtgenote zich schuldig hebben gemaakt aan ‘gewoontewitwassen en/of opzettelijk witwassen van voorwerpen/gelden’ heeft de politie met dagtekening [datum ] 2016 een rapport opgesteld, met de titel ‘berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstellen ex artikel 36e, 3e lid, Wetboek van strafrecht ’ (hierna: het EKO rapport van [datum ] 2016). In dit rapport is het door belanghebbende behaalde wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 1 januari 2010 tot 1 april 2016 berekend op € 192.917,43 (Bijlage 54 van het verweerschrift, p. 443 van het proces-verbaal). Daarbij is een analyse gemaakt van de gedane contante bankstortingen, uitgaven voor de (aanschaf van) auto’s, (motor)fietsen en een haardfornuis, de kosten voor de verbouwing van de woning in Hongarije en de kosten van levensonderhoud volgens de normen van het Nibud, waarbij rekening is gehouden met de feitelijk gedane uitgaven en de veronderstelde uitgaven voor levensonderhoud.

2.6.

De inspecteur heeft op basis van het EKO rapport van [datum ] 2016 en de overige hem ter beschikking staande informatie becijferd dat belanghebbende in de jaren 2010 tot en met 2016 de volgende uitgaven en stortingen heeft gedaan:

Jaar

Uitgaven

Stortingen eigen rekening

Stortingen kinderen

Totaal

2010

€ 22.274,50

€ 10.300,00

€ 3.200,00

€ 35.774,50

2011

€ 10.775,42

€ 13.683,00

€ 2.891,70

€ 27.350,12

2012

€ 12.127,78

€ 6.417,00

€ 3.099,00

€ 21.643,78

2013

€ 56.604,94

€ 21.750,00

€ 7.504,79

€ 85.859,73

2014

€ 13.412,87

€ 3.600,00

€ 2.814,04

€ 19.826,91

2015

€ 12.392,00

€ 666,00

€ 934,33

€ 13.992,33

2016

€ 6.081,75

€ 0,00

€ 0,00

€ 6.081,75

Totaal

€ 133.669,26

€ 56.416,00

€ 20.443,86

€ 210.529,12

2.7.

Vervolgens heeft de inspecteur met dagtekening 12 december 2016 aan belanghebbende de onderstaande navorderingsaanslagen IB/PVV inclusief vergrijpboeten en heffings-/belastingrente (hierna: rente) opgelegd over de jaren 2010 tot en met 2014:

Zaaknummer

Jaar

Aanslagnummer

Inkomen box 1

Vergrijpboete

Rente

17/6139

2010

[Nummer]

€ 66.499

€ 6.024

€ 2.373

17/6140

2011

[Nummer]

€ 61.066

€ 3.164

€ 1.076

17/6141

2012

[Nummer]

€ 56.564

€ 3.255

€ 871

17/6142

2013

[Nummer]

€ 121.736

€ 16.838

€ 3.412

17/6143

2014

[Nummer]

€ 56.390

€ 4.005

€ 491

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze navorderingsaanslagen. De op de jaren 2010 tot en met 2013 betrekking hebbende navorderingsaanslagen worden hierna aangeduid als de tweede serie navorderingsaanslagen. Met betrekking tot de jaren 2013 en 2014 bestaat het verzamelinkomen dat is vastgesteld bij de hierboven in de tabel genoemde navorderingsaanslagen, naast het belastbare inkomen uit werk en woning (kortweg: Inkomen box 1) nog uit het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (kortweg: Inkomen box 3) zoals reeds vastgesteld bij de aanslagen over die jaren en gehandhaafd bij de eerste navorderingsaanslag over 2013.

2.8.

De inspecteur heeft de in 2.7 vermelde bezwaren op 27 juli 2017 afgewezen, met uitzondering van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014. Over dat jaar heeft de inspecteur het vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning verminderd met € 578. De inspecteur heeft geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase aan belanghebbende toegekend.

2.9.

Met dagtekening [datum ] 2017 heeft de politie het EKO rapport van [datum ] 2016 gecorrigeerd en een nieuwe versie uitgebracht (hierna: het EKO rapport van [datum ] 2017). Dit vanwege geconstateerde onvolkomenheden in de door de ING Bank in eerste instantie aangeleverde gegevens. Uit de gecorrigeerde kasopstelling blijkt een wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 1 januari 2010 tot 1 april 2016 van € 189.917,11 (p. 23 van Bijlage 55 bij het verweerschrift).

2.10.

De inspecteur heeft met dagtekening 12 december 2016 ook de onderstaande voorlopige aanslagen IB/PVV en Zvw aan belanghebbende opgelegd over de jaren 2015 en 2016:

Zaaknummer

Jaar

Soort

Aanslagnummer

Inkomen box 1 / Toegepast bijdrage-inkomen

18/2133

2015

IB/PVV

[Nummer]

€ 53.859

18/2135

2015

Zvw

[Nummer]

€ 9.936

18/2134

2016

IB/PVV

[Nummer]

€ 44.093

18/2136

2016

Zvw

[Nummer]

€ 6.056

Bij brief van 19 december 2016 heeft belanghebbende ter zake van deze voorlopige aanslagen herzieningsverzoeken ingediend. Voor het jaar 2015 heeft de inspecteur de verzoeken met dagtekening 27 juli 2017 in zoverre gehonoreerd dat het belastbare inkomen uit werk en woning (hierna: box 1) en het bijdrage-inkomen Zvw zijn verminderd met € 1.705. Voor het jaar 2016 heeft de inspecteur de verzoeken ook met dagtekening 27 juli 2017 afgewezen. Belanghebbende heeft voor beide jaren rechtstreeks beroep ingesteld. De inspecteur heeft ingestemd met het overslaan van de bezwaarfase (artikel 7:1a van de Awb , prorogatie ).

2.11.

Met dagtekening 5 april 2018 (met betrekking tot 2015) en 9 mei 2018 (met betrekking tot 2016) heeft de inspecteur definitieve aanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd aan belanghebbende:

Zaak-nummer

Jaar

Soort

Aanslagnummer

Inkomen box 1 / Toegepast bijdrage-inkomen

Inkomen box 3

Belasting-rente

18/5053

2015

IB/PVV

[Nummer]

€ 52.154

-

€ 71

18/5054

2015

Zvw

[Nummer]

€ 9.936

-

-

18/5055

2016

IB/PVV

[Nummer]

€ 49.610

€ 37

€ 86

18/5056

2016

Zvw

[Nummer]

€ 6.056

-

-

Tegen deze aanslagen heeft belanghebbende tijdig bezwaar gemaakt. Ter zitting hebben partijen ter zake van deze bezwaren eveneens ingestemd met het overslaan van de bezwaarfase. De rechtbank heeft vervolgens aan deze zaken de in de tabel genoemde zaaknummers toegekend en geen aanvullend griffierecht geheven.

2.12.

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Limburg heeft belanghebbende op 21 maart 2018 vrijgesproken van de verdenking van witwassen van chartale en contante geldbedragen.

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen zijn de volgende punten in geschil:

Is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast omdat belanghebbende voor de onderhavige jaren niet de ‘vereiste aangifte’ heeft gedaan?

(In verband met navorderingsaanslagen:) Is er sprake van een navorderingsgrond (nieuw feit dan wel kwade trouw)?

Zijn de belastingaanslagen niet tot te hoge bedragen vastgesteld?

Zijn de vergrijpboeten terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld?

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vernietiging dan wel vermindering van de (navorderings-/voorlopige/definitieve) aanslagen conform de ingediende aangiften.

3.4.

Ter zitting heeft de inspecteur gemeld dat, anders dan bij de uitspraak op bezwaar is beslist, belanghebbende ter zake van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 wel recht heeft op een kostenvergoeding, zodat de rechtbank het beroep met zaaknummer BRE 17/6143 gegrond zal verklaren voor zover het de kostenvergoeding betreft. De inspecteur concludeert voor het overige tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf: (voorwaardelijk) getuigenaanbod

4.1.1.

Belanghebbende heeft in zijn brief van 28 september 2017 gemeld dat hij een bewijsaanbod doet tot het horen van getuigen in verband met de aankoop van de Harley Davidson motor. Daarbij heeft belanghebbende als getuigen genoemd de heer [getuige 1] en de heer [getuige 2] .

4.1.2.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het getuigenaanbod als volgt. Belanghebbende kan, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:60, vierde lid, van de Awb , zelf getuigen meebrengen naar de zitting. Belanghebbende is van die mogelijkheid op de hoogte gesteld bij de uitnodiging voor de zitting (brief van 3 juli 2018). Belanghebbende heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Belanghebbende heeft aldus geen gebruik gemaakt van de gegeven gelegenheid tot uitvoering van het bewijsaanbod (vgl. Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR7741). Feiten of omstandigheden waaraan de conclusie is te verbinden dat belanghebbende niet in redelijkheid kan worden tegengeworpen dat hij van de geboden mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank ziet geen aanleiding om gebruik te maken van de in artikel 8:63, derde lid, van de Awb vermelde bevoegdheid om (zelf) een getuige op te roepen nu het horen van de heren [getuige 1] en [getuige 1] de rechtbank niet zinvol voorkomt in het kader van de taak die op de rechtbank rust.

Met betrekking tot de jaren 2010 tot en met 2014

Is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast omdat belanghebbende voor de onderhavige jaren niet de ‘vereiste aangifte’ heeft gedaan?

4.2.

Artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bepaalt – voor zover van belang – dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (‘omkering en verzwaring van de bewijslast’). Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast (vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, BNB 2010/47 en Hoge Raad 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:17, BNB 2015/52).

4.3.

De inspecteur heeft gewezen op het onderzoek dat de Belastingdienst heeft gedaan naar de stortingen op de bankrekeningen van belanghebbende en op de bankrekeningen van de kinderen als ook op het EKO-rapport van [datum ] 2016. Tegenover de jaarlijkse gedane (veronderstelde) contante uitgaven (zie ook 2.6) staat geen bekende herkomstbron, aldus de inspecteur. Voorts stelt de inspecteur dat sprake is van bewustheid bij belanghebbende dat er inkomsten zijn die aangegeven hadden moeten worden.

4.4.

De rechtbank stelt vast dat de methodiek van de inspecteur in de kern op het volgende neerkomt. De inspecteur heeft per jaar een schatting gemaakt van de door belanghebbende gedane contante uitgaven en is nagegaan wat de bekende of aannemelijke bronnen van herkomst zijn van de contanten waarmee de uitgaven kunnen zijn gedaan (hierna: de contante herkomstbronnen). Voor het verschil tussen het totaalbedrag aan geschatte contante uitgaven en het totaalbedrag aan contante herkomstbronnen zou dan sprake zijn van een ‘negatieve kas’. Omdat een ‘negatieve kas’ feitelijk niet mogelijk is, moet er wel een andere herkomstbron zijn. Volgens de inspecteur bestaat die bron uit contante (niet-aangegeven) inkomsten verdiend met werkzaamheden.

De rechtbank is van oordeel dat deze methode rationeel is en op zichzelf geschikt is om te bepalen of sprake is van een ‘negatieve kas’. Of en in hoeverre in dit concrete geval een negatieve kas aannemelijk is gemaakt, hangt echter af van een weging van enerzijds wat de inspecteur ter onderbouwing geeft en anderzijds wat belanghebbende ter betwisting daarvan aanvoert.

4.4.1.

De onderbouwing door de inspecteur wat betreft de (geschatte) contante uitgaven bestaat in de eerste plaats uit de geconstateerde contante stortingen op de in 4.3 vermelde bankrekeningen. De onderbouwing bestaat in de tweede plaats uit de bevindingen in het EKO-rapport van [datum ] 2017. In dit EKO-rapport zijn feitelijk geconstateerde contante uitgaven vermeld en veronderstelde contante uitgaven. Het bedrag aan veronderstelde contante uitgaven is gebaseerd op de methodiek dat op basis van bepaalde uitgangpunten (zoals Nibud-normen voor uitgaven voor voeding, en bijvoorbeeld bepaalde uitgangspunten voor brandstofverbruik en brandstofprijzen voor de autokosten) wordt geschat welk totaal bedrag aan uitgaven ongeveer moet zijn gedaan voor de desbetreffende post, waarna daarop in mindering wordt gebracht het totaalbedrag aan uitgaven waarvan – na analyse van bankafschriften – bekend is dat die zijn gedaan voor de desbetreffende post of waarvoor anderszins een aannemelijk geachte verklaring is gegeven. Voor het verschil tussen het totaalbedrag aan geschatte uitgaven en het totaalbedrag aan bekende uitgaven is verondersteld dat er contante uitgaven zijn gedaan.

Het verweer van belanghebbende met betrekking tot de contante bankstortingen is te vinden in het – met het oog op de strafrechtelijke procedure opgestelde – document ‘Zienswijze verdediging inzake de verdenking witwassen’ (dat onderdeel is van bijlage 53 bij het verweerschrift). Het verweer met betrekking tot de bevindingen in het EKO-rapport is met name te vinden in stukken ingediend in de bezwaar- en beroepsfase. Er zijn twee soorten verweer van belanghebbende te onderscheiden: (i) verweer inhoudende dat de door de inspecteur gestelde uitgave (gedeeltelijk) niet heeft plaatsgevonden en (ii) verweer waarbij een verklaring wordt gegeven voor een uitgave. Het eerste verweer is vooral gevoerd met betrekking tot (veronderstelde) contanten uitgaven in het EKO-rapport. Het tweede verweer is gevoerd met betrekking tot de contante bankstortingen en contante uitgaven in het EKO-rapport voor zover belanghebbende die niet betwist. Dit tweede verweer komt er in de kern op neer dat deze stortingen en uitgaven zijn gedaan uit beschikbare contante middelen niet zijnde contante inkomsten gegenereerd met werkzaamheden, zoals schenkingen (van de schoonvader), contante giften verkregen bij verjaardagen, feestdagen en feesten, en contanten verkregen met de verkoop van spullen.

4.4.2.

De rechtbank is van oordeel dat, alles afwegende, de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat er in elk van de jaren 2010 tot en met 2014 sprake is van ‘negatieve kassen’ tot een hoogte als hierna in 4.5 bedoeld. De rechtbank motiveert dit als volgt.

Dát de geconstateerde contante bankstortingen zijn gedaan, is op zichzelf – op enige marginale bedragen na – niet bestreden door belanghebbende. Verder is het EKO-rapport geschikt om bij te dragen aan het bewijs, gelet op de uitgebreide onderbouwing. Het rapport geeft ervan blijk dat uitgebreid en gedegen onderzoek is gedaan, en het rapport is gedetailleerd en inzichtelijk. Een deel van de in het rapport vermelde geconstateerde contante uitgaven is bovendien als zodanig ook niet of niet voor het gehele bedrag bestreden door belanghebbende. Wat belanghebbende ter motivering van zijn in 4.4.1 vermelde verweer heeft aangevoerd is, in totaal bezien (zie hierna), onvoldoende. De diverse onderdelen van het verweer inhoudende dat uitgaven niet zijn gedaan, zijn in onderlinge samenhang bezien onvoldoende geloofwaardig dan wel onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van de in 4.4.1 vermelde verklaringen merkt de rechtbank in het bijzonder op dat een groot deel daarvan erop neerkomt dat belanghebbende materialen krijgt van degenen die hij helpt met reparatiewerkzaamheden alsmede dat hij veel geld krijgt van zijn gasten ter gelegenheid van verjaardagen en andere feesten, dat die anderen doorgaans zelf geen feesten geven en als zij dat wel doen dat belanghebbende dan geen geld geeft, maar zijn arbeid beschikbaar stelt en dat de feesten die hij geeft of bezoekt belanghebbende geen (extra) geld kosten. De inspecteur is in zijn verweerschrift uitvoerig ingegaan op die verklaringen. Hij heeft daarbij tal van punten opgesomd die bevreemding wekken en nadere toelichting behoeven. De rechtbank is het daarmee eens. De rechtbank acht belanghebbende niet erin geslaagd die gerezen bedenkingen bij zijn verklaringen voldoende weg te nemen, ondanks dat diverse personen schriftelijke verklaringen hebben afgelegd die (een deel van) de verklaringen van belanghebbende ondersteunen.

Met betrekking tot deze bewijsoverwegingen verdient nog het volgende opmerking. Een eerste opmerking betreft de in het EKO-rapport geschatte contante uitgaven voor zover die zijn betwist. Indien elke uitgavepost afzonderlijk wordt bezien, kan niet zonder meer voor elke post worden geoordeeld dat, tegenover de betwisting door belanghebbende, aannemelijk is dat die contante uitgaven zijn gedaan althans dat contante uitgaven zijn gedaan voor het door de inspecteur geschatte bedrag. Er hoeft echter niet per post afzonderlijk een (bewijs)beoordeling plaats te vinden. Het gaat hier immers – voor elk jaar afzonderlijk – om de beoordeling of, het geheel in aanmerking nemende, aannemelijk is dat sprake is van een substantieel bedrag aan ‘negatieve kas’. Daarbij past een ‘complexbenadering’. Voor zover het gaat om de veronderstelde contante uitgaven brengt die complexbenadering mee dat – per jaar – naar het geheel van de posten (ter zake waarvan de inspecteur verondersteld heeft dat contante uitgaven zijn gedaan) wordt gekeken en de daarvoor gegeven onderbouwing tegenover de verklaringen van belanghebbende. Een tweede opmerking betreft de verklaringen van belanghebbende. Voor een groot deel van de verklaringen geldt dat als de desbetreffende verklaring afzonderlijk – op zichzelf, los van de overige verklaringen – wordt bezien, gezegd kan worden dat sprake is van een verklaring die plausibel zou kunnen zijn. Ook hier is echter een complexbenadering op haar plaats. De rechtbank is van oordeel dat als de verklaringen in zijn geheel en in onderlinge samenhang worden bezien, er te veel bedenkingen zijn en dat zij dus onvoldoende gewicht in de schaal leggen ten opzichte van wat de inspecteur heeft aangevoerd.

4.5.

Voor zover aannemelijk is dat sprake is van een ‘negatieve kas’, is bij gebrek aan andere plausibele verklaringen over de herkomst aannemelijk dat er voor dat bedrag sprake is van belastbaar inkomen uit nevenwerkzaamheden. De rechtbank acht door de inspecteur aannemelijk gemaakt dat voor elk van de jaren geldt dat zodanig hoge inkomsten niet zijn aangegeven dat de volgens de aangifte verschuldigde IB/PVV zowel in absolute als in relatieve zin aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde IB/PVV in de zin van het rechtskader dat in 4.2 is vermeld. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende zich ten tijde van het doen van de aangiften ervan bewust is geweest dat door de inkomsten niet aan te geven telkens een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting en premie niet zou worden geheven. Gelet op het voorgaande is voor elk van de jaren 2010 tot en met 2014 de vereiste aangifte niet gedaan en dient voor de genoemde jaren de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard.

4.6.

Anders dan belanghebbende bepleit mag bij de beoordeling of de vereiste aangifte is gedaan wel rekening worden gehouden met de contante bankstortingen waarop de eerste serie navorderingsaanslagen zijn gebaseerd. Immers moet worden beoordeeld of het aangegeven bedrag aan belasting zowel absoluut als relatief gezien te laag is.

Is er sprake van een navorderingsgrondslag (nieuw feit dan wel kwade trouw)?

4.7.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de AWR kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit of kwade trouw rust op de inspecteur. Dat de sanctie van omkering van de bewijslast wegens het niet-doen van de vereiste aangifte van toepassing is, doet daaraan niet af. Die sanctie sterkt zich immers niet uit tot de bewijslastverdeling met betrekking tot de navorderingseisen. Van kwade trouw is sprake indien belanghebbende de inspecteur met het doen van de aangifte zoals deze is gedaan, opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt (Hoge Raad 11 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2160). Onder opzet wordt mede begrepen voorwaardelijk opzet.

4.8.

Volgens de inspecteur heeft belanghebbende te kwader trouw gehandeld door aanzienlijke inkomsten uit nevenwerkzaamheden niet in zijn aangiften op te nemen. Hierdoor wist belanghebbende dat (er een aanmerkelijke kans was dat) indien de aangiften zouden worden gevolgd, de aanslagen tot te lage bedragen zouden worden opgelegd. Belanghebbende heeft hierdoor bewust onjuiste inlichtingen verstrekt en de juiste inlichtingen onthouden, aldus de inspecteur.

4.9.

De rechtbank volgt de inspecteur op dit punt. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende inkomsten uit nevenwerkzaamheden heeft genoten, dat belanghebbende deze inkomsten niet in zijn aangiften heeft opgenomen en dat belanghebbende zich daarvan bewust is geweest (zie 4.5). Nu de rechtbank van oordeel is dat belanghebbende te kwader trouw is, ziet zij geen aanleiding om te beoordelen of er sprake is van een nieuw feit.

Zijn de belastingaanslagen niet tot te hoge bedragen vastgesteld?

4.10.

In het geval, zoals hier, waarin sprake is van omkering van de bewijslast mogen de navorderingsaanslagen niet naar willekeur zijn vastgesteld, maar dienen deze te berusten op een redelijke schatting (zie Hoge Raad 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6486, BNB 2003/203).

4.11.

De inspecteur heeft zich bij het opleggen van de tweede serie navorderingsaanslagen en de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 gebaseerd op het EKO rapport van [datum ] 2016. Tussen de uitkomsten van het EKO rapport van [datum ] 2016 en de uiteindelijke bedragen van voormelde (navorderings-)aanslagen bestaan kleine verschillen. De rechtbank is van oordeel dat deze verschillen slechts marginaal zijn. De inspecteur is naar het oordeel van de rechtbank binnen de grenzen van de redelijkheid gebleven. Hierbij heeft de rechtbank gelet op de niet te vermijden ruwheid van de schattingen en de omstandigheid dat het de rechtbank niet is gebleken dat opzettelijk en/of stelselmatig bij de becijferingen fouten zijn gemaakt.

4.12.

Op belanghebbende rust de verzwaarde bewijslast dat de bestreden belastingaanslagen zoals die luiden na de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. De rechtbank heeft zich in 4.4.2 reeds uitgelaten over de bewijskracht van wat belanghebbende heeft ingebracht. Belanghebbende toont met wat hij heeft aangedragen niet overtuigend aan dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

4.13.

De bestreden belastingaanslagen IB/PVV over de jaren 2010 tot en met 2014 zoals deze luiden na de uitspraken op bezwaar van 27 juli 2017 blijven derhalve in stand.

Met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 merkt de rechtbank op dat de feitelijke vermindering als gevolg van de uitspraak op bezwaar (zie 2.8) nog moet volgen. Dit is echter niet meer dan een administratieve verwerking van hetgeen reeds in de uitspraak op bezwaar is beslist. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de navorderingsaanslag feitelijk nog niet is verminderd, dus geen aanleiding om het beroep gegrond te verklaren.

Zijn de vergrijpboeten terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld?

4.14.

Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur een boete van ten hoogste 100 % opleggen indien het aan opzet (of grove schuld) van de belastingplichtige is te wijten dat met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. In dit geval heeft de inspecteur over ieder jaar een vergrijpboete van 50% opgelegd.

4.15.

De rechtbank is van oordeel dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen in 4.9 is overwogen. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de opgelegde boetes passend en geboden zijn.

4.16.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 januari 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC1962) overwogen dat bij de beoordeling of een boete passend en geboden is rekening gehouden moet worden met de omstandigheid dat de boete is vastgesteld met omkering van de bewijslast. Dit betekent niet dat in alle gevallen waarin sprake is van toepassing van omkering van de bewijslast, er aanleiding is voor matiging van de boete.

4.17.

Op grond van paragraaf 7, vijfde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst kan rekening worden gehouden met de financiële omstandigheden van belanghebbende ten tijde van het opleggen van de boete. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:685) overwogen dat indien de beslissing van een bestuursorgaan over de hoogte van een boete aan het oordeel van de rechter wordt onderworpen, de rechter dan zijn oordeel dienaangaande dient te vormen met inachtneming van de te zijnen overstaan aannemelijk geworden omstandigheden waarin de belanghebbende op dat moment verkeert, waaronder diens draagkracht.

4.18.

De rechtbank ziet aanleiding om de opgelegde boeten te matigen als gevolg van de toepassing van de omkering van de bewijslast en gezien de persoonlijke, financiële omstandigheden van belanghebbende. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij in een ellendige situatie zit, door het bomen het bos niet meer ziet, zijn baan is verloren (waaromtrent nog een procedure loopt) en dat hij bij het vinden van een nieuwe baan de negatieve gevolgen ondervindt van zijn leeftijd en de negatieve berichten die over hem de ronde doen op onder meer het internet. Bij de financiële omstandigheden heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de onderhavige bestreden belastingschulden voor zover die in deze uitspraak worden gehandhaafd. De rechtbank acht het passend en geboden om de vergrijpboeten (van 50% van de grondslag) te matigen met 30%. Dit betekent dat de boetebeschikkingen als volgt worden verminderd:

Zaaknummer

Jaar

Opgelegde vergrijpboete

Vergrijpboete na matiging

17/6139

2010

€ 6.024

€ 4.216

17/6140

2011

€ 3.164

€ 2.214

17/6141

2012

€ 3.255

€ 2.278

17/6142

2013

€ 16.838

€ 11.786

17/6143

2014

€ 4.005

€ 2.803

De beroepen met betrekking tot de tweede serie navorderingsaanslagen en de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 (zaaknummers BRE 17/6139 tot en met 17/6143) zijn in zoverre dan ook gegrond.

Met betrekking tot het jaar 2015: de definitieve aanslagen

Is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast omdat belanghebbende voor de onderhavige jaren niet de ‘vereiste aangifte’ heeft gedaan?

4.19.

De inspecteur heeft naar aanleiding van het EKO rapport van [datum ] 2016 (zie 2.5) een bedrag van € 14.117 als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2015 aangemerkt. Daaraan legt de inspecteur met name ten grondslag veronderstelde uitgaven voor levensonderhoud, enkele feitelijk geconstateerde uitgaven en € 934,33 aan stortingen op de bankrekeningen van de kinderen, waartegenover volgens de inspecteur geen aangegeven inkomsten staan. Bij de aanslag Zvw 2015 is als gevolg van het geldende maximum inkomen waarover Zvw-bijdrage wordt berekend, de grondslag voor de Zvw-bijdrage (ook wel aangeduid als ‘toegepast bijdrage-inkomen’) vastgesteld op € 9.936.

4.20.

De rechtbank verwijst naar rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.4.2. en voegt daar het volgende aan toe. De correctie over het jaar 2015 is nagenoeg geheel gebaseerd op een schatting op basis van aannames zoals Nibud-normen. Deze omstandigheid vereist een strenge toetsing door de rechtbank. De omstandigheid maakt echter nog niet dat het EKO-rapport niet kan bijdragen aan het bewijs. Zo geven de Nibud-normen een redelijke inschatting van hoe hoog uitgaven bij globale benadering ongeveer zouden moeten zijn (behoudens bijzondere omstandigheden). Ook in het concrete geval van belanghebbende ziet de rechtbank geen aanleiding om deze normen niet in de beoordeling te betrekken. De rechtbank wijst er met name op dat uit het EKO rapport van [datum ] 2017 blijkt dat belanghebbende in 2015 € 2.276 giraal heeft uitgegeven aan voeding. Volgens de Nibud-normen zou dit een bedrag van € 6.244 moeten zijn. Dit verschil is dermate groot en het bedrag aan girale uitgaven is voor een huishouden van vier volwassen zo laag, dat de rechtbank aannemelijk acht dat belanghebbende een substantieel deel bedrag aan contante uitgaven heeft gedaan voor voeding. In combinatie met de overige onderbouwing van de ‘negatieve kas’ en afgewogen tegen wat belanghebbende heeft aangevoerd, heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat ook in 2015 sprake is van ‘negatieve kassen’ van een hoogte als hierna in 4.21 bedoeld.

4.21.

De rechtbank acht aannemelijk gemaakt dat zodanig hoge inkomsten niet zijn aangegeven dat de volgens de aangifte verschuldigde IB/PVV zowel in absolute als in relatieve zin aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde IB/PVV in de zin van het rechtskader dat in 4.2 is vermeld. Bij het oordeel dat het bedrag van de Zvw dat op basis van de aangifte niet zou zijn geheven op zichzelf beschouwd aanzienlijk is, neemt de rechtbank in aanmerking dat het bij Zvw-bedragen in het algemeen om lagere bedragen gaat dan bij de IB/PVV als gevolg van het lagere tarief (vgl. ook Hof ’s-Hertogenbosch 31 augustus 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3650). De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende zich ten tijde van het doen van de aangifte voor de IB/PVV en Zvw ervan bewust is geweest dat door de inkomsten niet aan te geven een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde IB/PVV en Zvw niet zou worden geheven. Gelet op het voorgaande is de vereiste aangifte niet gedaan en dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard.

Is er sprake van kwade trouw bij belanghebbende?

4.22.

Met betrekking tot de vraag of er sprake is van kwade trouw bij belanghebbende verwijst de rechtbank naar hetgeen is geconcludeerd in 4.9.

Zijn de belastingaanslagen niet tot te hoge bedragen vastgesteld?

4.23.

De inspecteur heeft zich bij het opleggen van de definitieve aanslagen gebaseerd op het EKO rapport van [datum ] 2017. Tussen de uitkomsten van het EKO rapport van [datum ] 2017 en de uiteindelijke bedragen van voormelde (navorderings-)aanslagen bestaan kleine verschillen. Deze zijn met betrekking tot het jaar 2015 echter in het voordeel van belanghebbende. De rechtbank acht de schatting van de inspecteur, met inachtneming van de bevindingen in het EKO rapport, redelijk.

4.24.

Belanghebbende heeft, in het kader van de op hem rustende bewijslast, de onderbouwing gegeven zoals weergegeven in 4.4.1. Gelet op hetgeen in 4.4.2 is overwogen acht de rechtbank belanghebbende niet geslaagd in de op hem rustende last om aan te tonen dat de definitieve aanslagen IB/PVV en Zvw 2015 naar te hoge bedragen zijn opgelegd. De beroepen met zaaknummers BRE 18/5053 en 18/5054 zullen daarom ongegrond worden verklaard.

Met betrekking tot het jaar 2015: voorlopige aanslagen

4.25.

Artikel 9.5, eerste lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2015) luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. Een voorlopige aanslag wordt door de inspecteur op verzoek herzien voor zover die voorlopige aanslag op een ander bedrag is vastgesteld dan het bedrag waarop de aanslag, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, vermoedelijk zal worden vastgesteld.”

De beoordeling door een rechter van een voorlopige aanslag IB/PVV betreft een andere, meer marginale, beoordeling dan de beoordeling van de navorderings-/definitieve aanslagen.

4.26.

De in 2.10 vermelde voorlopige aanslag IB/PVV 2015 zoals die luidt na de beslissing op het verzoek om herziening van deze voorlopige aanslag is gelijk aan de vastgestelde definitieve aanslag IB/PVV 2015. Wat betreft de Zvw 2015 is het vastgestelde inkomen waarover Zvw-bijdrage is verschuldigd in de voorlopige en definitieve aanslag gelijk aan elkaar. De beroepen tegen deze definitieve aanslagen zijn ongegrond (zie 4.24). De (rechtstreekse) beroepen tegen de voorlopige aanslagen zullen daarom ook ongegrond worden verklaard.

Opgemerkt zij nog dat de omstandigheid dat geen vermindering van de voorlopige aanslag IB/PVV 2015 is gevolgd naar aanleiding van het herzieningsverzoek, geen reden geeft voor gegrondverklaring van het (rechtstreekse) beroep betreffende de voorlopige aanslag IB/PVV 2005 (vgl. 4.13).

Met betrekking tot het jaar 2016: definitieve aanslagen

Is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast omdat belanghebbende voor de onderhavige jaren niet de ‘vereiste aangifte’ heeft gedaan?

4.27.

De inspecteur heeft naar aanleiding van het EKO rapport van [datum ] 2016 (zie 2.5) een bedrag van € 6.056 als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2016 aangemerkt. Het gaat hierbij met name om veronderstelde uitgaven voor levensonderhoud en enkele feitelijk geconstateerde uitgaven. Tegenover deze bedragen staan geen aangegeven inkomsten, aldus de inspecteur. Ook is het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) gecorrigeerd met € 37. Bij de aanslag Zvw 2016 is als gevolg van het geldende maximum inkomen waarover Zvw-bijdrage wordt berekend, de grondslag voor de Zvw-bijdrage (ook wel aangeduid als ‘toegepast bijdrage-inkomen’) vastgesteld op € 6.056.

4.28.

De rechtbank verwijst naar de rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.4.2 , alsmede naar rechtsoverweging 4.20 omdat ook hier sprake is van correcties die voor een groot deel gebaseerd zijn op geschatte contante uitgaven, mede op basis van Nibud-normen. Specifiek met betrekking tot het jaar 2016 overweegt de rechtbank dat uit het EKO rapport blijkt dat belanghebbende gedurende de onderzoeksperiode van 1 januari 2016 tot 1 april 2016 een bedrag van € 501 giraal heeft uitgegeven aan voeding. Volgens de Nibud-normen zou dit gedurende die periode een bedrag van € 1.577 moeten zijn. In aanmerking genomen dat het hier om een onderzoeksperiode van drie maanden gaat, is dit verschil dermate groot en is het bedrag aan girale uitgaven voor een huishouden van vier volwassen zo laag, dat de rechtbank aannemelijk acht dat belanghebbende ook in 2016 een substantieel bedrag aan contante uitgaven heeft gedaan voor voeding. Verder heeft belanghebbende in verband met de gestelde contante uitgave voor de aankoop van de Volkswagen Polo geen afdoende verklaring gegeven. In combinatie met de overige onderbouwing van de ‘negatieve kas’ en afgewogen tegen wat belanghebbende heeft aangevoerd, heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat ook in 2016 sprake is van een ‘negatieve kassen’ van een hoogte als hierna in 4.29 bedoeld.

4.29.

De rechtbank acht aannemelijk gemaakt dat zodanig hoge inkomsten niet zijn aangegeven dat de volgens de aangifte verschuldigde IB/PVV zowel in absolute als in relatieve zin aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde IB/PVV in de zin van het rechtskader dat in 4.2 is vermeld. Dit geldt ook voor de Zvw (vgl. 4.21). De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende zich ten tijde van het doen van de aangifte voor de IB/PVV en Zvw ervan bewust moet zijn geweest dat door de inkomsten niet aan te geven een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde IB/PVV en Zvw niet zou worden geheven. Gelet op het voorgaande is de vereiste aangifte niet gedaan en dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard.

Is er sprake van kwade trouw bij belanghebbende?

4.30.

Met betrekking tot de vraag of er sprake is van kwade trouw bij belanghebbende verwijst de rechtbank naar hetgeen is geconcludeerd in 4.9.

Zijn de belastingaanslagen niet tot te hoge bedragen vastgesteld?

4.31.

De inspecteur heeft zich bij het opleggen van de definitieve aanslagen gebaseerd op het EKO rapport van [datum ] 2017. Tussen de uitkomsten van het EKO rapport van 17 maart 2017 en de uiteindelijke bedragen van voormelde (navorderings-)aanslagen bestaan kleine verschillen. Deze zijn met betrekking tot het jaar 2016 echter in het voordeel van belanghebbende. De rechtbank acht de schatting van de inspecteur, met inachtneming van de bevindingen in het EKO rapport, redelijk. Dit betreft zowel de correcties ten aanzien van het belastbare inkomen in box 1 als de correctie van het belastbare inkomen in box 3 (ter grootte van € 37). Wel is ter zitting gebleken dat de inspecteur bij het vaststellen van de definitieve aanslag IB/PVV 2016 ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de negatieve inkomsten uit eigen woning. Dit betreft in 2016 een bedrag van € 3.604. De rechtbank zal het inkomen in box 1 met deze negatieve inkomsten verminderen, zoals ook de inspecteur ter zitting heeft aangegeven. Het belastbare inkomen box 1 zal derhalve worden vastgesteld op € 46.006. Voor de hoogte van de definitieve aanslag Zvw heeft het alsnog in aanmerking nemen van deze aftrekpost geen gevolgen.

4.32.

Belanghebbende heeft, in het kader van de op hem rustende bewijslast, de verklaringen ingebracht zoals weergegeven in 4.4.1. Om dezelfde redenen als uiteengezet in 4.4.2 acht de rechtbank belanghebbende niet geslaagd in de op hem rustende last om aan te tonen dat de definitieve aanslagen IB/PVV en Zvw 2016 naar te hoge bedragen zijn opgelegd. Gelet op het bovenstaande zal het beroep met zaaknummer BRE 18/5055 gegrond worden verklaard en het beroep met zaaknummer BRE 18/5056 ongegrond.

Conclusie

4.33.

De opgelegde definitieve aanslag IB/PVV 2016 wordt verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.006 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 37.

Met betrekking tot het jaar 2016: voorlopige aanslagen

4.34.

Met betrekking tot het rechtskader verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen in 4.25. De aldaar vermelde wettekst is in 2016 niet gewijzigd.

4.35.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het verzoek om herziening van de voorlopige aanslagen IB/PVV en Zvw over 2016 terecht heeft afgewezen. Hiervóór heeft de rechtbank geoordeeld dat de definitieve aanslag Zvw in stand blijft en dat het beroep in de zaak met zaaknummer BRE 18/5056 ongegrond zal worden verklaard. Wat betreft de voorlopige aanslag IB/PVV overweegt de rechtbank dat de voorlopige aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen in box 1 van € 44.093 (zie rechtsoverweging 2.8). Gelet op hetgeen is geoordeeld ten aanzien van de definitieve aanslag IB/PVV over 2016 bestaat er voor vermindering van de voorlopige aanslag IB/PVV 2016 geen aanleiding. De beroepen met zaaknummers BRE 18/2134 en 18/2136 zullen dan ook ongegrond worden verklaard.

Heffings- en belastingrente

4.36.

Belanghebbende heeft tegen de beschikkingen inzake de heffings- en belastingrente geen afzonderlijke gronden aangevoerd. De belastingrente bij de aanslag IB/PVV 2016 dient te worden verminderd aangezien die aanslag wordt verminderd (zie 4.31 hiervoor).

5 Proceskosten

5.1.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.2.

Tussen partijen is in geschil of er met betrekking tot de bestreden belastingaanslagen IB/PVV over de jaren 2010 tot en met 2014 één of twee hoorgesprekken hebben plaatsgevonden. Belanghebbende is van mening dat zowel het gesprek van 10 maart 2017 als het gesprek van 10 mei 2017 als hoorgesprek moet worden aangemerkt. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het gesprek van 10 maart 2017 een hoorgesprek is geweest. Dit gesprek is als hoorgesprek bij belanghebbende aangekondigd en daarvan is ook een verslag gemaakt. Bij het gesprek van 10 mei 2017 is dat niet het geval geweest, aldus nog steeds de inspecteur. Wel erkent de inspecteur dat er veelvuldig contact is geweest tussen partijen gedurende de bezwaarfase.

De rechtbank acht niet aannemelijk dat het gesprek van 10 mei 2017 het karakter van een (tweede) hoorgesprek heeft. Om die reden zal de rechtbank er bij het bepalen van de proceskostenvergoeding van uitgaan dat er één hoorgesprek heeft plaatsgevonden.

5.3.

De te vergoeden kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld voor de bezwaren en beroepen voor zover zij betreffen de boetebeschikkingen over de jaren 2010 tot en met 2014 op € 2.250 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 249, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 een factor 1,5 voor samenhang en een wegingsfactor 1).

5.4.

Nu ook het door belanghebbende ingestelde rechtstreekse beroep betreffende de definitieve aanslag IB/PVV 2016 (BRE 18/5055) gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank is er echter sprake van samenhang met de in 5.3 vermelde zaken nu deze tegelijk op zitting zijn behandeld, er sprake is van dezelfde rechtsbijstandverlener en van (nagenoeg) identieke werkzaamheden. In alle zaken speelt dezelfde fiscale problematiek en de constatering dat verzuimd is het negatieve inkomen uit eigen woning in aanmerking te nemen, vindt zijn verklaring in inbreng door de rechtbank en de inspecteur. De in 5.3 genoemde vergoeding omvat derhalve ook de tegemoetkoming in de proceskosten voor de zaak met zaaknummer BRE 18/5055.

6 Beslissing

Met betrekking tot de zaaknummers BRE 17/6139 tot en met 17/6143 (de tweede serie navorderingsaanslagen en de navorderingsaanslag IB/PVV 2014)

De rechtbank:

verklaart de beroepen gegrond voor zover zij de opgelegde vergrijpboeten betreffen en met betrekking tot het beroep met zaaknummer 17/6143 en voor zover het de afwijzende beslissing op het verzoek om een vergoeding voor de kosten van de bezwaarfase betreft (zie 3.4);

vernietigt de uitspraken op bezwaar in zoverre;

vermindert de vergrijpboeten als volgt:

- navorderingsaanslag IB/PVV 2010 (17/6139) tot € 4.216

- navorderingsaanslag IB/PVV 2011 (17/6140) tot € 2.214

- navorderingsaanslag IB/PVV 2012 (17/6141) tot € 2.278

- navorderingsaanslag IB/PVV 2013 (17/6142) tot € 11.786

- navorderingsaanslag IB/PVV 2014 (17/6143) tot € 2.803;

verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan hem vergoedt.

Met betrekking tot de zaaknummers BRE 18/2133 tot en met 18/2136 en 18/5053, 18/5054 en 18/5056 (de voorlopige aanslagen 2015-2016, de definitieve aanslagen 2015 en de definitieve aanslag Zvw 2016)

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Met betrekking tot zaaknummer BRE 18/5055 (de definitieve aanslag IB/PVV 2016)

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.006 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 37;

vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig.

Met betrekking tot de zaaknummers BRE 17/6139 tot en met 17/6143 (de tweede serie navorderingsaanslagen en de navorderingsaanslag IB/PVV 2014) en zaaknummer BRE 18/5055 (de definitieve aanslag IB/PVV 2016)

De rechtbank veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.250.

Deze uitspraak is gedaan op 19 oktober 2018 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, mr. W.A.P. van Roij en mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier.

De griffier, De rechter,

De voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. Deze uitspraak is mede ondertekend door rechter Van Roij.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR ).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature