< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Inlenersaansprakelijkheid (artikel 34 Invorderingswet 1990)

De wet bevat geen voorrangsregels voor de diverse aansprakelijkheden. Anders dan belanghebbende meent is er geen rechtsregel die de ontvanger verplicht om pas over te gaan tot inlenersaansprakelijkheid nadat hij de mogelijkheden tot bestuurdersaansprakelijkheid heeft uitgeput.

Uitspraak



RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/506

uitspraak van 31 juli 20108

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] BV,

belanghebbende,

en

de ontvanger van de Belastingdienst,

de ontvanger.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De ontvanger heeft aan belanghebbende met dagtekening 1 december 2015 een beschikking aansprakelijkstelling afgegeven met beschikkingsnummer [aanslagnummer].AS38124 (hierna: de beschikking) voor (een deel van de) onbetaald gebleven loonheffingen van [A BV] (hierna: [A BV]) op grond van de inlenersaansprakelijkheid conform artikel 34 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990), artikel 60 van de Wet financiering sociale verzekeringen en artikel 51 van de Zorgverzekeringwet.

1.2.

De ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 december 2016 de beschikking gehandhaafd en het verzoek om kostenvergoeding afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen per fax, ontvangen door de rechtbank op 27 januari 2017, pro forma beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 333. Op 24 februari 2017 heeft belanghebbende de gronden van het beroep ingediend.

1.4.

De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2018 te Breda.

Voor een overzicht van de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak is verzonden.

1.6.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

1.7.

Overeenkomstig het door partijen ter zitting geuite voornemen zijn partijen na afloop van de zitting met elkaar in gesprek gegaan en is de rechtbank (uiteindelijk op 18 juni 2018) geïnformeerd over de uitkomst van hun onderling overleg na sluiting van het onderzoek. Blijkens een bij een fax van belanghebbende gevoegde afdruk van de e-mail van de ontvanger van 6 april 2018 is het resultaat van het overleg dat de ontvanger zich nader op het standpunt stelt dat de aansprakelijkstelling moet worden verminderd tot € 76.167 overeenkomstig de berekening die belanghebbende na de zitting aan de ontvanger heeft overgelegd. Naar de rechtbank begrijpt, wensen partijen die brief met bijlage, buiten een nadere zitting om, nog toegevoegd te zien aan het procesdossier. De rechtbank stemt daarmee in zodat voornoemde stukken alsmede de daaraan voorafgaande aan de rechtbank gestuurde correspondentie waarin verslag is gedaan over de stand van zaken, tot de processtukken zijn gerekend.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende drijf een onderneming in de professionele verwijdering van asbest. Voor deze werkzaamheden heeft zij in de periode van januari 2011 tot en met april 2013 personeel ingeleend van [A BV]. [A BV] exploiteert een uitzendbureau en staat als zodanig ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

2.2.

In 2013 heeft bij [A BV] een boekenonderzoek plaatsgevonden naar de aanvaardbaarheid van onder meer de aangiften loonheffingen over tijdvakken in de periode van 29 juni 2010 tot en met 31 december 2012. Van dit onderzoek is met dagtekening 17 juni 2014 een rapport opgemaakt. De administratie van [A BV] bleek niet voor handen te zijn. Via derdenonderzoek bij inleners, onder meer bij belanghebbende, heeft de inspecteur informatie verzameld. Uit het derdenonderzoek is naar voren gekomen dat [A BV] over de jaren 2011, 2012 en 2013 meer loonheffingen is verschuldigd, dan zij heeft aangegeven en afgedragen.

2.3.

Met dagtekening 22 augustus 2014 heeft de inspecteur aan [A BV] een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd (aanslagnummer [aanslagnummer].A.01.3500) met toepassing van artikel 31, eerste lid, letter a, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964). De naheffingsaanslag is opgelegd naar een te betalen bedrag van € 1.160.917, bestaande uit € 748.273 belasting, € 38.508 heffingsrente en een vergrijpboete van € 374.136. [A BV] heeft de naheffingsaanslag niet betaald, ook niet na daartoe te zijn aangemaand (op 19 september 2014) en na het uitreiken van een dwangbevel (op 17 oktober 2014). De ontvanger heeft in 2015 de twee middellijke bestuurders aansprakelijk gesteld. De onmiddellijke bestuurder is vanwege haar faillissement op [datum] 2013 niet aansprakelijk gesteld. Dit faillissement is op [datum] 2015 opgeheven wegens een gebrek aan baten.

2.4.

Op verzoek van de ontvanger is een onderzoek ingesteld bij belanghebbende naar de mogelijkheden van aansprakelijkstelling van belanghebbende als contractspartner van [A BV]. Van dit onderzoek is met dagtekening 12 oktober 2015 een rapport opgesteld.

2.5.

Bij beschikking van 1 december 2015 heeft de ontvanger belanghebbende aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 253.150. Deze aansprakelijkstelling heeft betrekking op (een deel van de) niet-betaalde loonheffingen over ten onrechte door [A BV] niet verloonde uren en ten onrechte onbelast gebleven daggeldvergoedingen in de periode januari 2011 tot en met april 2013.

2.6.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking. De ontvanger heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld en of belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Subsidiair is in geschil of de ontvanger in strijd met de Leidraad Invordering heeft gehandeld.

3.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van inlening. Evenmin is in geschil dat belanghebbende tot een te hoog bedrag aansprakelijk is gesteld. Ook is niet meer in geschil dat de daggeldvergoeding van € 30,40 kan worden aangemerkt als een vaste reiskostenvergoeding, waarvan € 24,70 onbelast is en € 5,70 belast.

3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de beschikking aansprakelijkstelling.

De ontvanger concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de beschikking aansprakelijkstelling.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Artikel 34 van de IW 1990 bepaalt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Ingeval een werknemer met instandhouding van de dienstbetrekking tot zijn inhoudingsplichtige, de uitlener, door deze ter beschikking is gesteld aan een derde, de inlener, om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn, is de inlener hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting welke de uitlener verschuldigd is in verband met het verrichten van die werkzaamheden door die werknemer alsmede voor de omzetbelasting welke de uitlener, dan wel – in geval doorlening plaatsvindt – de in het tweede lid bedoelde doorlener verschuldigd is in verband met dat ter beschikking stellen. In afwijking in zoverre van artikel 32, tweede lid, is de inlener niet aansprakelijk voor de in verband met de heffing van loonbelasting of van omzetbelasting opgelegde bestuurlijke boete.

(…)

5.De aansprakelijkheid op grond van het eerste lid geldt niet met betrekking tot de loonbelasting en de omzetbelasting verschuldigd door de uitlener, indien aannemelijk is dat het niet betalen door de uitlener noch aan hem noch aan een inlener is te wijten.

(…).”

4.2.

Belanghebbende betwist op zichzelf niet dat aan de voorwaarden voor aansprakelijkstelling als bedoeld in de hiervoor opgenomen wettelijke bepaling is voldaan. Dat betekent dat de ontvanger belanghebbende in beginsel terecht aansprakelijk heeft gesteld voor (een deel van) de niet-betaalde naheffingsaanslag loonheffingen van [A BV].

4.3.

Belanghebbende stelt dat niet is gebleken dat de ontvanger pogingen heeft gedaan om eerst de bestuurders van [A BV] aan te spreken. Verder voert zij aan dat pas tot inlenersaansprakelijkheid over mocht worden gegaan nadat was gebleken dat de belastingschulden niet op die bestuurders verhaalbaar waren. Belanghebbende verbindt aan het voorgaande de conclusie dat de ontvanger in strijd heeft gehandeld met de Leidraad Invordering en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De rechtbank stelt voorop dat de wet geen voorrangsregels bevat voor de diverse aansprakelijkheden. Artikel 34 IW 1990 bevat een risicoaansprakelijkheid voor de inlener. Dat is een aansprakelijkheid van rechtswege (vgl. Hoge Raad 18 oktober 2002, nr. C01/075HR, ECLI:NL:HR:2002:AE5152, V-N 2002/51.28). Geen rechtsregel verplicht de ontvanger om pas over te gaan tot inlenersaansprakelijkheid nadat hij de mogelijkheden tot bestuurdersaansprakelijkheid heeft uitgeput. Artikel 34.3 van de Leidraad Invordering bepaalt: “Als de ontvanger een derde aansprakelijk kan stellen op grond van meer dan één fiscale of civielrechtelijke aansprakelijkheidsbepaling, dan hoeft hij daarbij geen volgorde in acht te nemen. Hetzelfde geldt als de ontvanger verscheidene derden op grond van dezelfde dan wel op grond van verschillende aansprakelijkheidsbepalingen aansprakelijk kan stellen.”

Dat de ontvanger mogelijk meer verhaalsacties tegen de bestuurders dan wel tegen [A BV] had kunnen nemen doet niet af aan de rechtmatigheid van de aansprakelijkstelling van belanghebbende. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de ontvanger heeft belanghebbende nauwelijks concrete stellingen aangevoerd, zodat naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk is geworden dat in strijd is gehandeld met de Leidraad Invordering of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Met betrekking tot de hoogte van de aansprakelijkstelling

4.4.

Belanghebbende stelt dat een aantal uitzendkrachten via verschillende uitzendbureaus voor haar werkzaam zijn geweest. In het kader van het derdenonderzoek in het boekenonderzoek bij [A BV] heeft belanghebbende aan de inspecteur een overzicht verstrekt waarin de gewerkte uren per uitzendkracht zijn geregistreerd en niet per uitzendbureau. Nu aan de inspecteur is medegedeeld dat sommige uitzendkrachten via verschillende uitzendbureaus voor belanghebbende werkzaam waren had de inspecteur dit nader moeten onderzoeken, aldus belanghebbende. De rechtbank ziet in de enkele stelling van belanghebbende dat informatie is verstrekt die aanleiding had moeten geven tot een nader onderzoek naar de andere uitzendbureaus, geen aanleiding om aan te nemen dat deze informatie zodanig voldoende concreet was dat zij noopte tot een door de inspecteur te verrichten nader onderzoek naar de mogelijkheid van inlening van dezelfde arbeidskrachten bij andere uitzendbureaus.

4.5.

Met betrekking tot het in 4.4. gestelde heeft belanghebbende een steekproef uitgevoerd voor drie uitzendkrachten. Uit deze steekproef zou blijken dat er teveel uren in de naheffingsaanslag loonheffingen zijn betrokken. Belanghebbende heeft deze resultaten geëxtrapoleerd naar kennelijk andere uitzendkrachten en naar de gehele periode van de naheffingsaanslag loonheffingen. Zij heeft geconcludeerd dat zij, tezamen met haar zustervennootschap Asbestsanering en Milieutechniek Heezen BV, voor 4.700 uren teveel aansprakelijk is gesteld. Belanghebbende heeft de ontvanger verzocht om de resultaten van de steekproef middels extrapolatie over de gehele periode van aansprakelijkstelling te mogen gebruiken. De ontvanger heeft dat verzoek tot en met de zitting afgewezen. Wel heeft hij belanghebbende de mogelijkheid gegeven om haar stelling voor de gehele periode te onderbouwen.

De rechtbank is met de ontvanger van oordeel dat de inhoud van het procesdossier geen grondslag biedt voor extrapolatie van de uitkomsten van de steekproef over de gehele periode van de aansprakelijkstelling. De steekproef betrof slechts drie personen en besloeg de periode van week 36 tot en met week 52 uit 2011. Ook heeft de ontvanger onbetwist gesteld dat die drie uitzendkrachten in latere jaren niet meer bij belanghebbende en/of haar zustervennootschap hebben gewerkt en dat het uitzendbureau waarvoor zij werkzaam waren toen niet meer actief was. Voorts betreft de stelling van belanghebbende dat 4.700 uren teveel in de naheffingsaanslag loonheffingen zijn opgenomen tot en met de zitting slechts een blote stelling.

4.6.

Met betrekking tot de wijze van brutering heeft de ontvanger in zijn verweerschrift aangegeven dat er geen verschil van inzicht meer bestaat over de te hanteren percentages. Belanghebbende heeft dit niet bestreden. De rechtbank volgt partijen in hun uiteindelijk eensluidende becijfering van de hoogte van de aansprakelijkstelling op € 76.167.

4.7.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. De rechtbank zal de aansprakelijkstelling verminderen tot een bedrag van € 76.167.

5 Proceskosten

5.1.

Er is hier sprake van een herroeping naar aanleiding van gegevensverstrekking door belanghebbende. Volgens de ontvanger moet het verzoek om toekenning van een vergoeding van de kosten van bezwaar worden afgewezen omdat hem niet kan worden verweten dat met die gegevens geen rekening is gehouden bij de uitspraak op bezwaar. Hij voert hiertoe aan dat pas na de uitspraak op bezwaar is gebleken dat belanghebbende de gevraagde stukken naar een onjuist e-mailadres heeft gestuurd waardoor deze de ontvanger niet hebben bereikt. Het standpunt van belanghebbende dat de ontvanger ten onrechte heeft geweigerd de kosten van bezwaar te vergoeden, treft doel. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Anders dan de ontvanger meent, is het herroepen besluit in vorenbedoelde zin niet de uitspraak op bezwaar maar de beschikking aansprakelijkstelling. De ontvanger zou, zo begrijpt de rechtbank hem, het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar wel hebben toegekend indien de gevraagde stukken ingediend zouden zijn geweest voordat op het bezwaar was beslist. De rechtbank ziet geen reden om belanghebbende die vergoeding te onthouden nu het voor het antwoord op de vraag of de beschikking aansprakelijkstelling is herroepen wegens een aan de ontvanger te wijten onrechtmatigheid irrelevant is dat gegevens pas na de uitspraak op bezwaar zijn verstrekt.

5.2.

De rechtbank vindt aanleiding de ontvanger te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.500 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 249, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).

6 Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

vermindert de beschikking aansprakelijkstelling tot een bedrag van € 76.167;

- veroordeelt de ontvanger in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.500;

- gelast dat de ontvanger het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 333 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 31 juli 2018 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter,

mr. W.A.P. van Roij en mr. drs. M.H. van Schaik, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR ).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature