< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Onbeperkte navorderingstermijn erfbelasting/successierecht. Uitleg nationaal recht; strijd met unierecht?

Omdat artikel 66, derde lid, van de SW op 1 januari 2012 in werking is getreden zonder dat daarbij in overgangsrecht is voorzien, is dit artikel naar het oordeel van de rechtbank ook van toepassing op gevallen zoals hier waarin de (oude) navorderingstermijn nog niet verstreken was. Met betrekking tot het beroep op het unierecht overweegt de rechtbank dat het arrest Passenheim niet zonder meer maatgevend is voor de beoordeling of het opleggen van een navorderingsaanslag met toepassing van de ‘onbeperkte navorderingstermijn’ verenigbaar is met het unierecht. Daarbij is van belang dat bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel relevant is of de vereisten van rechtszekerheid worden geëerbiedigd, en dat een vervaltermijn de rechtszekerheid dient. Het gaat hier echter om een overgangssituatie: ten tijde van de belastbare feiten (overlijdens in 2000 en 2002) was de oude navorderingstermijn van twaalf jaar nog van toepassing, maar uiteindelijk wordt nagevorderd op basis van de nieuwe ‘onbeperkte navorderingstermijn’. Uit het arrest Passenheim volgt dat navordering met toepassing van de twaalfjaarstermijn niet onverenigbaar is met de verkeersvrijheden, mits aan de voortvarendheidseis werd voldaan. Die eis speelt hier geen rol. De verlening van de navorderingstermijn in gevallen zoals belanghebbende waarbij de navorderingstermijn nog niet geëindigd was op het moment van de verlenging, is niet in strijd met het unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel. De vraag of in belanghebbendes geval het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden doordat bij haar is nagevorderd met toepassing van de onbeperkte navorderingstermijn beantwoordt de rechtbank ontkennend op basis van een toets in concreto. Er is evenmin sprake van schending van artikel 1 Eerste Protocol EVRM.

Uitspraak



RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 16/9024, 16/9025 en 16/9027

Uitspraak van 18 mei 2018

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], als enig in levende zijnde erfgenaam van [A] en [B], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende en wijlen [A] als erven van [B] navorderingsaanslagen successierecht 2000 opgelegd met aanslagnummers [aanslagnummer 1] respectievelijk [aanslagnummer 2]. In verband met het overlijden van [A] in 2002 is aan belanghebbende een navorderingsaanslag successierecht 2002 met aanslagnummer [aanslagnummer 3] opgelegd.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 18 oktober 2016 de navorderingsaanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen op 22 november 2016 bij de rechtbank beroep ingesteld. Voor deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46 per zaak.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Met het oog op een efficiënt verloop van de zitting en om partijen niet te overvallen, heeft de rechtbank partijen bij brief van 7 maart 2018 geïnformeerd over een vraag die op de zitting zal worden gesteld.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2018 in Breda. Van de zitting is een proces-verbaal gemaakt. Voor een overzicht van de personen die op de zitting zijn verschenen en voor een overzicht van wat er op de zitting is besproken, verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting. Een afschrift van het proces-verbaal van de zitting is tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen verzonden.

2. Feiten

2.1.

Op [datum] 2000 is de vader van belanghebbende, [A], overleden en op [datum] 2002 is de moeder van belanghebbende, [B], overleden. Naar aanleiding van het overlijden van vader en moeder is beide keren aangifte successierecht gedaan.

2.2.

Tot de nalatenschappen behoorden onder meer tegoeden op bankrekeningen in Zwitserland en Luxemburg. In de aangiften is geen melding gemaakt van dat buitenlandse vermogen.

2.3.

Op 6 januari 2014 heeft belanghebbende de inspecteur geïnformeerd over buitenlands vermogen van [belanghebbende]. Deze melding is aangemerkt als een vrijwillige verbetering van de aangiften successierecht (inkeer). Op 20 mei 2016 heeft belanghebbende naar aanleiding van de inkeer een vaststellingsovereenkomst gesloten met de Belastingdienst.

2.4.

Met dagtekening 14 juni 2016 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen successierecht 2000 en 2002 opgelegd met als grondslag het geërfde buitenlandse vermogen.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de inspecteur bevoegd was de navorderingsaanslagen op te leggen.

3.2.

Voor een uiteenzetting van de standpunten van partijen en hun conclusies verwijst de rechtbank naar de stukken die zij hebben ingediend en het proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.0.

De rechtbank is van oordeel dat er tussen de drie zaken sprake is van samenhang als bedoeld in artikel 8:41, derde lid, van de Awb . Dit betekent dat ten onrechte driemaal griffierecht is geheven. Het in de zaken 16/9025 en 16/9027 geheven griffierecht van € 46 per zaak zal door de griffier aan belanghebbende worden terugbetaald.

Juridisch kader

4.1.

Indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen, vervalt op grond van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) de bevoegdheid tot navorderen door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

4.2.

Met ingang van 1 januari 2012 is aan artikel 66 van de Successiewet 1956 (SW) een derde lid toegevoegd, dat als volgt luidt en per 1 januari 2018 is vernummerd tot het vierde lid (hierna: artikel 66, derde lid, van de SW):

“Indien voor de erfbelasting de aangifte over een bestanddeel van het voorwerp van die belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen niet, onjuist of onvolledig is gedaan, vervalt, in afwijking van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen , de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag niet.”

4.3.

Op grond van artikel XXIII van de Wet Overige fiscale maatregelen 2012 (Stb. 2011, 640) treedt artikel 66, derde lid, SW in werking op 1 januari 2012.

4.4.

Artikel 66, derde lid, van de SW is toegevoegd naar aanleiding van een amendement dat is ingediend door de kamerleden Braakhuis en Bashir tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2011. De toelichting op dit amendement luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…) Dit amendement zorgt er (…) voor dat ook het «uitzweten» van de verjaringstermijn niet meer mogelijk is. Bovendien kunnen nalatenschappen waarbij in de afgelopen twaalf jaar gebruik is gemaakt van de edelweissroute, of geprobeerd is gebruik te maken van deze route ter ontwijking van de erfbelasting hiermee alsnog onder de belastingplicht worden gebracht.”

(Kamerstukken II, 2010/11, 32 505, nr. 27, p. 2)

4.5.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het niet toegestaan is dat op 14 juni 2016 nog aanslagen worden opgelegd die samenhangen met verkrijgingen uit 2000 en 2002. Volgens belanghebbende is sprake van gebrekkige wetgeving. Verder beroept belanghebbende zich op het rechtszekerheidsbeginsel. Ook beroept belanghebbende zich op artikel 63 VwEU, artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM-verdrag en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (ABBB).

Beoordeling op basis van de wetgeving

4.6.

Belanghebbendes vader is overleden op [datum] 2000 en haar moeder op [datum] 2002. Op 1 januari 2012 was de navorderingstermijn van twaalf jaren van artikel 16 AWR voor beide nalatenschappen nog niet verstreken. De oorspronkelijke navorderingstermijn zou op [datum] 2012 respectievelijk [datum] 2014 verlopen. Er is dus geen sprake van dat de in 4.2 vermelde wetswijziging in het geval van belanghebbende heeft geleid tot een herleven van een bevoegdheid tot navordering die reeds vervallen was. Daarmee onderscheidt dit geval zich – zoals belanghebbende ook erkent – van het geval in de zaak HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:356. Omdat artikel 66, derde lid, van de SW op 1 januari 2012 in werking is getreden zonder dat daarbij in overgangsrecht is voorzien, is dit artikel – anders dan belanghebbende kennelijk bepleit – ook van toepassing op gevallen zoals hier waarin de navorderingstermijn reeds liep en nog niet verstreken was. Dit vindt ook steun in de in 4.4 aangehaalde toelichting. Nu de navorderingsaanslagen zijn opgelegd na 1 januari 2012 – zij dateren van 14 juni 2016 –, hebben deze navorderingaanslagen dus hun wettelijke grondslag in artikel 66, derde lid, van de SW in verbinding met artikel 16 van de AWR .

Rechtszekerheid

4.7.

Het beroep op het ongeschreven rechtszekerheidsbeginsel als zodanig kan belanghebbende niet baten. De rechter is immers niet bevoegd om wetgeving in formele zin zoals hier aan de orde, rechtstreeks te toetsen aan het ongeschreven rechtszekerheidsbeginsel (zie HR 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725).

Unierecht

4.8.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (het HvJ) heeft in zijn arrest van 11 juni 2009, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222 (hierna: het arrest Passenheim) onder meer het volgende overwogen in verband met de zogenoemde verlengde navorderingtermijn die is neergelegd in artikel 16, vierde lid, van de AWR :

“Bestaan van een beperking van de vrijheden van verkeer

(…)

-39. Daarom kan toepassing van een verlengde navorderingstermijn op belastingplichtigen met woonplaats in Nederland voor buiten deze lidstaat aangehouden tegoeden en inkomsten daaruit, het voor deze belastingplichtigen minder aantrekkelijk maken om tegoeden naar een andere lidstaat over te brengen teneinde de aldaar aangeboden diensten af te nemen dan om in Nederland deze tegoeden aan te houden en financiële diensten af te nemen.

-40. Bijgevolg vormt een regeling als die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, een bij de artikelen 49 EG respectievelijk 56 EG in beginsel verboden beperking van zowel het vrij verrichten van diensten als het vrije verkeer van kapitaal.

Rechtvaardiging voor de beperking van de vrijheden van verkeer

(…)

-47. Een beperkende maatregel kan evenwel slechts gerechtvaardigd zijn indien hij het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt in die zin dat hij geschikt is om het ermee nagestreefde doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken (…).

(….)

-52. Er dient dus te worden aangenomen dat een regeling als die van artikel 16, lid 4, AWR ertoe bijdraagt, de doeltreffendheid van de fiscale controles te waarborgen en belastingfraude te bestrijden.

-53. Niettemin dient nog te worden onderzocht of, zoals verzoekers in de hoofdgedingen in de tweede plaats aanvoeren, een dergelijke regeling verder gaat dan noodzakelijk is om deze doelstellingen te bereiken.

(….)

-62. Teneinde uit te maken of een regeling als die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, niet verder gaat dan noodzakelijk is om de doeltreffendheid van de fiscale controles te waarborgen en om belastingfraude te bestrijden, dient een onderscheid te worden gemaakt tussen twee gevallen.

-63. Het eerste geval betreft de situatie waarin bestanddelen die in een lidstaat belastbaar zijn en in een andere lidstaat zijn ondergebracht, voor de belastingautoriteiten van eerstgenoemde lidstaat zijn verzwegen en deze autoriteiten geen aanwijzing over het bestaan van deze bestanddelen hebben op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen. In dit geval is het voor eerstgenoemde lidstaat niet mogelijk zich tot de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaat te wenden met het verzoek hem de inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de juiste vaststelling van de belastingschuld.

(…)

-67. Aangezien in een dergelijk geval, waarin geen aanknopingspunten voor het instellen van een onderzoek voorhanden zijn, geen gebruik kan worden gemaakt van een regeling voor uitwisseling van inlichtingen, moet de toekenning aan de belastingautoriteiten van een lidstaat van een langere termijn voor de vaststelling van de belasting wanneer belastbare bestanddelen in een andere lidstaat zijn ondergebracht, worden beschouwd als een middel dat niet ertoe strekt deze autoriteiten de noodzakelijke tijd te gunnen om van deze andere lidstaat inlichtingen over de aldaar ondergebrachte belastbare bestanddelen te verkrijgen, doch dat enkel voorziet in een langere termijn waarbinnen bij een eventuele ontdekking van deze belastbare bestanddelen nog een navorderingsaanslag kan worden opgelegd voor zover het onderzoek dat na deze ontdekking is ingesteld, tot deze navorderingsaanslag kan leiden vóór het verstrijken van deze termijn.

-68. Aangezien toepassing door een lidstaat van een verlengde navorderingstermijn voor in een andere lidstaat ondergebrachte belastbare bestanddelen waarover de belastingautoriteiten van eerstgenoemde lidstaat geen aanwijzingen hebben, niet afhangt van de mogelijkheid voor deze autoriteiten om inlichtingen te krijgen van deze andere lidstaat, is de vraag of laatstgenoemde lidstaat het bankgeheim kent, bovendien evenmin relevant.

-69. Aangaande het argument dat de navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR willekeurig zou zijn vastgesteld op twaalf jaar, dient te worden vastgesteld dat, voor zover deze termijn wordt verlengd bij verzwijging van belastbare bestanddelen voor de fiscus, de keuze van een lidstaat om deze termijn in de tijd te beperken en deze beperking te koppelen aan de termijn voor het instellen van een strafvervolging voor het misdrijf van belastingfraude niet onevenredig lijkt.

-70. In deze omstandigheden reikt toepassing van een verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar op voor de fiscus verzwegen belastbare bestanddelen niet verder dan noodzakelijk is om de doeltreffendheid van fiscale controles te waarborgen en om belastingfraude te bestrijden.

-71. Aan een lidstaat die een verlengde navorderingstermijn toepast in geval van in een andere lidstaat aangehouden belastbare bestanddelen waarvan de belastingautoriteiten van eerstgenoemde lidstaat geen kennis hadden, kan niet worden tegengeworpen dat bij ontdekking van belastbare bestanddelen die eveneens voor de fiscus zijn verzwegen, doch in diezelfde lidstaat zijn aangehouden, de termijn van vijf jaar waarbinnen deze autoriteiten een navorderingsaanslag kunnen vaststellen, niet kan worden verlengd.

-72. Ook al is een belastingplichtige voor zowel zijn binnenlandse als zijn buitenlandse tegoeden en inkomsten jegens de belastingautoriteiten tot dezelfde aangifteplicht gehouden, het risico dat voor de belastingautoriteiten van zijn woonstaat verzwegen tegoeden en inkomsten aan het licht komen, is bij tegoeden en inkomsten waarvoor geen regeling voor automatische uitwisseling van gegevens geldt, immers kleiner voor tegoeden en inkomsten uit een andere lidstaat dan voor binnenlandse tegoeden en inkomsten.

-73. Voor zover een lidstaat voor belastbare bestanddelen waarvan de belastingautoriteiten geen kennis hebben, voorziet in een langere navorderingstermijn, kan hem bijgevolg niet worden verweten dat hij de werkingssfeer van deze termijn beperkt tot belastbare bestanddelen die niet op zijn grondgebied zijn ondergebracht.

-74. Het tweede geval betreft de situatie waarin de belastingautoriteiten van een lidstaat wel beschikken over aanwijzingen over in een andere lidstaat ondergebrachte belastbare bestanddelen op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen. (…)”

4.9.

Tussen partijen is terecht, gelet op het arrest Passenheim, punten 29-40, niet in geschil dat de omstandigheid dat de inspecteur over vermogen aangehouden in het buitenland langer de bevoegdheid tot navorderen heeft dan de vijf jaar voor binnenlands vermogen, een in beginsel verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer is.

4.10.

De inspecteur heeft in zijn verweerschrift in verband met belanghebbendes beroep op het Unierecht gewezen op het arrest Passenheim en heeft aangevoerd dat aan de zogenoemde voortvarendheidseis wordt voldaan.

Het arrest Passenheim acht de rechtbank echter niet zonder meer richtinggevend voor de ‘onbeperkte navorderingstermijn’, want het arrest zag op de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar. Uit het arrest Passenheim, punten 47-52, kan wel worden afgeleid dat ook voor de ‘onbeperkte navorderingstermijn’ geldt dat het evenredigheidsbeginsel in elk geval in zoverre wordt geëerbiedigd dat de regeling geschikt is om het ermee nagestreefde doel te verwezenlijken, te weten de doeltreffendheid van de fiscale controles te waarborgen en belastingfraude te bestrijden. Of de ‘onbeperkte navorderingstermijn’ ook het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt op het punt dat de regeling niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken (hierna: de proportionaliteitseis), volgt echter niet zonder meer uit het arrest Passenheim.

4.11.

Gelet op punt 62 van het arrest Passenheim moeten voor de beoordeling of aan de proportionaliteitseis wordt voldaan, twee situaties worden onderscheiden. De zogenoemde voortvarendheidseis is afgeleid uit wat het HvJ voor de tweede door het HvJ onderscheiden situatie heeft overwogen (punt 74 e.v.).

Voor de ‘onbeperkte navorderingstermijn’ zal echter eerst opnieuw moeten worden beoordeeld of aan de proportionaliteitseis wordt voldaan voor de eerste door het HvJ onderscheiden situatie. De in punten 70 en 73 van het arrest Passenheim gegeven oordelen van het HvJ daarover zijn niet zonder meer maatgevend omdat deze immers gegeven zijn voor de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar. Van belang in dat verband is dat het HvJ, in het kader van de beoordeling of een beperking van een verkeersvrijheid gerechtvaardigd is, bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel er acht op slaat of de vereisten van rechtszekerheid worden geëerbiedigd (vgl. HvJ, 5 juli 2012, C-318/10, SIAT, punten 57-59). De vraag is hoe een onbeperkte navorderingstermijn zich verhoudt tot het rechtszekerheidsbeginsel, omdat een vervaltermijn de rechtszekerheid dient. Dit laatste komt ook tot uitdrukking in jurisprudentie van het HvJ (vgl. met betrekking tot rechtsmiddelentermijnen HvJ 20 december 2017, C 500/16, Caterpillar Financial Services, punt 42 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie, alsmede HvJ 11 april 2018, C 532/16, SEB bankas AB, punten 51-52 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie).

4.12.

De hiervoor opgeworpen vraag of de nieuwe ‘onbeperkte navorderingstermijn’ aan de proportionaliteitstoets voldoet, hoeft in deze zaak echter geen beantwoording. Het gaat hier namelijk om een overgangssituatie. Daarbij is bijzonder, en complicerend, dat ten tijde van de belastbare feiten (in 2000 en 2002) de oude navorderingstermijn – de twaalfjaarstermijn – nog van toepassing was, maar dat uiteindelijk nagevorderd wordt op basis van de nieuwe ‘onbeperkte navorderingstermijn’.

4.13.

Naar het oordeel van de rechtbank moet, in deze overgangssituatie, in het kader van de vraag of sprake is van een verboden beperking van het kapitaalverkeer, in de eerste plaats worden getoetst naar het moment waarop de belastbare feiten zich hebben voorgedaan. Dit ligt voor de hand omdat de vermogenssamenstelling op die momenten immers maakt dat – naar nationaal recht – nagevorderd kan worden met toepassing van een verlengde navorderingstermijn. Het is ook de omstandigheid dat het vermogen deels in het buitenland was ondergebracht, die maakt dat sprake is van grensoverschrijdend kapitaalverkeer en dat een beroep op de verdragsvrijheden kan worden gedaan. Toetsing in het kader van voormelde vraag naar het moment waarop nagevorderd wordt, ligt daarentegen niet voor de hand. Op dat moment hoeft er niet eens meer sprake te zijn van grensoverschrijdend kapitaalverkeer.

Op het moment waarop de belastbare feiten zich hebben voorgedaan (2000 en 2002) was de twaalfjaarstermijn nog van toepassing. Ter zake van (de toepassing van) die termijn heeft het HvJ in het arrest Passenheim geoordeeld dat deze het voor belastingplichtigen met een woonplaats in Nederland minder aantrekkelijk kan maken om tegoeden naar een andere lidstaat over te brengen. Navordering met toepassing van die twaalfjaarstermijn was evenwel – kort gezegd – niet onverenigbaar met de verkeersvrijheden, mits aan de voortvarendheidseis werd voldaan (vgl. naast het arrest Passenheim ook HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092, BNB 2010/199). Die voortvarendheidseis speelt in deze procedure geen rol: belanghebbende heeft ter zitting verklaard de stelling dat onvoldoende voortvarend is gehandeld te laten vallen.

4.14.

Omstandigheden die plaatsvinden ná het toetsmoment van het grensoverschrijdend kapitaalverkeer, kunnen (chrono)logischerwijs het grensoverschrijdend kapitaalverkeer op dat eerdere toetsmoment niet (verder) beperken. Dat geldt ook voor de verlenging van de navorderingstermijn tot een onbeperkte navorderingstermijn per 1 januari 2012. Toetsing van de onbeperkte navorderingstermijn aan de verkeersvrijheden is daarom in dat opzicht niet aan de orde in deze zaak.

Het van toepassing worden van de onbeperkte navorderingstermijn kan echter wel worden getoetst aan het rechtszekerheidsbeginsel. Het rechtszekerheidsbeginsel is immers een algemeen beginsel van het Unierecht (bijv. HvJ 26 april 2005, C‑376/02, Stichting Goed Wonen, punt 41-42). Belanghebbende kan ook een beroep doen op dit beginsel. Weliswaar is de Successiewet als zodanig geen regeling die uitvoering geeft aan het Unierecht, maar nu sprake is van (een beperking van het) grensoverschrijdend kapitaalverkeer en het Unierecht daarom van toepassing is, vindt het beginsel toepassing (vgl. HvJ 26 februari 2013, C-617/10, Hans Åkerberg Fransson, punt 21 en HvJ 30 april 2014, C-390/12, Pfleger, punten 35-36).

4.15.

De eerste vraag is of de omstandigheid dat de navorderingstermijn is verlengd bij gevallen zoals belanghebbende waarbij de navorderingstermijn reeds liep maar nog niet geëindigd was op het moment van de verlenging, in strijd is met het unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel of legaliteitsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Het rechtszekerheidsbeginsel brengt wel mee dat in de regel een verlenging van een verjaringstermijn niet tot gevolg mag hebben dat een bevoegdheid herleeft met betrekking tot de reeds verjaarde gevallen (vgl. HvJ 29 januari 2009, C-278/07, C-279/07 en C-280/07, Vosding e.a., punt 30), maar gaat niet zover dat de oude verjaringstermijn van toepassing dient te blijven ter zake van de gevallen waarin de verjaringstermijn nog liep. Steun hiervoor is – a fortiori – te vinden in de rechtspraak betreffende de verlenging van de verjaringstermijnen in het strafrecht. De onmiddellijke werking van een verlenging van een verjaringstermijn is niet in strijd met het legaliteitsbeginsel zoals vervat in artikel 7 EVRM (bijv. HvJ 8 september 2015, C-105/14, Taricco, punt 57).

4.16.

De tweede vraag is of in belanghebbendes geval het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden doordat bij haar is nagevorderd met toepassing van de onbeperkte navorderingstermijn. Ook deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend op basis van een toets in concreto. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de termijn waarbinnen navordering plaatsvindt niet veel langer is dan twaalf jaar, namelijk zo’n 15½ respectievelijk 13½ jaar. Bovendien had de eerste stap in het proces van vrijwillige verbetering al plaatsgevonden in januari 2014, dus binnen ongeveer 13 jaar respectievelijk 11 jaar. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de navordering met toepassing van een langere termijn dan twaalf jaar niet het verdedigingsbelang van belanghebbende wezenlijk heeft geschaad. Over de relevante feiten – de grootte van het buitenlandse vermogen – bestaat overeenstemming tussen partijen.

4.17.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het Unierecht niet geschonden is.

4.18.

De rechtbank merkt nog wel het volgende op. De rechtbank heeft zich afgevraagd of aanleiding bestaat om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen (artikel 27ga e.v. van de AWR). Over de hier aan de orde zijnde kwestie heeft de Hoge Raad immers nog niet beslist. De inspecteur heeft bovendien ter zitting aangegeven geen uitspraak te durven doen over de aan hem voorgelegde vraag of de unierechtelijke houdbaarheid van de onbeperkte navorderingstermijn een ‘acte clair’ is. Ook heeft de rechtbank onderkend dat rechtbank Gelderland (30 januari 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:376) tot hetzelfde oordeel is gekomen (geen schending van het Unierecht) maar deels op andere gronden. Op de zitting bleek evenwel dat onduidelijk is hoeveel bezwaar- en beroepsprocedures aanhangig zijn waarin dezelfde problematiek als hier speelt. Verder hebben partijen niet verzocht om prejudiciële vragen voor te leggen en bleek op de zitting dat partijen sprongcassatie als mogelijke vervolgfase zien. Mede om deze redenen zijn geen prejudiciële vragen voorgelegd. Vanwege de betrekkelijke nieuwheid van het instrument prejudiciële vraag in fiscale procedures, ziet de rechtbank aanleiding om deze afweging kenbaar te maken (vgl. Rechtbank Gelderland 25 september 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4902).

Artikel 1 EP EVRM

4.19.

Ook van strijd met artikel 1 EP EVRM is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Uit vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat belastingheffing is te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 EP EVRM. Inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom van een natuurlijk persoon of rechtspersoon is alleen dan gerechtvaardigd indien de inbreuk in overeenstemming is met het nationale recht (“lawful”), de inbreuk een legitiem doel (“legitimate aim”) in het algemeen belang dient en er een redelijke mate van evenredigheid is tussen de gebruikte middelen en het doel dat wordt nagestreefd. Dit laatste vereist het bestaan van een redelijke verhouding (“fair balance”) tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe (vgl. Hoge Raad 3 april 2009, ECLI: NL:HR:2009:BC2816).

4.20.

Vooropgesteld moet worden dat niet in geschil is dat de hoogte van de navorderingsaanslagen in overeenstemming is met de SW. Belanghebbende stelt ook niet dat de hoogte van de belastingheffing strijd met het artikel 1 EP EVRM oplevert. Kern van het betoog van belanghebbende is dat navordering n á het einde van de oorspronkelijke – ten tijde van de belastbare feiten geldende – twaalfjaarstermijn in strijd is met artikel 1 EP EVRM gelet op de rechtszekerheid. De rechtbank verwerpt dit betoog. De wetgever heeft ervoor gekozen om niet in overgangsrecht te voorzien bij de invoering van de ‘onbeperkte navorderingstermijn’, als gevolg waarvan deze termijn ook van toepassing is op gevallen zoals die van belanghebbende waarin de navorderingstermijn reeds liep maar nog niet geëindigd was op het moment van de inwerkingtreding van de wetswijziging (zie 4.6). Dat voor dergelijke gevallen niet in overgangsrecht is voorzien, komt niet in strijd met de rechtszekerheid die door het EVRM wordt gewaarborgd (vgl. EHRM 21 juni 2005, nrs. 32492/96 e.v., Coëme). Verder dient de keuze van de wetgever om de navorderingstermijn niet langer te beperken tot twaalf jaar om het ontgaan van belasting tegen te gaan een legitiem doel in het algemeen belang, gelet op de aan de wetgever toekomende (ruime) beoordelingsruimte. Niet gezegd kan worden dat dat in dit concrete geval heeft geleid tot een schending van de “fair balance”, gelet op wat in 4.16 is overwogen.

ABBB

4.21.

Belanghebbende heeft gesteld dat de door de inspecteur verdedigde navorderingsbevoegdheid zich niet verhoudt tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Steun hiervoor meent belanghebbende te vinden in een door belanghebbende aangehaald onderdeel van een memo "Aandachtspunten projecten vermogen in het Buitenland". De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar stelling reeds omdat de interpretatie van belanghebbende berust op een onjuiste lezing van het memo.

Conclusie

4.22.

Voor het zich hier voordoende geval dat de inspecteur bevoegd is tot navordering, is de hoogte van de navorderingaanslagen niet in geschil. Gelet op het voorgaande moeten de beroepen daarom ongegrond worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- gelast de griffier het teveel geheven griffierecht in de zaken 16/9025 en 16/9027 van € 46 per zaak aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 18 mei 2018 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, mr. W.A.P. van Roij en mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR ).

Rechtsmiddel

Hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Sprongcassatie

Tegen deze uitspraak kan belanghebbende onder de voorwaarde van schriftelijke instemming van de staatssecretaris van Financiën binnen zes weken na de verzenddatum beroep in sprongcassatie (ingevolge artikel 28, derde lid, van de AWR) instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage.

Daarbij dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

de naam en het adres van de indiener;

een dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in sprongcassatie is ingesteld;

e gronden van het beroep in sprongcassatie.

Ook voor het instellen van beroep in sprongcassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in sprongcassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het sprongcassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Let op: de Hoge Raad beoordeelt alleen of rechtsregels goed zijn uitgelegd en toegepast en of procedurevoorschriften zijn nageleefd. De Hoge Raad gaat uit van de feiten zoals die door de eerdere rechter zijn vastgesteld; hij stelt deze dus niet opnieuw vast. Wanneer een zaak zich niet leent voor cassatie kan de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaren of verwerpen zonder die beslissing te motiveren. Nadere informatie over het beroep in cassatie vindt u op de website van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature