< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal steekincidenten. De rechtbank zal, nu de strafbare feiten wegens een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, niet aan verdachte kunnen worden toegerekend, de verdachte gevaarlijk is voor anderen en hij een gevaar oplevert voor de algemene veiligheid van personen en goederen, plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis gelasten.

Uitspraak



RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940303-11

Uitspraak d.d.: 10 januari 2012

tegenspraak / dip / oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te Afghanistan op [datum] 1984,

wonende te [plaats]

thans gedetineerd in het PPC te Zwolle.

Raadsman: mr. I. Vreeken, advocaat te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

8 november 2011 en 27 december 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 juli 2011 te Winterswijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd naar die slapende, althans op zijn bed liggende [slachtoffer 1] is gelopen en/of (nadat deze [slachtoffer 1] was ontwaakt) met een mes, althans een scherp voorwerp één of meer stekende bewegingen in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 28 juli 2011 te Winterswijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd naar die slapende, althans op zijn bed liggende [slachtoffer 1] is gelopen en/of (nadat deze [slachtoffer 1] was ontwaakt) met een mes, althans een scherp voorwerp één of meer stekende bewegingen in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt en/of daarbij die [slachtoffer 1] in zijn be(e)n(en) heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 28 juli 2011 te Winterswijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, althans een scherp voorwerp een of meer stekende bewegingen in de richting van de buik, althans in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] heft gemaakt, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 28 juli 2011 te Winterswijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans een scherp voorwerp één of meer stekende bewegingen in de ricting van het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 28 juli 2011 te Winterswijk [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend duidelijk zichtbaar een mes (althans een scherp voorwerp) voor en/of met de punt gericht op die [slachtoffer 3] heeft vastgehouden;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding voor het onderzoek

Op 28 juli 2011 omstreeks 01.49 uur hebben de verbalisanten een melding gekregen om te gaan naar het asielzoekerscentrum in Winterswijk in verband met een steekincident dat daar had plaatsgevonden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft tot vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde geconcludeerd en tot bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen uitvoerig toegelicht en opgesomd.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

Namens verdachte is eveneens vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde bepleit, nu nergens uit blijkt dat verdachte een mes voor [slachtoffer 3] heeft vastgehouden en/of een mes met de punt gericht op [slachtoffer 3] heeft vastgehouden. Het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde kan bewezen worden verklaard. Het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde kan niet worden bewezen, omdat nergens uit blijkt dat verdachte opzet had op het doden van de in de ten laste legging genoemde slachtoffers.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard2 dat hij in zijn bed in de slaapkamer lag te slapen op 28 juli 2011 omstreeks 01.46 uur in Winterswijk. Op een gegeven moment is hij wakker geschrokken. Zijn slaapkamer was niet afgesloten en hij heeft gezien dat er een man in zijn slaapkamer stond. Hij heeft deze man herkend als de hem bekende "[verdachte]". Hij heeft gehoord dat [verdachte] een aantal woorden heeft gesproken die hij niet kon verstaan en vervolgens heeft [verdachte] gelijk een aantal "stekende" bewegingen in de richting van hem gemaakt. [verdachte] stond op dat moment gelijk naast zijn bed. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij toen nog altijd op zijn rug in bed lag. Hij heeft niet gezien of [verdachte] een voorwerp in zijn handen had. Hij heeft de steekbewegingen van [verdachte] kunnen afweren door zijn benen op te trekken. Het is hem vervolgens gelukt om op te staan en [verdachte] de kamer uit te duwen. [verdachte] heeft vervolgens nog korte tijd op de deur geslagen en geroepen dat hij naar binnen wilde. [slachtoffer 1] heeft vervolgens een pijnscheut in zijn linkerbeen gevoeld. Hij heeft gezien dat hij een steekwond ter grootte van zo'n 1,5 cm had. Hij zag dat de wond behoorlijk bloedde. Hij heeft daarnaast gezien dat hij nog een snede in zijn linkerbeen had. Ook aan zijn rechterbeen had [slachtoffer 1] een kras. De steekwond is door de huisarts gehecht.

In het dossier bevindt zich een drietal foto's van de verwondingen aan het been van [slachtoffer 1]3. De verbalisanten die kort na het incident aanwezig waren in het [centrum] in Winterswijk hebben gezien4 dat het linkerbeen van [slachtoffer 1] voorzien was van verband en dat dit verband inmiddels met bloed was doordrenkt. De verbalisanten zijn met [slachtoffer 1] naar de huisartsenpost in Winterswijk gereden. De dokter heeft een steekwond van 1,5 cm diep geconstateerd welke hij heeft gehecht met twee hechtingen. Daarnaast hebben verbalisanten verklaard dat zowel op het linker als het rechterbeen van [slachtoffer 1] nog twee lichte snijplekken zichtbaar waren.

Ook [slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan tegen verdachte. [slachtoffer 2] heeft verklaard5 dat op 28 juli 2011 na 0.00 uur door [verdachte] is geprobeerd hem te steken. [verdachte] en [slachtoffer 2] wonen beiden in het [centrum] in Winterswijk, maar ieder in een ander gebouw. [slachtoffer 2] heeft voor [verdachte] de deur opengedaan en zij zijn naar de gemeenschappelijke woonkamer gelopen. [verdachte] heeft aan [slachtoffer 2] gevraagd waar die jongen met die bril was. [slachtoffer 2] heeft [verdachte] verteld dat hij dat niet wist en hij heeft hem gevraagd waarom hij dat wilde weten. Opeens heeft hij gezien dat [verdachte] een mes in zijn rechterhand had en hem daarmee heeft gestoken. [verdachte] heeft aangever in de buikstreek gestoken. [verdachte] heeft [slachtoffer 2] niet geraakt, maar het mes heeft [slachtoffer 2] geschampt. [slachtoffer 2] heeft het mes van [verdachte] niet goed kunnen zien, het was een beetje donker.

[slachtoffer 3] heeft tot slot ook aangifte gedaan tegen verdachte. [slachtoffer 3] heeft verklaard6 dat hij zich op 28 juli 2011 in de woonkamer van het asielzoekerscentrum in Winterswijk heeft bevonden. Opeens is er een voor hem onbekende man de kamer binnengekomen. Hij heeft gezien dat deze man de kamer is rondgelopen met zijn handen in zijn zakken. Ineens heeft deze man een gebaar gemaakt naar [slachtoffer 3], die zag dat de man met zijn handen de vorm van een bril nadeed en deze voor zijn gezicht hield. [slachtoffer 3] heeft gezien en gehoord dat [slachtoffer 2] ([slachtoffer 2]) aan die man heeft gevraagd "Wat moet je met die man met de bril?". [slachtoffer 3] heeft gezien dat de man de kamer uit is gelopen en dat [slachtoffer 2] achter hem aan is gelopen. Toen ze uit het zicht van [slachtoffer 3] waren, heeft hij een hoop kabaal en geschreeuw gehoord. In de hal heeft hij niets gezien, toen heeft hij gehoord dat er geschreeuw uit de kamer van [slachtoffer 1] ([slachtoffer 1]) en [slachtoffer 3] is gekomen. Hij heeft gezien dat de voor hem onbekende man naast het bed van [slachtoffer 1] stond. Hij heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de onbekende man in zijn hand een voorwerp heeft vastgehouden. Dit leek op een mes. [slachtoffer 3] heeft nog net het zilverkleurige metaal uit de vuist van de man zien komen. Hij heeft gezien dat de voor hem onbekende man hakkende bewegingen heeft gemaakt naar het lichaam van [slachtoffer 1]. Hij heeft gezien dat [slachtoffer 1] zich met handen en voeten heeft liggen verdedigen. Hij heeft [slachtoffer 1] horen schreeuwen. Hij heeft niet kunnen zien of [slachtoffer 1] is geraakt door het mes. [slachtoffer 3] heeft geschreeuwd naar de man. Hij heeft gezien dat de man is opgehouden met steken en zich heeft omgedraaid naar [slachtoffer 3]. Hij heeft gezien dat de voor hem onbekende man een paar stappen in zijn richting heeft gedaan. Hij heeft niet gezien of deze man met het mes in zijn richting heeft gewezen. Hij heeft ook niet gehoord of de man nog iets tegen hem heeft gezegd of geschreeuwd. [slachtoffer 3] was heel bang en is direct weggerend. Hij heeft niet omgekeken, dus hij heeft niet gezien of de man achter hem aan is gelopen of gerend. Hij is de woonkamer ingevlucht en hij heeft de deur achter zich op slot gedaan.

Bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard7 dat hij de mensen niet heeft willen vermoorden, maar dat hij gewoon ruzie heeft gemaakt. Hij heeft verklaard dat zij fysiek sterker waren dan hij en dat hij dan ook geen andere keus had. Zij waren met zijn drieën en hebben hem van van alles beschuldigd. Het is onjuist dat er iemand op bed lag. Verdachte heeft erkend dat hij heeft gestoken, maar dit was omdat hij zich moest verdedigen omdat zij met zijn drieën waren.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij door één van de drie mannen is uitgedaagd om naar de slaapkamer te komen. De drie mannen hadden hem beledigd. Hij heeft vervolgens een mes gepakt en is mee naar de slaapkamer gegaan. Hij is door [slachtoffer 1] geschopt en aangevallen. Zij waren met z'n drieën en zij wilden ruzie maken met verdachte, vervolgens heeft hij een mes gepakt. Verdachte weet niet waar hij met het mes heeft gestoken. Hij heeft ter terechtzitting erkend dat hij [slachtoffer 1] heeft gestoken.

Na de aanhouding en fouillering van verdachte in zijn woning, heeft een verbalisant onder het bed waarop verdachte zich ten tijde van de aanhouding heeft bevonden een zwartkleurig mes aangetroffen8, dat in beslag is genomen. Uit onderzoek blijkt dat dit een vleesmes (keukenmes) is geweest9. Ter terechtzitting heeft verdachte desgevraagd verklaard dat dat het mes is waarmee hij heeft gestoken.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank acht, evenals de officier van justitie en de raadsman, onvoldoende bewezen dat verdachte opzet heeft gehad om [slachtoffer 1] van het leven te beroven, zodat het primair ten laste gelegde niet bewezen kan worden. Wel heeft verdachte opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1]. Door met een mes op het lichaam van een liggende persoon in te steken, kan het niet anders zijn dat verdachte het opzet had, minstgenomen in voorwaardelijke zin, om te proberen aangever zwaar lichamelijk te verwonden. Dat dit ook met voorbedachten rade moet zijn geweest, leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat verdachte voorafgaand aan het gaan naar en betreden van de kamer van de aangever een mes bij zich had gestoken. Daaruit kan de mogelijkheid van een moment van bedaard nadenken voorafgaand aan de uitvoering worden afgeleid. De stelling van de raadsman dat de voorbedachten raad niet valt te rijmen met verdachtes' (na te melden) ontoerekeningsvatbaarheid, vindt geen steun in de heersende jurisprudentie op dit punt.

Aan de lezing van verdachte, die hij eerst ter terechtzitting heeft gegeven, dat hij - kort gezegd - is uitgedaagd om naar de kamer van aangever te komen, en dat hij een mes bij zich had gestoken (uit voorzorg, begrijpt de rechtbank), gaat de rechtbank voorbij. Die lezing vindt geen enkele steun in de overige verklaringen. De rechtbank houdt het er voor dat verdachte, zonder enige redelijke aanleiding, een mes bij zich heeft gestoken, naar de kamer van aangever is gegaan, waarna dit feit heeft plaatsgevonden en kort daarvoor ook feit 2.

Voor zover de verdachte zelf een noodweer verweer heeft willen voeren, wordt dit verworpen nu geenszins aannemelijk is geworden dat verdachte zich heeft moeten verdedigen tegen een aanranding van hem door (een van) de drie aangevers.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat het onder 2 subsidiair ten laste gelegde eveneens wettig en overtuigend bewezen kan worden op basis van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen.

[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan van het ten laste gelegde feit. Verdachte heeft bij de rechter-commissaris in algemene termen verklaard dat hij zich heeft moeten verdedigen tegenover drie mannen. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte aan [slachtoffer 2] heeft gevraagd waar [slachtoffer 1] was, dat verdachte vervolgens uit de kamer is gelopen en dat [slachtoffer 1] erachter aan is gelopen. Vervolgens heeft [slachtoffer 2] een hoop kabaal en geschreeuw uit de kamer gehoord.

Dat alles bij elkaar nemende is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat verdachte een stekende beweging in de richting van [slachtoffer 2] heeft gemaakt. De rechtbank acht, evenals de officier van justitie en de raadsman, onvoldoende bewezen dat verdachte opzet heeft gehad om [slachtoffer 2] van het leven te beroven, zodat het primair ten laste gelegde niet bewezen kan worden. Wel heeft verdachte opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door een stekende beweging te maken in de richting van het lichaam van [slachtoffer 2]. Door met een mes richting een persoon uit te halen, kan het niet anders zijn dat verdachte het opzet had, minstgenomen in voorwaardelijke zin, om te proberen aangever zwaar lichamelijk te verwonden.

Voor zover de verdachte zelf een noodweer verweer heeft willen voeren, wordt dit verworpen nu geenszins aannemelijk is geworden dat verdachte zich heeft moeten verdedigen tegen een aanranding van hem door (een van) de drie aangevers.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

De rechtbank zal verdachte van het onder 3 ten laste gelegde vrijspreken. Uit de diverse verklaringen blijkt niet dat verdachte [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door - zoals de tenlastelegging luidt - dreigend duidelijk zichtbaar een mes (althans een scherp voorwerp) voor en/of met de punt gericht op die [slachtoffer 3] heeft vastgehouden. [slachtoffer 3] heeft gezien dat verdachte zich, nadat hij was gestopt met het maken van stekende bewegingen richting [slachtoffer 1], heeft omgedraaid maar niet of verdachte met een mes in zijn richting heeft gewezen. Nu er verder ook geen bewijs is voor hetgeen ten laste is gelegd, zal verdachte voor dit feit dienen te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1 subsidiair:

hij op 28 juli 2011 te Winterswijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd naar die slapende, althans op zijn bed liggende [slachtoffer 1] is gelopen en (nadat deze [slachtoffer 1] was ontwaakt) met een mes, stekende bewegingen in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt en daarbij die [slachtoffer 1] in zijn benen heeft gestoken en gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 subsidiar:

hij op 28 juli 2011 te Winterswijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, één stekende beweging in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

feit 1 subsidiair:

Poging tot zware mishandeling, gepleegd met voorbedachten rade.

feit 2 subsidiair:

Poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Omtrent de persoon van verdachte is psychologisch10 en psychiatrisch11 onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in de rapporten van H.E.M. van Beek (psychiater) van 31 oktober 2011 en B. van Giessen (psycholoog) van 12 oktober 2011.

Van Beek heeft aangegeven dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van een psychotische stoornis Niet Anderszins Omschreven en een depressieve stoornis Niet Anderszins Omschreven, die onder invloed van de huidige medicatie (antipsychotica) gedeeltelijk in remissie is. Er zijn bij verdachte geen aanwijzingen gevonden voor een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis. Als gevolg van zijn psychotische belevingen heeft verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde zijn wil en gedrag niet in vrijheid kunnen bepalen. Van Beek adviseert om verdachte voor het hem ten laste gelegde voor zover dat zij bewezen, ontoerekeningsvatbaar te achten.

Van Giessen heeft eveneens aangegeven dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een psychotische stoornis nao en een depressieve stoornis nao, die thans onder de gunstige invloed van antipsychotica zijn verbleekt. Differentiaal-diagnostisch zou mogelijk sprake kunnen zijn van een ernstige depressieve stoornis met psychotische kenmerken. Er zijn geen aanwijzingen dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens of van verslavingsproblematiek. Naar het oordeel van Van Giessen is sprake van een monocausaal verband tussen de psychotische stoornis en het ten laste gelegde, namelijk dat verdachte volledig geleid werd door wanen en hallucinaties. Verdachte was niet in staat om zijn wil in vrijheid te bepalen en de ten laste gelegde feiten zijn voortgekomen uit de gediagnosticeerde psychotische stoornis. Van Giessen geeft de rechtbank in overweging om verdachte te beschouwen als zijnde ontoerekeningsvatbaar.

Ook de reclassering12 sluit zich aan bij het advies van Van Beek en Van Giessen die beiden oordelen dat het wenselijk is verdachte op te laten nemen in een psychiatrisch ziekenhuis krachtens artikel 37 Sr . Binnen een dergelijke psychiatrische opname kan verdachte adequaat worden ingesteld op medicatie. Eveneens kan onderzocht worden welke hulp en begeleiding hij nodig heeft om, indien van toepassing, te integreren in de Nederlandse samenleving.

Met de conclusies en het advies in deze rapporten kan de rechtbank zich verenigen en zij neemt deze over. Verdachte is dan ook niet strafbaar.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en dat aan hem de maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden opgelegd voor de duur van één jaar.

De raadsman heeft zich op hetzelfde standpunt gesteld als de officier van justitie. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven mee te willen werken aan een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, maar een opname van één jaar vindt hij te lang.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal steekincidenten in een [centrum].

Door met een mes op een op zijn bed liggende, half slapende man in te steken, heeft hij hem aanzienlijke angst en schrik aangejaagd. Wonder boven wonder is het bij relatief beperkt letsel gebleven. Dat is geenszins aan verdachte te danken, doch slechts omdat de man bijtijds wakker is geworden en zich met zijn benen heeft weten te verweren.

Verdachte heeft voorts met hetzelfde mes richting de buik van een andere man gestoken.

Psychiater Van Beek13 heeft aangegeven dat een klinisch-psychiatrische behandeling nodig in een psychiatrisch ziekenhuis om de kans op recidive te verkleinen. Tijdens deze behandeling zal verdachte verder worden ingesteld op de juiste medicatie. Tevens kan bezien worden welk resocialisatietraject bij verdachte van toepassing is, een en ander afhankelijk van of verdachte in Nederland mag verblijven of niet. Geadviseerd wordt door de psychiater om bovengenoemde klinische-psychiatrische behandeling te laten plaatsvinden in het kader van artikel 37/39 Wetboek van Strafrecht. De verwachting is dat deze behandeling binnen het jaar kan worden afgerond.

Klinisch psycholoog Van Giessen geeft14 aan dat verdachte thans wordt behandeld met antipsychotica, waardoor de psychotische stoornis is verbleekt. Met deze medicamenteuze behandeling is de kans op recidive zeer sterk afgenomen. Anderzijds moet ook worden gesteld dat verdachte nog betrekkelijk weinig zicht heeft op de aard en ernst van de stoornis. Dit is gezien zijn achtergrond niet verwonderlijk. Hij geeft zelf een uitleg aan zijn psychose, maar enige kennis van en inzicht in de achtergrond van de stoornis heeft hij niet. Verder is thans niet duidelijk hoe lang verdachte antipsychotica zal moeten blijven gebruiken. Om de kans op recidive op (feitelijk het huidige) aanvaardbaar niveau te houden, is een psychiatrische behandeling vooralsnog noodzakelijk. Geadviseerd wordt om verdachte te doen laten opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis krachtens artikel 37 Sr . Binnen een dergelijke psychiatrische opname kan bezien worden of de medicatie kan worden afgebouwd, dan wel dat een onderhoudsdosering antipsychotica nodig blijft. Tevens kan bezien worden welke hulp en begeleiding hij nodig heeft om, indien van toepassing, een plaats in de Nederlandse samenleving te verwerven.

Ten aanzien van het recidiverisico concludeert de reclassering dat de kans op recidive aanwezig is en gereduceerd kan worden indien verdachte behandeld wordt en medicatie inneemt.

Uit bovenstaande rapporten blijkt dat het recidiverisico groot is. Aangewezen lijkt om verdachte in het kader van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis.

De rechtbank zal, nu de strafbare feiten wegens een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, niet aan verdachte kunnen worden toegerekend, de verdachte gevaarlijk is voor anderen en hij een gevaar oplevert voor de algemene veiligheid van personen en goederen, plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 37, 45, 57, 302 en 303 van het Wetboek van Strafrecht .

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

feit 1 subsidiair:

Poging tot zware mishandeling, gepleegd met voorbedachten rade.

feit 2 subsidiair:

Poging tot zware mishandeling.

* verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

* gelast dat verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van één jaar.

Aldus gewezen door mrs. Ouweneel, voorzitter, De Jong en Prisse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Oosting, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 januari 2012.

Voetnoot:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0640 2011104120-21, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Achterhoek, gesloten en ondertekend op 4 oktober 2011.

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1], p. 31-33

3 Pagina's 35-37

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 27-28

5 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2], p. 67-68

6 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3], p. 62-63

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (op de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling en op de vordering tot inbewaringstelling) d.d. 29 juli 2011

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 28

9 Proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 39

10 Psychiatrisch onderzoek Pro Justitia, H.E.M. van Beek (psychiater) d.d. 31 oktober 2011

11 Psychologisch onderzoek Pro Justitia, B. van Giessen (klinisch psycholoog) d.d. 12 oktober 2011

12 Reclasseringsadvies d.d. 2 november 2011

13 Psychiatrisch onderzoek Pro Justitia, H.E.M. van Beek (psychiater) d.d. 31 oktober 2011

14 Psychologisch onderzoek Pro Justitia, B. van Giessen (klinisch psycholoog) d.d. 12 oktober 2011


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature