< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Een man uit Deventer heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag. Witwassen vormt een ernstige bedreiging voor de maatschappij, omdat de integriteit van het financiële en economische verkeer wordt aangetast en het plegen van misdrijven erdoor wordt begunstigd.

Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid softdrugs. Softdrugs zijn stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Dit is de reden dat de verstrekking van softdrugs aan banden is gelegd. Door de handelwijze van verdachte wordt dit restrictieve beleid doorkruist.

Daarnaast heeft de man een vuurwapen en munitie voorhanden gehad waarvan het bezit verboden is, omdat de veiligheid van personen hierdoor ernstig in gevaar kan worden gebracht.

De rechtbank Zwolle-Lelystad veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 18 maanden.

Uitspraak



RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.663363-10 (P)

Uitspraak: 14 december 2012

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1977 te [geboorteplaats] ,wonende te [adres 1] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2011, 12 april 2011, 18 oktober 2012, 13 november 2012, 30 november 2012 en 11 december 2012.

De verdachte is verschenen, op 3 februari 2011 en op 12 april 2011 bijgestaan door mr. A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam en op 18 oktober 2012 door mr. E. Julius, advocaat te Amsterdam. Op 13, 30 november 2012 en op 11 december 2012 is verdachte niet verschenen.

Als officier van justitie was op 18 oktober 2012, 30 november 2012 en 11 december 2012 aanwezig mr. S .T.C. van der Werf, op 13 november 2012 mr. M .A.E. Schot.

2 TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 oktober 2010, te Deventer, althans in Nederland, meerdere, althans één voorwerp(en), te weten een geldbedrag(en) (van 30.000 euro), heeft verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een geldbedrag (van 30.000 euro), gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader( s )wist(en) dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht leiden:

hij op of omstreeks 18 oktober 2010, te Deventer, althans in Nederland, meerdere, althans één voorwerp(en), te weten een geldbedrag(en) (van 30.000 euro), heeft verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een geldbedrag (van 30.000 euro), gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader( s )redelijkerwijs kon vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;

2.

hij op of omstreeks 20 december 2010, te Deventer, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag (van 106.775 euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten dat geldbedrag (van 106.775 euro), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht leiden:

hij op of omstreeks 20 december 2010, te Deventer, althans in Nederland, meerdere, althans één voorwerp(en), te weten een geldbedrag(en) (van 106.775 euro), heeft verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een geldbedrag (van 106.775 euro), gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader( s ) redelijkerwijs kon vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;

4.

hij op of omstreeks 20 december 2010 te Deventer opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 9 kilo hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.

hij op of omstreeks 20 december 2010 te Deventer een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk CZ, type 75B, met opschrift CZ75B cal. 9Luger) en/of munitie van categorie III, te weten eenenvijftig, althans één of meer, patro(o)n(en) (met opschrift S &B 9mm Luger B.F.L. 9mm Luger), voorhanden heeft gehad;

6.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 april 2010 tot en met 20 december 2010, te Deventer, althans in Nederland, (telkens) meerdere, althans één voorwerp(en), te weten een of meer auto’ s , te weten een Audi A3 (kenteken [kenteken 1] ) en/of een Volkswagen Caddy (kenteken [kenteken 2] ), heeft verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans (telkens) van een of meer voorwerp(en), te weten die een of meer auto’ s , te weten een Audi A3 (kenteken [kenteken 1] ) en/of een Volkswagen Caddy (kenteken [kenteken 2] ) , gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader( s ) (telkens) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

althans, indien het vorenstaande onder 6 niet tot een veroordeling mocht leiden:

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 april 2010 tot en met 20 december 2010, te Deventer, althans in Nederland, (telkens) meerdere, althans één voorwerp(en), te weten een of meer auto’ s , te weten een Audi A3 (kenteken [kenteken 1] ) en/of een Volkswagen Caddy (kenteken [kenteken 2] ), heeft verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans (telkens) van een of meer voorwerp(en), te weten die een of meer auto’ s , te weten een Audi A3 (kenteken [kenteken 1] ) en/of een Volkswagen Caddy (kenteken [kenteken 2] ) , gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader( s ) (telkens) redelijkerwijs kon(den) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

De rechtbank nummert de onder 1, 2, 4, 5, 6 ten laste gelegde feiten als de feiten 1 tot en met 5.

3 VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. WAARDERING VAN DE BEWIJSMIDDELEN

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna deels uitgeschreven en deels in voetnoten vermelde bewijsmiddelen, het navolgende.

4.1.

Vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 19 september 2010 is een onderzoek onder de naam “Boerdijk” gestart. Het betrof een onderzoek naar (onder meer) het uitzendbureau [uitzendbureau] (hierna: [uitzendbureau] ) te Deventer en haar bestuurders inzake verdenking van (onder meer) mensenhandel, valsheid in geschrifte en witwassen. Tijdens dat onderzoek werden de telefoons van de bestuurders van [uitzendbureau] , te weten [naam 1] en [naam 2] getapt.

De volgende telefoongesprekken zijn – voor zover hier van belang – opgenomen en uitgewerkt:

Tijdstip 04-10-1021:02:16

[naam 2] belt uit en spreekt met [verdachte] (sh). [naam 2] zegt dat ze een voorschot van de fabriek gevraagd hebben en dat dit geld pas de negentiende op de (bank)rekening komt. Als je briefjes/bankbiljetten van 500 bestelt, dan wordt het donderdag de 21ste, legt [naam 2] uit. (…) Op de 19e komt ook het gewone geld binnen, zegt [naam 2] . Als dan ook het voorschot binnenkomt, nemen we al het geld op en geven het aan die man, zegt [naam 2] . [verdachte] zegt dat hij met die man gaat overleggen.

Tijdstip 6-10-1013:10:32[naam 2] (sh) wordt gebeld door [verdachte] (sh) (...) [naam 2] .. kom je. [verdachte] : (...) ik kan pas over een uur komen.. [naam 2] : Goed .. als ik weg ga.. laat ik het wel achter in de kas. [naam 2] : Heb je die andere al geregeld.. die 21. [verdachte] : 21.. ik heb het tegen de man gezegd..ik heb gezegd zo en zus wordt een beetje later..abi voor elke dag dat het laat wordt moet ik 100 euro geven.

Tijdstip 12-10-1018:12:57[naam 2] (sh) belt uit met [verdachte] (sh). (…) [naam 2] : Vrijdag kun je er 30 ophalen. [verdachte] : Vrijdag .. 30 .. zijn het 500 jes.. [naam 2] : ja.. ik heb besteld.(…) [naam 2] : En volgende week dinsdag eh.. 10 papier..200 jes. (...) [verdachte] : accoord mijn broeder.. kom ik vrijdag na je toe. [naam 2] : Bel mij vrijdag smorgens even op.. dan ga ik naar de bank en ga het jou overhandigen. [verdachte] : is accoord broeder.

Tijdstip 13-10-1021:27:55

[naam 1] bum [verdachte] (sh). [naam 1] zegt dat ze waarschijnlijk morgen 30 opnemen. Morgen vraagt [verdachte] , het was toch vrijdag? [naam 1] zegt dat ze het dinsdag besteld hebben. Donderdag of vrijdag nemen we 30 duizend op, zegt [naam 1] . [naam 1] vraagt of ze de betaling van de resterende 10 duizend tot dinsdag kunnen uitstellen. (...) [verdachte] vindt het goed dat het resterende bedrag tot dinsdag uitgesteld wordt. [naam 1] zegt dat hij Belgie gebeld heeft en als dat doorgaat, dan is dinges niet nodig.

Tijdstip 15-10-1013:57:46[naam 2] (sh) belt uit met [verdachte] (..) [naam 2] : hebben ze .. de bank.. vanmorgen [naam 1] abi gebeld. (...) wordt maandag hebben ze gezegd.. we kunnen vandaag niet leveren. [verdachte] : oke..eh.. maak niet uit.. kan maandag wel. [naam 2] : Had je de man al beloofd? [verdachte] : Neen.. ik heb de man niks gezegd (...) [naam 2] : dan geef je maandag die .. en dinsdag die 10 papier..nemen we die op en geef jij die aan hem..(...)

Tijdstip 18-10-1013.26[naam 2] (sh) wordt gebeld door [verdachte] (sh)(..) [naam 2] : Ik ben vanmorgen wel geweest..maar ze zeiden ‘kom maar zo rond een uur’.. ik ga er zo heen ophalen mijn broer. (...) Ik haal het op en laat het op kantoor achter..ja.[verdachte] : Ja .. accoord..(...) We zien/spreken elkaar.. ik kom wel naar kantoor zo’n eh.. ongeveer twee uur later. [naam 2] : Is goed.

Tijdstip 19-10-1000:15:31[naam 2] (sh) belt uit met [verdachte] (sh). (…) [naam 2] : Broeder, heb je dat geld nog genomen. [verdachte] : Ja.. heb ik genomen en vandaag gegeven. [naam 2] : Morgen moeten we die 10 papier regelen. [verdachte] : Ja..kunnen we die dichten. [naam 2] : Ja..dan kunnen we die zaak dichten/afsluiten. [verdachte] : (...) ik kom morgen dan weer zo ongeveer om 3 uur. [naam 2] : is goed .. dat moeten we wel met [naam 1] abi samen opnemen..die heeft de pas (...) [naam 2] : hoe is het met die andere vriend..zijn rechtzaak en zo.. [verdachte] : Van die zijn de papieren wel gekomen..maar er is nog tijd om te betalen.. volgende week of de week daarop moet er pas betaald worden. [naam 2] : hoeveel is dat.. is het alles. [verdachte] : 15 gegeven.. ja.. [naam 2] : (...) is alle 15 ook nodig. [verdachte] : (...) alle 15.. ja.. dat hebben ze wel zo met [naam 1] afgesproken .. ik zal hem nog wel vragen hoeveel hij nodig heeft. [naam 2] : ja .. vraag maar. [verdachte] : 17 duizend 890 heeft hij zelf nog aan betalingen.. ik weet niet hoeveel hij zelf heeft.. hij heeft 15 aan [naam 1] gegeven .. en zelf heeft hij nog 17.890 aan betalingen..maar dat heeft nog 1 a 2 weken de tijd. (...) [naam 2] : mij de dag doorgeven.. dan kan ik met mijn komende betalingen en facturen rekening houden..ik doe mijn betalingen dan een week opschuiven (...) hoe meer tijd hoe beter voor mij.. maar als de man nodig heeft .. ik wil wel de dag weten. (...) [verdachte] : Ik weet niet precies de dag..(...) hij zei wel “mijn papier is gekomen..(...) en als de papier binnen is .. dan doen geven ze minimaal een paar weken de tijd..ze gaan niet meteen lop..dinges doen. (...) [verdachte] : jullie zouden hem 10 duizend als lening geven.. (...) [naam 2] : maar morgen of overmorgen als het bedrijf iets overkomt.. dan grijpen ze de man aan zijn nek.. dat hij met zijn eigen geld geen stank voor dank krijgt. [verdachte] : ja.. ik weet het niet.. hoe hij het gaat doen. [naam 2] : zeg maar tegen hem.. als hij niet op papier.. eh te leen gegeven .. en genomen.. is mijn eigen geld.. of geld van mijn ouders maakt niet uit wat hij zegt.. hij kan ook wel zelf een naam van iemand doorgeven als zijnde het beleend van de bank.. dat kan hij ook doen.. en hij komt hierheen naar onze kant en wie weet gebeurd er iets.. en ik moet het bij de boekhouding erbij doen.. stel er gebeurd hier iets.. dan krijgt hij de staat op zijn nek gedrukt.. zo van je hebt nog schulden aan hun.. [verdachte] : ja.. [naam 2] . begrijp je.. [verdachte] : Ja.. maar wat moet ik nu aan de man zeggen. [naam 2] : zeg maar tegen de man.. als het niet op papier is .. en ik kan hem dat geld geven.. maar al hij zegt .. ik ga jullie een plek laten zien .. en kan dat aan niemand laten zien.. laat hem maar komen.. kunnen we praten.. (…) [naam 2] : want het zou niet zo mogen dat de man er schade van ondervindt.. hij heeft geholpen en dinges gedaan.. dus dat de man de benadeeld wordt. (...)

Blijkens een rekeningafschrift heeft [uitzendbureau] op 12 oktober 2010 voor € 30.000,00 aan eurobiljetten besteld.

Naar aanleiding van voormelde tapgesprekken is door de politie een observatieteam ingezet op 18 oktober 2010 omdat het vermoeden rees dat er een contante geldtransactie zou plaatsvinden tussen [naam 2] en verdachte. Door het observatieteam is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

(…) Subject 1: [naam 2] . (…) Subject 2: [verdachte] . (…) In het kader van het opsporingsonderzoek Boerdijk is ons een informatieset verstrekt, waarin beschikbare gegevens, zoals foto’s, contacten, contactadressen en voertuigen, zijn opgenomen. In opdracht van de teamleiding van dit opsporingsonderzoek hebben wij met betrekking tot dit opsporingsonderzoek op grond van artikel 2 van de Politiewet 1993 en met toestemming van de officier van justitie mr. K.J. de Valk op maandag 18 oktober 2010 geobserveerd en daarbij de navolgende waarnemingen c.q. bevindingen gedaan en/of handelingen ondernomen.

Tijdstip Verbalisant Omschrijving (..)

13.46

T70 Ik zie dat [naam 2] , die ik herken middels een foto uit de informatieset,

in de hal zit van de Rabobank , gevestigd aan de [adres 2] te Deventer. (...) Ik zie dat een medewerkster van de Rabobank naar hem toe komt lopen (...). Ik zie dat zij een witte envelop, afmeting 15 bij 20 cm in de hand heeft. (...) Ik zie dat zij (...) de envelop opent. Ik zie dat zij een stapel bankbiljetten uit de envelop haalt en deze begint te tellen en aan [naam 2] overhandigt.

13.48

T70 Ik zie dat [naam 2] uit de Rabobank komt lopen. (...)

13.50

T40, T72 Wij zien dat [naam 2] de zijdeur, welke toegang geeft tot uitzendbureau

[uitzendbureau] , gevestigd [adres 3] te Deventer binnengaat. (…)

15.25

T10, T23 Wij zien dat een manspersoon, die wij middels een foto uit de

informatieset herkennen als zijnde [verdachte] , als bestuurder instapt van de Audi A3 [kenteken 1] en vertrekt. (…)

15.35

T72 Ik zie dat de Audi A3 [kenteken 1] wordt geparkeerd op de [adres 3]

ter hoogte van perceel [adres 3] te Deventer. Ik zie dat [verdachte] uitstapt en [uitzendbureau] binnengaat.

15.39

T72 Ik zie dat [verdachte] uit [uitzendbureau] komt lopen. Ik zie dat [verdachte] een witte

envelop, van ongeveer 15 bij 20 cm in zijn hand heeft. Ik zie dat de envelop geopend is. Ik zie dat [verdachte] in de Audi A3 [kenteken 1] stapt en vertrekt.

15.43

T10 Ik zie dat de Audi A3 [kenteken 1] wordt geparkeerd (…). Ik zie dat [verdachte] uitstapt en perceel [adres 4] te Deventer binnengaat. Ik zie dat [verdachte] een heuptasje en een witte envelop van ongeveer 15 bij 20 cm in zijn hand heeft.

15.58

T15, T23 Wij zien dat [verdachte] en een man, nader te noemen NN3 uit de woning,

[adres 4] te Deventer komen. (…)

15.59

T23 Ik zie dat [verdachte] een groot formaat weekend tas in zijn handen heeft.

Ik zie dat er enkele keren heen en weer wordt gelopen tussen de Audi A3 [kenteken 1] , de woning [adres 4] te Deventer en een blauwe Seat Cordoba. (..)

15.59

T23 Ik zie dat [verdachte] en NN3 in de Seat Cordoba stappen en vertrekken.

15.59

T15 Ik zie dat de SeatCordoba is gekentekend [kenteken 3] .

16.02

T40 Ik zie dat de Seat Cordoba, [kenteken 3] wordt geparkeerd op de

[adres 5] te Deventer ter hoogte van de percelen [adres 5] . Ik zie dat [verdachte] en NN3 uitstappen. (…) Ik zie dat [verdachte] en NN3 de voordeur van perceel [adres 5] of [adres 5] te Deventer binnengaan.

16.05

T40 Ik zie dat [verdachte] en NN3 uit één van de eerder genoemde voordeuren

komen lopen. Ik zie dat de achterklep van de Seat Cordoba [kenteken 3] wordt geopend. Ik zie dat [verdachte] een grote weekendtas uit de laadruimte pakt. Deze weekendtas is donkerkleurig en lijkt niet gevuld. Ik zie dat NN3 de achterklep sluit. Ik zie dat NN3 en [verdachte] met de weekendtas de voordeur genummerd [adres 5] dan wel [adres 5] te Deventer binnengaan.

Op 20 december 2012 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van verdachte. Blijkens de hierna vermelde processen-verbaal is daar (onder meer) in een dressoir in de woonkamer een contant geldbedrag van € 106.775,00 aangetroffen, dat grotendeels bestond uit coupures van € 500,00. Op zolder zijn een tas en een zwarte weekendtas gevonden met daarin gripzakken gevuld met bloemdelen van hennepplanten met een totaalgewicht van 9008 gram en een geschatte waarde van ongeveer € 29.500,00. De tassen waren niet verborgen op zolder. Verder is in de ouderlijke slaapkamer op of in de linnenkast een doosje met daarin een vuurwapen en munitie gevonden.

Ten aanzien van het contante geld In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 december 2010 van J.L. Leunk staat vermeld:

Op 20/12/2010 werd in het onderzoek “Boerdijk” onder leiding van de rechter-commissaris mr. H. Pos doorzoeking verricht in de woning [adres 6] . Dit betreft de woning van het gezin van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] . (…) Tijdens deze doorzoeking werd in genoemde woning een contant geldbedrag inbeslaggenomen van in totaal 106.775 euro. Dit werd op de hieronder omschreven manier aangetroffen: Een nylon tasje welke in de onderste lade van een dressoir in de woonkamer lag bevatte 3 enveloppen.

Enveloppe 1: 100 biljetten van 500 euro = 50.000 euro

Enveloppe 2: 100 biljetten van 500 euro = 50.000 euro

Enveloppe 3: 39x100 en 8x200 euro = 5.500 euro

Totaal 105.500 euro

Naast dat nylontasje lag een plastic tasje met rolletjes muntgeld (verpakt). Deze rolletjes heb ik niet geopend maar aangenomen dat het opschrift klopte: Totaal 90 euro.

In de broekzak van een spijkerbroek op de slaapkamer van [verdachte] zaten losse bankbiljetten:

13 x 20 = 260

7 x 50 = 350

10 x 10 = 100

5 x 5 = 25

Totaal 735 euro.

In een van de garage afgescheiden ruimte stond een computermeubel. In een lade van dat meubel lag een enveloppe met 4 biljetten van 100 euro. Op dat computermeubel lag 1 biljet van 50 euro, totaal 450 euro.

Ten aanzien van de hennep

Uit het proces-verbaal (expertiseverslag) d.d. 20 december 2010 opgemaakt door [verbalisant 1] volgt:

Op maandag 20 december 2010, werd in perceel [adres 6] , onder leiding van de rechter-commissaris een huiszoeking gehouden in onderzoek genaamd Boerdijk onder hoofdproces 2010090709. Tijdens deze doorzoeking werd vermoedelijk softdrugs aangetroffen. Op zolder van genoemd perceel werden 2 grote tassen aangetroffen met daarin gripzakken gevuld met bloemdelen van hennepplanten. (..)

Monsters 1:

Zwart weekendtas: Code: BOERDIJK g05-01-01. (...)

Genoemde tas was gevuld met 5 plastic/doorzichtig gripzakken. Deze gripzakken waren gevuld met bloemdelen van hennepplanten. Deze bloemdelen waren geheel droog en rijp voor consumptie. Gezien de structuur van alle bloemdelen in de aangetroffen gripzakken betreft dit vermoedelijk een oogst van 1 kweeklocatie.

Monster 2:

Rood/wit gekleurde tas: Code: BOERDIJK g05-01-02. (...)

Genoemde tas was gevuld met 4 plastic/doorzichtig gripzakken. Deze gripzakken waren gevuld met bloemdelen van hennepplanten. Deze bloemdelen waren geheel droog en rijp voor consumptie. Gezien de structuur van alle bloemdelen in de aangetroffen gripzakken betreft dit vermoedelijk een oogst van 1 kweeklocatie. (..)

Gewicht:

De inhoud van de 9 gripzakken werden netto gewogen: (…)Totaal 9008 gram Netto (…)

Volgens het NND (Nationaal Netwerk Drugsexpertise) betreft de kiloprijs voor gedroogde hennep per 1 november 2010 € 3.280. Omgerekend zou de aangetroffen softdrugs een opbrengst kunnen hebben van 9,008 kilo x € 3.280,- = € 29.546,24. (…)

Herkenning:

Aan de uiterlijke kenmerken, zoals vorm, kleur en geur herkende ik deze goederen als zijnde van het geslacht Cannabis (hennep) genoemd in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Chemische test:

Met behulp van de daarvoor bestemde chemische drugs field test kit (..) heb ik de eerder genoemde monsters getest. Ik zag daarbij dat de testbuisjes verkleurden naar helder rood, hetgeen een indicatief is voor de aanwezigheid van Cannabis.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 mei 2012:

Op 20/12/2010 werd in het onderzoek “Boerdijk”onder leiding van de rechter-commissaris mr. H. Pos doorzoeking verricht in de woning [adres 6] . Dit betreft de woning van het gezin van [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] . (…) Tijdens de doorzoeking werden op de zolder van deze woning twee tassen, een zwarte weekendtas en een rood witte big-shopper met in totaal ruim 9 kilogram gedroogde hennep in beslag genomen. Deze tassen stonden op zolder. De zolder was bereikbaar via een vliso-trap die uit het plafond getrokken moest worden. De tassen konden zo worden gepakt en waren niet verborgen op die zolder.

Ten aanzien van het vuurwapen en de munitie Het proces-verbaal zaakdossier 4.13 d.d. 6 maart 2011 opgemaakt door [verbalisant 2] :

(…) Verder werd er bij [verdachte] tijdens de doorzoeking een vuurwapen (..) aangetroffen. (..) Zie bijgevoegd proces-verbaal van de WWM ivm het vuurwapen (…)

Het proces-verbaal relaas van (vuur)wapen onderzoek d.d. 28 februari 2011:

Op donderdag 24 februari 2011 werd mij (..) een pistool en munitie ter hand gesteld met het verzoek een nader onderzoek in te stellen. (..)

Het betrof in deze:

A. Vuurwapen zijnde een pistool:

Het wapen is een vuurwapen zijnde een pistool van het merk CZ type 75B

Werking: semi-automatisch, single action.

(..)

Kaliber: De loop heeft een gemeten kaliber van ongeveer 9mm. 9mm Luger.

Lengte: 206 mm

Hoogte 138 mm

Loop: 120 mm

Gewicht 1000 gram

Het inbeslaggenomen vuurwapen is zwart van kleur, de patroonhouder heeft zwarte kolfplaten.

Het voorwerp is bestemd om projectielen door een loop af te schieten. De werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III, onder 1 van de Wet Wapens en Munitie . (..)

B. Patronen

De navolgende patronen werden inbeslaggenomen:

51 patronen

cal: 9 mm (..)

opschrift: S&B 9mm Luger B.F.L. 9mm Luger. (..)

De onder B vermelde munitie betreffen kogelpatronen. Dit is munitie in de zin van artikel 1, onder 4, gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet Wapens en Munitie . Deze munitie is geschikt om te worden verschoten met de bij de verdachte aangetroffen vuurwapen.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 mei 2012 opgemaakt door J.L. Leunk:

Op 20/12/2010, werd in het onderzoek ‘Boerdijk’ onder leiding van de rechter-commissaris mr. H. Pos doorzoeking verricht in de woning [adres 6] . Dit betreft de woning van het gezin van [verdachte] (..)

Tevens werd in de ouderlijke slaapkamer, vanaf de voordeur gezien de linker achterzijde van de woning op de 1e etage, een doosje aangetroffen met daarin een vuurwapen, munitie en bijbehoren. Dit doosje lag op of in de linnenkast in die slaapkamer.

Verdachte heeft – voor zover relevant – onder meer het volgende bij de politie verklaard:

V: Wij hebben in jouw huis een vuurwapen gevonden. Wat wil je daar over zeggen? A: Ik zwijg. (…) V: Omschrijf de aangetroffen hennep eens, soort en hoe deze verpakt is enzovoort. A: In mijn schuurtje heb je dat aangetroffen in een plastic doos, een halve liter bak. Ik weet niet hoeveel er in zat. V: Wij hebben veel meer hennep aangetroffen dan jij omschrijft. (..) A: Ik heb er niks over te zeggen. (..) V: Wat zegt het adres [adres 5] in Deventer jou? A: Niks. V: Ben je wel eens op het adres [adres 5] in Deventer geweest? A: Nee, nooit geweest. V: Op maandag 18 oktober dit jaar is door het observatieteam van de politie gezien dat jij het pand aan de [adres 5] te Deventer binnenging. Hoe verklaar jij dat? A: Ik zwijg. V: Gezien is dat jij met een grote sporttas de woning binnenging. Waar was die sporttas voor? A: Zo, dat werd gezien? Ik kan daar niks over zeggen. (…) V: De politie heeft in de woning aan de [adres 5] een hennepplantage aangetroffen. Hoe verklaar jij dat? A: Weet ik niet. Ik zwijg. V: In de woning aan de [adres 5] werden verdachten aangehouden. Dit zijn dezelfde mensen als waarmee jij bij een hennepplantage in Zutphen aan de [adres 7] , jouw vorige woning, bent aangehouden geweest. Hoe verklaar jij dat? A: Ik zwijg. V: Tijdens de doorzoeking hebben wij contant geld aangetroffen. Wat wil je daar over vertellen? A: € 870,-? (…) V: Wij hebben veel meer geld aangetroffen, hoe verklaar jij dat? A: Weet ik niet. V: Van wie is dit geld? A: Weet ik niet. V: Wat is de reden dat je zoveel contant geld in huis had?A: Weet ik niet. V: Wat zou je met dat geld gaan doen? A: Ik zwijg. V: Op maandag 18 oktober van dit jaar is door het observatieteam van de politie geconstateerd dat jij een envelop met daarin een groot geldbedrag meeneemt uit het kantoor van [uitzendbureau] B.V.. Van wie was dat geld?) Nee, dat kan niet. (…) (Opmerking verbalisant: Verdachte werd de foto getoond, genomen door het observatieteam van de politie op maandag 18 oktober 2010. De foto toont dat verdachte het kantoor van [uitzendbureau] B.V. betreedt. Verdachte verklaarde zichzelf te herkennen op de foto. (…)

4.2.

Witwassen van € 30.000,00 (feit 1)

Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft ter terechtzitting betoogd dat hetgeen onder 1 primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden. Op basis van de tapgesprekken en de observatie kan worden bewezen dat verdachte een geldbedrag van € 30.000 voorhanden heeft gehad. [uitzendbureau] heeft gefraudeerd met de administratie en derhalve was het geld van misdrijf afkomstig. Uit de taps blijkt dat verdachte dat ook wist.

Het standpunt van de verdediging Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting ontkend op 18 oktober 2010 een geldbedrag van € 30.000 overhandigd te hebben gekregen op het kantoor van [uitzendbureau] . Hij heeft ter terechtzitting verklaard, dat hij het tapgesprek van 18 oktober 2010 om 13.26 uur gevoerd heeft, dat hij op 18 oktober 2010 omstreeks 15.35 uur op het kantoor van [uitzendbureau] is geweest en dat de politie hem een foto heeft getoond waarop te zien is dat hij het kantoor op dat tijdstip betreedt. Verdachte heeft verklaard toen een bedrag van € 1.250,- als loon (voor zwart werk) te hebben ontvangen. Ten aanzien van de overige tapgesprekken heeft verdachte verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij die gesprekken heeft gevoerd.

De raadsvrouwe van verdachte heeft - samengevat - betoogd dat niet is vast te stellen dat verdachte het bedrag van € 30.000,- op 18 oktober 2010 daadwerkelijk voorhanden heeft gehad, noch dat hij wist of moest weten dat het geldbedrag dat hij heeft ontvangen van misdrijf afkomstig was.

Het oordeel van de rechtbank Gelet op het hiervoor aangehaalde proces-verbaal van observatie d.d. 18 oktober 2010 en de daarbij gevoegde foto’s en de verklaring van verdachte bij de politie waarin hij verklaart zichzelf te herkennen op de (bij dat verhoor gevoegde) foto van het observatieteam, staat naar het oordeel van de rechtbank vast, dat verdachte op 18 oktober 2010 omstreeks 15.35 uur het kantoor van [uitzendbureau] heeft betreden. In het tapgesprek van 18 oktober 2010, waarbij sprake is van stemherkenning (sh) van verdachte is door verdachte omstreeks 13.26 uur tegen [naam 2] gezegd, dat hij naar kantoor komt en dat dat ongeveer twee uur later zal zijn. Dat past bij de constatering van het observatieteam dat verdachte die dag om 15.35 uur het kantoor van [uitzendbureau] betreedt. Dat maakt dat de rechtbank - zeker nu verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij dat tapgesprek heeft gevoerd - geen enkele reden heeft om te twijfelen aan de stemherkenning door verbalisanten van verdachte. Dat geldt niet alleen voor de stemherkenning van verdachte met betrekking tot het tapgesprek van 18 oktober 2010, maar dat geldt ook voor de hiervoor weergegeven tapgesprekken daaraan voorafgaand en daaropvolgend, nu sprake is van een logisch inhoudelijk verloop van die tapgesprekken. Naar het oordeel van de rechtbank is het dus daadwerkelijk verdachte geweest die vorenbedoelde tapgesprekken met [naam 2] of [naam 1] gevoerd heeft.

Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van versluierd taalgebruik in voormelde tapgesprekken. Zo worden personen niet bij naam genoemd (maar gaat het over betalingen aan “de/die man”) en worden er getallen ( “21”, “30” en “10”) genoemd, terwijl gelet op de context van de gesprekken en het tapgesprek van verdachte met [naam 1] op 13 oktober 2010 waarin onder meer “30 duizend” en “10 duizend” wordt genoemd, die getallen grote geldbedragen voorstellen.

De rechtbank begrijpt de inhoud van de tapgesprekken aldus, dat [naam 2] op 4 oktober 2010 tegen verdachte zegt dat als je briefjes/bankbiljetten van € 500,00 bestelt dat het donderdag de 21e wordt en dat ze dan al het geld opnemen en geven aan de man. Uit het tapgesprek van 12 oktober 2010 begrijpt de rechtbank dat [naam 2] tegen verdachte zegt dat hij vrijdag € 30.000,00 kan ophalen, dat [naam 2] briefjes van € 500,00 heeft besteld en dat [naam 2] vrijdag naar de bank zal gaan en het aan verdachte zal overhandigen. Deze lezing wordt ondersteund door het eerder aangehaalde bankafschrift van [uitzendbureau] waaruit blijkt dat op 12 oktober 2010 daadwerkelijk door [uitzendbureau] een dergelijke bestelling is gedaan. Uit het tapgesprek van [naam 1] met verdachte begrijpt de rechtbank dat ze donderdag of vrijdag € 30.000,00 opnemen en dat [naam 1] aan verdachte vraagt of ze de betaling van de resterende € 10.000,00 tot dinsdag kunnen uitstellen. Uit het tapgesprek van [naam 2] met verdachte op 15 oktober 2010 leidt de rechtbank af, dat de bank kennelijk heeft gebeld, dat ze niet kunnen leveren en dat het maandag wordt. [naam 2] vraagt dan of verdachte het de man al had beloofd, waarop verdachte zegt dat hij de man niks heeft gezegd. Uit het tapgesprek van maandag 18 oktober 2010 om 13.26 uur begrijpt de rechtbank dat [naam 2] aan verdachte zegt dat hij het geldbedrag bij de bank zal ophalen en dat verdachte over twee uur naar kantoor komt.

Een en ander sluit naadloos aan bij de bevindingen van het observatieteam, dat allereerst constateert dat [naam 2] op 18 oktober 2010 vlak na voormeld telefoongesprek (te weten om 13.46 uur) bij de Rabobank is en daar uit een enveloppe van 15 bij 20 cm een stapel bankbiljetten overhandigd krijgt, dat [naam 2] naar het kantoor van [uitzendbureau] gaat en dat verdachte om 15.35 uur het kantoor van [uitzendbureau] binnen gaat en 4 minuten later met een geopende witte envelop van 15 bij 20 cm het kantoor verlaat. Het tapgesprek van dinsdag 19 oktober 2010 interpreteert de rechtbank in het licht van het voorgaande aldus dat verdachte het betreffende geldbedrag van € 30.000,00 in handen heeft gehad (“Ja .. heb ik genomen”) en heeft doorgegeven (“en vandaag gegeven”) aan de man.

Gelet op de inhoud van voormelde tapgesprekken, de bevindingen van het observatieteam en het bankafschrift van de rekening van [uitzendbureau] d.d. 29 oktober 2010, acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij op 18 oktober 2010 op het kantoor van [uitzendbureau] een geldbedrag van € 1.250,00 in plaats een geldbedrag van € 30.000,00 overhandigd heeft gekregen ongeloofwaardig. De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte op of omstreeks 18 oktober 2010 te Deventer een geldbedrag van € 30.000,00 voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen.

Vervolgens is het de vraag of verdachte wist (primair tenlastegelegde) of redelijkerwijs kon vermoeden (subsidiair tenlastegelegde) dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig was. De rechtbank overweegt in dat kader het volgende.

Uit het procesdossier is gebleken dat verdachte contacten heeft gehad met personen in het criminele circuit. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard contacten te hebben gehad met personen die er van zijn verdacht de Opiumwet te hebben overtreden. Verder is ook verdachte zelf reeds eerder veroordeeld voor overtreding van de bepalingen van de Opiumwet. Daarnaast is in de woning van verdachte een groot geldbedrag (feit 2), een aanzienlijke hoeveelheid hennep (feit 3) en een vuurwapen met munitie (feit 4) aangetroffen. Er is aldus sprake van een witwastypologie. Gelet op voormelde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien en gezien voorts de hoogte van het door verdachte ontvangen en overgedragen geldbedrag van € 30.000, de coupures waaruit dat geldbedrag bestond

- namelijk coupures die in het normale economische verkeer niet of nauwelijks worden gebruikt - en voorts gelet op het versluierd taalgebruik in de tapgesprekken die door verdachte zijn gevoerd met betrekking tot de ontvangst en overdracht van dat geldbedrag, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag van een misdrijf dat opzettelijk is begaan afkomstig is geweest en dat verdachte daar weet van heeft gehad. Mede uit het feit dat verdachte in de hierboven weergegeven tapgesprekken zich heeft bediend van versluierend taalgebruik terwijl uit het verloop van die telefoongesprekken duidelijk is dat hij zijn gesprekspartners, die in die telefoongesprekken eveneens verhullende taal gebruikten, terdege begreep, leidt de rechtbank af dat verdachte zich bewust is geweest van de criminele herkomst van dat geldbedrag nu verdachte voor het overige geen verklaring heeft gegeven voor een legale herkomst van het geldbedrag. Dit brengt de rechtbank ertoe dat zij het witwassen van vorenbedoeld geldbedrag van € 30.000,- , zoals dit onder het primair tenlastegelegde is omschreven, wettig en overtuigend bewezen acht.

4.3.

Witwassen van € 106.775,00 (feit 2)

Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft ter terechtzitting betoogd dat hetgeen onder 2 primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden. Naar aanleiding van het verweer van verdachte dat hij € 100.000 van zijn schoonmoeder heeft geleend is nader onderzoek gedaan waaruit blijkt dat de schoonmoeder niet over een dergelijk bedrag heeft kunnen beschikken. Uit gegevens van de belastingdienst blijkt dat verdachte niet op reguliere wijze over een dergelijk bedrag kon beschikken. Dat het geld van misdrijf afkomstig is kan worden afgeleid uit de hoogte van het totaalbedrag, dat hoofdzakelijk bestaat uit briefjes van € 500,- en de omstandigheid dat het een feit van algemene bekendheid is dat deze biljetten nagenoeg alleen in het criminele circuit worden gebruikt. Verder is sprake van een aantal typologieën op grond waarvan een vermoeden van witwassen kan worden ontleend, te weten dat verdachte weigert een verklaring af te leggen omtrent de herkomst van het geld, het feit dat handel in verdovende middelen veel opbrengsten oplevert en er in de woning van verdachte 9 kilo hennep is aangetroffen en daarmee handel in verdovende middelen aannemelijk is geworden.

Het standpunt van de verdediging Verdachte heeft bij de politie verklaard niet te weten dat er veel (meer) geld is aangetroffen, niet te weten van wie het geld is, niet te weten waarom er zoveel contant geld in huis was en verdachte zwijgt wanneer wordt gevraagd wat verdachte met het geld zou doen.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard, dat hij € 100.000 had geleend van zijn schoonmoeder [naam 5] in verband met het overnemen van een zaak in Dalfsen, dat hij dat bedrag contant moest betalen omdat dat zo was afgesproken, dat hij het geld nog niet zo lang vóór de inval door de politie in huis had, dat hij het contante geldbedrag in 2010 bij zijn schoonmoeder heeft opgehaald in Turkije, dat hij niet weet waar zijn schoonmoeder dat geld toen in Turkije bewaarde, dat het klopt dat zijn schoonmoeder daar toen nog niet definitief gevestigd was, en dat het geld niet is overgemaakt via de bank omdat dat in Turkije niet kan en dat het geld niet via een money transfer is overgemaakt omdat daaraan kosten verbonden zijn.

De raadsvrouwe van verdachte heeft ter onderbouwing van de verklaring van verdachte dat hij € 100.000,- had geleend verwezen naar de (reeds in een eerder stadium overgelegde) ongedateerde brief van de schoonmoeder van verdachte. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte daarmee een concrete, min of meer verifieerbare, en afdoende verklaring heeft gegeven voor de legale herkomst van het aangetroffen geldbedrag. Voor het geval de rechtbank die mening niet is toegedaan doet de raadsvrouwe het (voorwaardelijk) verzoek om [naam 5] en [naam 9] getuigen te horen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop, dat uit de financiële situatie van verdachte en zijn vrouw [naam 3] , zoals dat naar voren komt uit de hieronder vermelde gegevens van de belastingdienst, geen verklaring kan worden gevonden voor de herkomst van het in de woning van verdachte aangetroffen geldbedrag.

Aangifte jaaroverzicht belastingjaar 2008 van [naam 3] :

Totaal loon tegenwoordige arbeid € 28.356,=.

Aangifte jaaroverzicht belastingjaar 2009 van [naam 3] :

Totaal loon tegenwoordige arbeid € 28.432,=.

Aangifte jaaroverzicht belastingjaar 2009 van [naam 4] :

Verzamelinkomen: € 0,00

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 januari 2012: Echtgenote [naam 3] :Belastingjaar 2008: geen inkomstenBelastingjaar 2009: geen inkomstenBelastingjaar 2010: (nog) geen gegevens bekend

In de door de verdediging overgelegde brief van de schoonmoeder van verdachte [naam 5] staat geschreven dat het bij verdachte aangetroffen geld van haar is, dat zij haar zaak in 2003 heeft verkocht voor € 69.000, dat zij in 2002 een VW Golf had gekocht voor € 30.000 die zij in 2003 voor € 19.000 heeft verkocht, en dat zij van 2003 tot en met 2005 € 12.000 heeft gespaard. Verder staat er geschreven dat [naam 5] verdachte in 2010 geld heeft geleend in verband met het kopen van een zaak van [naam 6] en dat verdachte in 2010 naar Turkije is gegaan om het geld met haar toestemming op te halen. In de brief is verder geschreven dat [naam 5] de bewijsmiddelen bij de hand heeft en dat die als bijlagen worden gevoegd. De rechtbank heeft geconstateerd dat bij de brief geen bijlagen of bewijsmiddelen zijn gevoegd en dat die ook nadien niet zijn overgelegd.

Door de recherche is nader onderzoek gedaan. Op 31 januari 2012 is getracht om [naam 5] te horen. Verdachte heeft toen – zoals hij ook ter terechtzitting heeft erkend – de politie medegedeeld dat zijn schoonmoeder [naam 5] sinds 24 november 2011 voorgoed naar Turkije is vertrokken. Verbalisanten hebben voorts de financiële situatie van [naam 5] onderzocht. In het hierover opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, hieronder verkort weergegeven, is door verbalisanten geconcludeerd dat mevrouw [naam 5] niet over voldoende vermogen beschikte om verdachte een lening van € 100.000,00 te kunnen verstrekken.

Op 6 april 2011 werd ter terechtzitting in de rechtbank te Zwolle, door de raadsheer van verdachte [naam 3] in zijn pleitnota beschreven dat de schoonmoeder van verdachte [naam 3] , mevrouw [naam 5] , een lening ten bedrage van € 100.000,00 had verstrekt aan verdachte [naam 3] . Dit geldbedrag zou deel uitmaken van het bij verdachte [naam 3] in beslaggenomen geldbedrag. In de pleitnota wordt vermeld dat het geldbedrag afkomstig is uit de verkoop van een zaak, een auto en spaargeld van mevrouw [naam 5] .

Uit het handelsregister historie van de Kamer van Koophandel blijkt dat mevrouw [naam 5] , geboren [geboortedatum 2] , blijkt dat zij in de periodes 16-12-2000 tot 23-05-2001 en 01-08-2001 tot 01-04-2003 ingeschreven heeft gestaan als onderneemster van “ [naam 7] ”met als bedrijfsomschrijving: “afhaalrestaurant pizza & shoarma”. Beide periodes betrof het de rechtsvorm eenmanszaak.

Op 2 mei 2011 werd middels een door de officier van justitie mr. M. van Dijck gedane vordering verstrekking gegeven, 126nd Wetboek van Strafvordering, belastinggegevens opgevraagd van de schoonouders van verdachte [naam 3] , te weten:

[naam 5] , geboren [geboortedatum 2] (V), wonende [adres 4] te Deventer en [naam 8] , geboren [geboortedatum 3] (M), wonende [adres 4] te Deventer. Op 3 mei werd van de belastingdienst de informatie ontvangen. Hieruit is mij het volgende gebleken:

[naam 5] , BSN [nummer]

Inhoudingsplichtige: Gemeente Deventer, soort inkomen WWB

Verzamelinkomen jaar 2005: € 13.661,- voordeel uit sparen/beleggen: € 00.00,-

2006: €9.565,- € 00.00,-

2007: €13.535,- € 00.00,-

2008: €12.996,- € 00.00,-

2009: €16.849,- € 00.00,-

2010: €18.510,- € 00.00,-

[naam 8] , BSN [nummer]

Inhoudingsplichtige: Werknemersver., soort inkomen WAO/AAW/NWW

Verzamelinkomen jaar 2005: € 20.592,- voordeel uit sparen/beleggen: € 00.00,-

2006: €20.423,- € 00.00,-

2007: €22.297,- € 00.00,-

2008: €5.594,- € 00.00,-

2009: €16.397,- € 00.00,-

2010: €20.102,- € 00.00,-

De rechtbank overweegt het volgende met betrekking tot de door verdachte gestelde lening van € 100.000,00 van zijn schoonmoeder [naam 5] .

Verdachte heeft aanvankelijk bij de politie verklaard niet te weten van wie het bij de doorzoeking in zijn woning aangetroffen geldbedrag is en heeft vervolgens niet willen verklaren over wat er met het geld zou worden gedaan. Eerst tijdens de raadkamerzitting is naar voren gebracht dat het geld zou zijn geleend van zijn schoonmoeder. Daarvan is geen overeenkomst opgesteld.

De rechtbank stelt verder vast, dat uit de belastinggegevens van [naam 5] en haar partner blijkt dat zij beiden een uitkering ontvingen en dat zij geen voordeel uit sparen/beleggen hadden opgegeven in de periode van 2005 tot en met 2010, zodat uit de financiële situatie van [naam 5] en haar partner, zoals dat naar voren komt uit de gegevens van de belastingdienst, geen verklaring kan worden gevonden voor de legale herkomst van het geld.

Daarnaast is tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte administratie in beslag genomen en werd in deze administratie een bankrekeningafschrift d.d. 3 december 2009 aangetroffen van de rabobank studentenrekening op naam van de vrouw van verdachte [naam 4] waarop is te zien dat op 24 november 2009 een bedrag van € 293,00 wordt bijgeschreven met als omschrijving “ [naam 5] aflossing aan mw [naam 4] aflossing privé schuld”. Desgevraagd heeft de verdachte hierover ter terechtzitting verklaard dat hij daar niets van weet, want het betreft zijn vrouw. Naar het oordeel van de rechtbank maakt de omstandigheid dat zijn schoonmoeder eind 2009 blijkens voormeld bankafschrift kennelijk heeft afgelost op een privéschuld aan de vrouw van verdachte de stelling dat de schoonmoeder van verdachte hem vervolgens in 2010 een bedrag van € 100.000,00 heeft uitgeleend minder geloofwaardig.

Verder is als bijlage bij eerder vermeld proces-verbaal van bevindingeneen lijst gevoegd “KTR kentekens op naam [naam 5] ” met een 12-tal kentekens die op naam hebben gestaan van [naam 5] in de periode van 28 mei 2001 tot en met 15 juni 2011. De rechtbank heeft door middel van raadpleging van openbare bronnen geconstateerd dat daarbij geen VW Golf is vermeld, en voorts blijkt uit dat overzicht ook overigens evenmin dat in 2003 enige wijziging in de kentekenregistratie op naam van [naam 5] heeft plaats gevonden, zodat er (ook) op dat punt twijfel is aangaande de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam 5] .

Daarnaast blijkt uit een tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte aangetroffen bankboekje van de Halkbank te Gaziantep dat er op 30 juli 2010 een bedrag van 53.795,84 Turkse lira’s s oftewel (omgerekend naar de koers van 24 januari 2012) € 22.693,00 ten gunste van verdachte op een bankrekening stond. Verdachte heeft daarover ter terechtzitting desgevraagd verklaard dat hij voormeld bedrag niet ten behoeve van de overname van de zaak in 2010 heeft opgenomen, omdat het niet genoeg was. Daarentegen heeft verdachte, aldus zijn verklaring ter terechtzitting, wel in 2010 het contante bedrag van € 100.000,00 van zijn schoonmoeder uit Turkije gehaald, wist hij niet waar zijn schoonmoeder voormeld bedrag in Turkije had laten bewaren/beheren en heeft hij vanwege de kosten geen gebruik willen maken van giraal verkeer. Een en ander wekt naar het oordeel van de rechtbank op zijn minst bevreemding op.

Alles in ogenschouw nemende, komt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaring van verdachte over de herkomst van het bij hem aangetroffen geldbedrag als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven.

Met betrekking tot het door de raadsvrouwe bij pleidooi gedane voorwaardelijke getuigenverzoek om [naam 5] en [naam 6] te horen overweegt de rechtbank het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdediging onvoldoende onderbouwd op welke punten [naam 5] en [naam 6] gehoord zouden moeten worden. Verder is het volgende van belang. Verdachte is geruime tijd uit de voorlopige hechtenis geschorst en heeft voldoende gelegenheid gehad zijn stellingen voor wat betreft de legale herkomst van het onder hem aangetroffen geldbedrag nader te onderbouwen. Hoewel de zaak van verdachte formeel niet is verwezen naar het kabinet RC voor het horen van getuigen, is de verdediging in het kader van het door de RC gedane onderzoek (waaronder het horen van getuigen in het buitenland) in de zaken van de medeverdachten uitgenodigd voor het stellen van vragen en opgeven van onderzoekswensen. Daarvan is door de verdediging in het geheel geen gebruik gemaakt. De verdachte heeft voorts geen verifieerbare gegevens verschaft op punten die eenvoudig te achterhalen moeten zijn geweest en van belang zijn om aan zijn stellingen een begin van geloofwaardigheid te verlenen, zoals bijvoorbeeld- gegevens betreffende de overname door verdachte (en zijn vrouw) van een zaak van [naam 6] ad € 100.000,00 contant, zoals door verdachte is verklaard; maar vooral ook- gegevens betreffende de herkomst van het geld van zijn schoonmoeder [naam 5] , zoals bijvoorbeeld stukken betreffende de overname van de zaak van [naam 5] ad € 69.000,00, stukken betreffende de koop en verkoop van de VW Golf door [naam 5] en stukken betreffende het sparen van een bedrag van € 12.000,00 door [naam 5] en voorts gegevens betreffende het bewaren/beheren van het geldbedrag van [naam 5] ad € 100.000,00 in Turkije.

Mede bezien in het licht van hetgeen hiervoor reeds is overwogen omtrent de geloofwaardigheid van de stelling van verdachte ten aanzien van de herkomt van het geld acht de rechtbank het niet noodzakelijk om alsnog [naam 5] en [naam 6] als getuigen te (doen) horen. Om die reden wordt het daartoe strekkende voorwaardelijke verzoek van de raadsvrouwe afgewezen.

De rechtbank overweegt verder het volgende.

Uit het procesdossier is gebleken dat verdachte contacten heeft gehad met personen in het criminele circuit. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard contacten te hebben gehad met personen die er van zijn verdacht de Opiumwet te hebben overtreden. Verdachte zelf is reeds eerder veroordeeld voor een overtreding van de bepalingen van de Opiumwet. Daarnaast is in de woning van verdachte een aanzienlijke hoeveelheid hennep (feit 3) en een vuurwapen met munitie (feit 4) aangetroffen. Er is aldus sprake van een witwastypologie en gelet op voormelde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien en gelet voorts op de hoogte van het aangetroffen geldbedrag van € 106.775,00, de coupures waaruit dat geldbedrag grotendeels bestond - namelijk coupures die in het normale economische verkeer niet of nauwelijks worden gebruikt - is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag van een misdrijf dat opzettelijk is begaan afkomstig is geweest en dat verdachte daar weet van heeft gehad. Verdachtes stelling dat hij het overgrote deel van het aangetroffen geldbedrag van zijn schoonmoeder had geleend en dat het geldbedrag een legale herkomst had is niet aannemelijk gemaakt, ondanks de gelegenheid die verdachte daartoe heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte vorenbedoeld geldbedrag van € 106.775,00 heeft witgewassen.

4.4.

Het aanwezig hebben van 9 kilo hennep (feit 3) en het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie (feit 4) Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting betoogd dat hetgeen onder 3 en 4 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden op basis van de processen-verbaal omtrent het aantreffen van de hennep en het vuurwapen en munitie, de kennisgeving inbeslagneming en legenda bij de doorzoeking, het expertiseverslag met betrekking tot de hennep en het vuurwapenonderzoek.

Het standpunt van de verdediging Verdachte heeft ter terechtzitting gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht. De raadsvrouwe van verdachte heeft betoogd dat verdachte van het onder 3 en 4 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwijst naar de hiervoor vermelde door de rechtbank vastgestelde feiten, in het bijzonder het op de zolder van de woning van verdachte aantreffen van niet verstopte tassen met daarin gripzakken gevuld met bloemdelen van hennepplanten met een totaalgewicht van 9008 gram en het in de ouderlijke slaapkamer van de woning van verdachte op of in de linnenkast aantreffen van een doosje met daarin een vuurwapen en munitie.

Verdachte heeft omtrent het aantreffen van de hennep in zijn woning bij de politie verwezen naar zijn schuurtje om vervolgens, geconfronteerd met een grotere hoeveelheid aangetroffen hennep, niet meer te verklaren. Verdachte heeft zich omtrent het aantreffen van een vuurwapen en munitie in zijn woning bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting heeft verdachte zich met betrekking tot beide ten laste gelegde feiten eveneens op zijn zwijgrecht beroepen. Ook gevraagd naar een mogelijk verband tussen de hiervoor vermelde tapgesprekken, het aantreffen van het grote contante geldbedrag, de grote hoeveelheid hennep en het vuurwapen met munitie in zijn woning, heeft verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht.

De omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechtbank dit niet in haar overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van de aan hem tenlastegelegde feiten geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de plaats van aantreffen van de hennep – namelijk op de zolder van verdachtes eigen woning, terwijl de tassen daar voor het grijpen stonden - en de hoeveelheid daarvan, in het licht ook van de verklaring van verdachte bij de politie waaruit in ieder geval blijkt dat verdachte van de aanwezigheid van (in ieder geval van enige) hennep op de hoogte is geweest en gelet op de plaats van aantreffen van het vuurwapen met munitie – namelijk in/op de linnenkast van verdachtes eigen slaapkamer - dergelijke redengevende omstandigheden zich in het onderhavige geval voordoen. De rechtbank betrekt ook ten aanzien van deze feiten in haar overwegingen de omstandigheden dat uit het procesdossier is gebleken dat verdachte contacten heeft gehad in het criminele circuit, dat sprake is geweest van versluierd taalgebruik in de hiervoor aangehaalde tapgesprekken, dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard contacten te hebben gehad met personen die er van zijn verdacht de Opiumwet te hebben overtreden, dat verdachte zelf reeds eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en dat er voorts - naast de grote hoeveelheid hennep en het vuurwapen met munitie - een groot contant geldbedrag in de woning van verdachte is aangetroffen.

Nu verdachte geen redelijke ontzenuwende verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van de hennep en het vuurwapen met munitie in zijn eigen woning, acht de rechtbank alles overziende ook het aanwezig hebben van 9 kilo hennep en het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie wettig en overtuigend bewezen.

4.5.

Witwassen van auto’s (feit 5)

De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal de verdachte daarvan vrijspreken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

1. primair.

hij op of omstreeks 18 oktober 2010, te Deventer, een geldbedrag (van 30.000 euro), voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

2 primair

hij op 20 december 2010, te Deventer, een geldbedrag (van 106.775 euro), voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

3.

hij op 20 december 2010 te Deventer opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 9 kilo hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

hij op 20 december 2010 te Deventer een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk CZ, type 75B, met opschrift CZ75B cal. 9Luger) en munitie van categorie III, te weten eenenvijftig patronen (met opschrift S&B 9mm Luger B.F.L. 9mm Luger), voorhanden heeft gehad.

Van het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Feit 1 primair

Witwassen, strafbaar gesteld bij artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2 primair

Witwassen, strafbaar gesteld bij artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3

Handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 1 van de Opiumwet .

Feit 4

Met betrekking tot het wapen:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie , terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet wapens en munitie .

Met betrekking tot de munitie:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet wapens en munitie .

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 STRAFBAARHEID van de VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

8 MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging verzocht een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf dan wel een taakstraf.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht houdt de rechtbank bij het opleggen van de hierna te melden straf rekening met het gegeven dat verdachte bij vonnis d.d. 29 december 2011 van de politierechter te Zwolle-Lelystad straf is opgelegd in verband met het door twee of meer verenigde personen opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en het plegen van diefstal.

Verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag. Witwassen vormt een ernstige bedreiging voor de maatschappij, omdat de integriteit van het financiële en economische verkeer wordt aangetast en het plegen van misdrijven erdoor wordt begunstigd.Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid softdrugs. Softdrugs zijn stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Dit is de reden dat de verstrekking van softdrugs aan banden is gelegd. Door de handelwijze van verdachte wordt dit restrictieve beleid doorkruist. Daarnaast heeft verdachte een vuurwapen en munitie voorhanden gehad waarvan het bezit verboden is, omdat de veiligheid van personen hierdoor ernstig in gevaar kan worden gebracht.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken als uitgangspunt genomen.

Alles overwegende is de rechtbank in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 17 augustus 2012 en de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 27, 33, 33a, 36b, 36c, 57, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht .

9 BESLAG

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd het geldbedrag van € 106.725,00 en de twee in beslag genomen auto’s verbeurd te verklaren en het wapen en de munitie te onttrekken aan het verkeer.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de in beslag genomen geldbedragen terug te geven aan verdachte en voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het op de beslaglijst vermelde geldbedrag, te weten € 106.725,00 moet worden verbeurdverklaard, omdat met betrekking tot dit geldbedrag het onder 2 primair bewezen verklaarde feit is begaan.

De rechtbank is van oordeel dat het op de beslaglijst vermelde pistool en de op de beslaglijst vermelde munitie moeten worden onttrokken aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen verklaarde feit 4 is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de aan hem toebehorende op de beslaglijst d.d. 26 september 2012 vermelde auto’s, te weten een Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken 2] en een Audi A3 met kenteken [kenteken 1] , aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

10 Beslissing

Het onder 5 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

Het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is strafbaar.

Het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

De tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering gebracht.

Beslag

De rechtbank verklaart verbeurd het op de beslaglijst vermelde geldbedrag, te weten € 106.725,00.

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst vermelde pistool en de op de beslaglijst vermelde munitie.

De rechtbank gelast de teruggave van de op beslaglijst vermelde auto’s, te weten een Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken 2] en een Audi A3 met kenteken [kenteken 1] , aan verdachte.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aldus gewezen door mr. G.A. Versteeg, voorzitter, mr. F.E.J. Goffin en mr. A.M. van der Pal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C. van Druten en mr. S.J. Verheij-de Vries als griffiers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 december 2012.

Mr. Verheij-de Vries voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s/paragrafen, betreft dit als zodanig genummerde onderdelen van de stukken van het opsporingsonderzoek van Regiopolitie IJsselland, Regionale Recherche, dossiernummer 04FLD10010 BOERDIJK.

BOB-dossiers behorende bij het BOERDIJK-onderzoek betreffende [naam 1] en [naam 2] , rc-nummers 10/609 en 10/610.

Ordner 18 pagina 4.13.3 en 4.13.4

Ordner 18 pagina 4.13.4 en 4.13.5

Ordner 18 Pagina 4.13.6, 4.13.7 en 4.13.8

Ordner 18 pagina 4.13.7 en 4.13.8

Ordner 18 pagina 4.13.8

Ordner 18 pagina 4.13.9

Ordner 18 pagina 4.13.10 en 4.13.11

Het als bijlage 4 bij het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 31 januari 2012 gesloten proces-verbaal van bevindingen nummer 04FLD10010 Boerdijk gevoegde rekeningafschrift Rabo Ondernemers Pakket d.d. 29 oktober 2010 op naam van [uitzendbureau] Personeelsdiensten te Deventer.

Ordner 3 pagina 3.208 tot en met pagina 3.217

Ordner 18 pagina 4.13.143 en ordner 3 pagina 3.207

Ordner 18 pagina 139 tot en met 141

Bijlage 2 bij aanvullende stukken d.d. 17 juli 2012

Proces-verbaal d.d. 6 maart 2011 opgemaakt door [verbalisant 2] , voorin ordner 18, ongenummerd

Ordner 18 pagina 135 tot en met 138

Ordner 21 pagina 6.144A

Ordner 18 pagina 166 tot en met 171

Ordner 3 pagina 3.208 tot en met pagina 3.217

Het als bijlage 4 bij het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 31 januari 2012 gesloten proces-verbaal van bevindingen nummer 04FLD10010 Boerdijk gevoegde rekeningafschrift Rabo Ondernemers Pakket d.d. 29 oktober 2010 op naam van [uitzendbureau] Personeelsdiensten te Deventer.

Bijlage 1 bij nagekomen proces-verbaal d.d. 31 januari 2012 en ordner 3 pagina 3.83

Bijlage 1 bij nagekomen proces-verbaal d.d. 31 januari 2012 en ordner 3 pagina 3.83

Ordner 3 pagina 3.86 tot en met 3.87

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 januari 2012pagina 2 eerste alinea, ongenummerd

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 31 januari 2012 gesloten proces-verbaal van bevindingen nummer 04FLD10010 Boerdijk, blz 4, laatste alinea.

Het (als bijlage 10 bij het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 31 januari 2012 gesloten proces-verbaal van bevindingen nummer 04FLD10010 Boerdijk gevoegde) door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 27 juni 2011 gesloten proces-verbaal van bevindingen.

Het (afzonderlijk nagezonden) door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 9 juli 2012 gesloten proces-verbaal van bevindingen, blz 2, laatste alinea en het daarachter gevoegde bankafschrift.

Het (als bijlage 10 bij het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 31 januari 2012 gesloten proces-verbaal van bevindingen nummer 04FLD10010 Boerdijk gevoegde) door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 27 juni 2011 gesloten proces-verbaal van bevindingen.

Het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 31 januari 2012 gesloten proces-verbaal van bevindingen nummer 04FLD10010 Boerdijk, blz 4, derde alinea en de daarbij als bijlage 9 gevoegde kleurenkopieën van het bankboekje met bankafschriften.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature