< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Artikel 6 Rijkswet op het Nederlanderschap. Beroep gegrond. Bevestiging van verkrijging van het Nederlanderschap ten onrechte geweigerd. De rechtbank is van oordeel dat deze bepalingen uit het Staatloosheidsverdrag moeten worden aangemerkt als een ieder verbindende bepalingen van internationaal recht, als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet. Uit de verdragstekst volgt niet dat is vereist dat het bevoegd gezag heeft ingestemd met dit duurzaam verblijf. Het bepaalde in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN, voor zover hierin vereist wordt dat de staatloze vreemdeling tenminste drie jaren toelating heeft, had dan ook buiten toepassing moeten worden gelaten, nu deze bepaling in strijd is met een, een ieder verbindende, bepaling van internationaal recht.

Uitspraak



RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 09/2212

Uitspraak

in het geding tussen:

A en B,

wonende te Z,

als wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige C,

eiser,

gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar, advocaat te Rotterdam,

en

de burgemeester van Zwolle,

verweerder.

1. Procesverloop

Op 11 maart 2008 heeft A ten behoeve van zijn minderjarige zoon C een schriftelijke verklaring ter verkrijging van het Nederlanderschap afgelegd.

Bij besluit van 19 maart 2008 heeft verweerder geweigerd om de verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen. Bij brief van 28 april 2008 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 2 november 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij brief van 14 december 2009 heeft eiser hiertegen beroep ingesteld.

Het beroep is op 3 september 2010 behandeld ter zitting. A is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Wassenaar. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A.W. voor ’t Hekke en G.L. Reijersberg.

2. Overwegingen

In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd.

Eiser is op 21 april 2001 geboren in Z. Niet in geschil is dat eisers ouders behoren tot de bevolkingsgroep van staatloze Palestijnen uit Libanon en dat ook eiser sinds zijn geboorte staatloos is. Eiser heeft sinds zijn geboorte ononderbroken in Nederland gewoond.

Door A is op 11 maart 2008, als wettelijk vertegenwoordiger van eiser, een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 6 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), ter verkrijging van het Nederlanderschap, afgelegd.

Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN bepaalt dat na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap verkrijgt:

- de vreemdeling die in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, is geboren, aldaar gedurende een onafgebroken periode van tenminste drie jaren toelating en hoofdverblijf heeft en sedert zijn geboorte staatloos is.

Artikel 6, derde lid, van de RWN bepaalt dat de autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt, aan de hand van de overgelegde stukken de gronden waarop de verklaring berust beoordeelt. Indien aan de vereisten is voldaan, bevestigt zij schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7 en verder van de RWN is de burgemeester aangewezen als autoriteit in de zin van artikel 6, derde lid, van de RWN.

Verweerder heeft de schriftelijke bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap geweigerd, omdat niet voldaan is aan de voorwaarde in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN, dat de vreemdeling tenminste drie jaren toelating dient te hebben. Niet in geschil is dat aan alle overige voorwaarden is voldaan.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de bevestiging van verkrijging van het Nederlanderschap heeft geweigerd. De toelatingseis is in strijd met artikel 1 van het Verdrag van New York, ter beperking van staatloosheid.

De rechtbank stelt vast dat, nu niet in geschil is dat voldaan wordt aan alle in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN genoemde voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap door een schriftelijke bevestiging, behalve de voorwaarde dat de vreemdeling tenminste drie jaren toelating dient te hebben, het geschil beperkt is tot de vraag of deze voorwaarde in strijd is met een, een ieder verbindende, verdragsbepaling, als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet.

De rechtbank stelt voorop dat het Verdrag van New York, ter beperking van staatloosheid (Trb. 1985, 124), hierna te noemen het Staatloosheidsverdrag, bij Rijkswet van 19 december 1984 is goedgekeurd en op 11 augustus 1985 in werking is getreden.

Bij Rijkswet van 21 december 2000 heeft Nederland tevens het Europees Verdrag inzake nationaliteit (Trb. 1998, 149) goedgekeurd. Dit verdrag is op 1 juli 2001 in werking getreden. Nu niet alle staten die partij zijn bij dit verdrag tevens partij zijn bij het Staatloosheidsverdrag, hebben de bepalingen van het Staatloosheidsverdrag hun geldigheid behouden.

Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Staatloosheidsverdrag luidt als volgt:

A Contracting State shall grant its nationality to a person born in its territory who would otherwise be stateless. Such nationality shall be granted:

(b) Upon an application being lodged with the appropriate authority, by or on behalf of the person concerned, in the manner prescribed by the national law. Subject to the provisions of paragraph 2 of this article, no such application may be rejected.

Artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van het Staatloosheidsverdrag luidt als volgt:

A Contracting State may make the grant of its nationality in accordance with subparagraph (b) of paragraph 1 of this article subject to one or more of the following conditions:

(b) That the person concerned has habitually resided in the territory of the Contracting State for such period as may be fixed by that State, not exceeding five years immediately preceding the lodging of the application nor the ten years in all.

De rechtbank is van oordeel dat deze bepalingen uit het Staatloosheidsverdrag moeten worden aangemerkt als een ieder verbindende bepalingen van internationaal recht, als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet. De verdragsbepalingen bevatten een onvoorwaardelijk en nauwkeurig omschreven recht en zij zijn voldoende helder en concreet om in de nationale rechtsorde als zelfstandige rechtsnorm te kunnen functioneren. Aangenomen moet dan ook worden dat deze bepalingen uit het Staatloosheidsverdrag rechtstreekse werking hebben.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de voorwaarde in in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN, dat de vreemdeling tenminste drie jaren toelating dient te hebben, in overeenstemming is met voornoemde bepalingen van het Staatloosheidsverdrag. Van bestendig verblijf (habitual residence) kan slechts sprake zijn, indien het bevoegd gezag hiermee heeft ingestemd.

De rechtbank is van oordeel dat de toelatingseis niet kan worden ingelezen in het bepaalde in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van het Staatloosheidsverdrag. De uitdrukking habitually resided, in de authentieke Engelse verdragstekst, duidt er op dat sprake dient te zijn van een situatie waarin iemand duurzaam in Nederland verblijft en hier te lande zijn maatschappelijk leven heeft ontwikkeld. Uit de verdragstekst volgt niet dat hiervoor is vereist dat het bevoegd gezag heeft ingestemd met dit duurzaam verblijf. Het bepaalde in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN, voor zover hierin vereist wordt dat de staatloze vreemdeling tenminste drie jaren toelating heeft, had dan ook buiten toepassing moeten worden gelaten, nu deze bepaling in strijd is met een, een ieder verbindende, bepaling van internationaal recht.

Het bestreden besluit berust dan ook, in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, niet op een deugdelijke motivering en dient te worden vernietigd.

Het beroep is daarom gegrond.

De rechtbank ziet tevens aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn, op basis van toekenning van 1 punt voor het beroep en 1 punt voor de behandeling ter zitting, begroot op € 874,-- , als kosten van verleende rechtsbijstand.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- gelast verweerder om, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar te beslissen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op € 874,--;

- gelast dat de gemeente Zwolle aan eiser het door hem betaalde griffierecht, ten bedrage van € 150,--, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A. van der Weij als griffier, op

Afschrift verzonden op:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature