< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

in conventie:

gedaagde is niet aansprakelijk voor het niet afdragen van verzekeringspremie door tussenpersoon aan eiser. Vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad afgewezen.

in reconventie: opzegging van verzekeringen (afgesloten met derden) door gedaagde bij uitblijven van premiebetaling is niet onrechtmatig jegens eiser. Vordering tot schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK UTRECHT

252721 / HA ZA 08-1542 17 maart 2010

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 252721 / HA ZA 08-1542

Vonnis van 17 maart 2010

in de zaak van

de naamloze vennootschap

EUROPEESCHE VERZEKERING MAATSCHAPPIJ,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.M. van Noort

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[H BV].,

gevestigd te Leersum,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[J] (A.C.I.) B.V.,

gevestigd te Leersum,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[H] BEHEER B.V.,

gevestigd te Leersum,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. M.R. Ruygvoorn

Partijen zullen hierna EVM en [H] c.s., [H], en [H] Beheer genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 5 november 2008;

• de conclusie van antwoord in reconventie, tevens conclusie van repliek in conventie;

• het proces-verbaal van comparitie van 12 maart 2009;

• de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie;

• de conclusie van dupliek in reconventie;

• de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [H] Nederland B.V. en [J] A.C.I (hierna gezamenlijk aangeduid als: [H]) hielden zich ten tijde in geding beiden bezig met – onder meer – groothandel van caravans. [H] beheer B.V. was enig aandeelhouder en bestuurder van beide vennootschappen.

2.2. Fintrass Nederland B.V. in oprichting en Fintrass Nederland B.V. opgericht op 15 mei 2001 (hierna gezamenlijk aangeduid als: Fintrass) hield zich bezig met bemiddeling bij de totstandkoming van financieringen en verzekeringen. [A] (hierna: [A]) en [B] (hierna: [B]) waren bevoegde vertegenwoordigers van Fintrass.

2.3. [A] en [B] waren voorts aandeelhouders en bestuurders van [A] Recreatie B.V. (hierna [A] Recreatie) en [A] Assurantie B.V. (hierna: [A] Assurantie).

2.4. EVM is een verzekeringsmaatschappij. EVM had aan [A] Recreatie een volmacht verleend op grond waarvan zij bevoegd was om namens EVM verzekeringen af te sluiten, verzekeringen te prolongeren en schades af te wikkelen.

2.5. In de loop van 2000 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen Fintrass en [H] betreffende een plan voor verkoop en financiering van caravans aan particulieren, het zogenoemde “Alles-In-Een-Plan”.

2.6. In de laatste week van oktober 2000 is het Alles-In-Een-Plan gepresenteerd tijdens de RAI-publieksbeurs en is een aanvang gemaakt met de verkoop van caravans op basis van dit plan.

2.7. [H] en Fintrass zijn op 8 december 2000 een samenwerkingsovereenkomst (hierna: de samenwerkingsovereenkomst) aangegaan In de samenwerkingsovereenkomst is voor zover hier van belang het volgende overeengekomen:

“Artikel 1 (…)

De samenwerking behelst dat aan een geïnteresseerde tot aankoop van een caravan van [H] en/of [J] ACI wordt aangeboden dat hij/zij financiering van Fintrass van het aankoopbedrag tot een maximum van hfl 50.000,00 kan krijgen welk gefinancierd bedrag in 60 termijnen wordt afbetaald, plus een all risk verzekering op basis van nieuwwaarde voor de duur van 60 maanden, plus kwijtschelding restschuld bij overlijden van de koper voor diens 60-jarige leeftijd tot een maximum van hfl 25.000,00 en daaraan gekoppeld van [H] of [J] ACI (naar gelang van wie de caravan afkomstig is) volledige garantie gedurende 60 maanden, waarvan 36 maanden aansluitend verleend door Fintrass Nederland B.V. op de door fabrikant verleende garantie van 24 maanden (…).

Voor het verkrijgen van die voordelen tezamen (hierna te noemen “het pakket”) dient de koper bij het sluiten van de koop van de bewuste caravan een eenmalig bedrag te voldoen pro hfl 2.500,00 inclusief BTW.

De koper kan niet opteren voor vermindering van het bedrag pro hfl 2.500,00 tegenover het niet nemen van een of meer van genoemde mogelijkheden, het pakket is een en ondeelbaar. De bewuste hfl. 2.500,00 kan niet onderdeel zijn van het te financieren bedrag, maar moet afzonderlijk door de koper worden voldaan, ofwel in contanten ofwel door inruil van een andere caravan met die waarde

(…).

Artikel 3 Wederzijdes verplichtingen:

(…)

c. gezamenlijke verplichtingen:

(…) [H] of [J] ACI geldt als contractpartner van de koper voor de garanties, Fintras geldt als contractspartner van de koper betrekkelijk financiering, kwijtschelding restschuld en verzekering en de dealer is contractspartij van de koper betrekkelijk jaarlijks onderhoud en gegarandeerde inruilprijs. Fintrass betaalt hfl. 750,00 provisie aan de dealer zodat door Fintrass op het aan de dealer te financieren aankoopbedrag wordt ingehouden de somma van hfl. 1.750,00. De dealer behoudt het door de klant betaalde bedrag pro hfl. 2.500,00. (…)

Artikel 5 Geheimhouding

Partijen verklaren nadrukkelijk dat zij met gebruikmaking van de door Fintrass aangeboden financiering en verzekering methodieken slechts met elkander activiteiten wensen te ontplooien en transacties wensen aan te gaan, zodat het geen der partijen vrij staat met anderen gelijke of vergelijkbare arrangementen in Nederland aan te gaan. Partijen zullen in verband hiermede volstrekte geheimhouding betrachten tegenover derden met betrekking tot hun in deze overeenkomsten aangegane zakelijke betrekking en met betrekking tot de financiering en verzekering-methodieken zoals door Fintrass in deze overeenkomst bedoeld en aangeboden. De in dit artikel bedoelde geheimhoudingsverplichting zal ook na be ëindiging van de onderhavige overeenkomst voortduren ten aanzien van alle informatie, welke [H] in het kader van de totstandkoming en uitvoering van dezelve bekend is geworden en waarvan het vertrouwelijk karakter uitdrukkelijk is aangegeven dan wel redelijkerwijs kan worden aangenomen.

(…)

Artikel 7 geldigheidsduur en be ëindiging

(…)

Indien Fintrass om wat voor reden dan ook niet meer kan voldoen aan haar verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst of daarop steunende overeenkomsten dan zullen die verplichtingen in samenspraak met [H] en/of [J] ACI overgenomen moeten worden door de respectievelijke verzekeringsmaatschappij(en). Fintrass moet het tot zodanige overname dan leiden.

2.8. In totaal zijn ongeveer 1650 caravans verkocht onder het het Alles-In-Een-Plan. De verzekeringen van de verkochte caravans zijn via [A] Recreatie ondergebracht bij EVM.

2.9. Fintrass is er niet in geslaagd de financiering voor de verkochte caravans rond te krijgen.

2.10. In een brief van 9 februari 2001 aan [A] Recreatie heeft [H] het volgende meegedeeld:

“Wellicht ten overvloede wil ik u bij deze wijzen op de samenwerkingsovereenkomst tussen fintrass Nederland BV. en [H] Nederland B.V./[J] A.C.I. B.V. Waarin expliciet staat vermeld dat het u zonder toestemming van [H] Nederland B.V./[J] A.C.I.B.V. niet is toegestaan om het Alles-In-Een-Plan of gedeelten daarvan aan deden te openbaren of inzage te verstekken in de achterliggende samenwerkingsverbanden. Derhalve kunnen en willen wij uw verzoek tot versrtekking van financiële gegevens aan de verzekeraar van de caravans niet honoreren

Tussen partijen is overeengekomen dat u zorg dient te dragen voor qua inhoud en uitvoering perfecte verzekeringen bij –A-maatschappijen. U draagt ook zorg voor tijdige en volledige afdracht van aan u verstrekte premie-gelden en regelt en begeleidt de schadegevallen (…) ”

2.11. Op 22 maart 2001 is de samenwerkingsovereenkomst ontbonden. Bij fax van 22 maart 2001 heeft (de raadsman van) [H] aan Fintrass het volgende meegedeeld:

“bij deze leg ik vast dat U tijdens de bespreking van hedenochtend te mijnen kantoor accoord ging met onmiddellijke beëindiging van de tussen cliënten ([H] Nederland B.V. en [J] A.C.I. B.V.) en Uw onderneming gesloten samenwerkingsovereenkomst zulks naar aanleiding van het door Uw onderneming tot heden niet kunnen arrangeren van financiering. Daarbij is afgeproken/verstaan dat u tot nader order de al afgeleverde caravans in verzekering houdt , (…) Omtrent de verzekeringskosten zult U zo spoedig mogelijk zo spraken wij af, schriftelijk voorstel doen”

2.12. Na de ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst heeft [H] in maart 2001 de financiering van de verkochte caravans ondergebracht bij de IDM bank.

2.13. Op 28 maart 2001 hebben [A] en [B] de volgende schriftelijke verklaring ondertekend:

“Bij deze leggen wij vast in onze hoedanigheid van bestuurders van [A] Assurantie B.V. respectievelijk [A] Recreatie B.V. dat deze vennootschappen elke caravan van de 1494 caravans waarover tot heden een overeenkomst is gesloten in het kader van het Alles-In-Een-Plan verzekeren en verzekerd houden conform de polisvoorwaarden Caravanverzekering als aan deze vastlegging gehecht en conform de met elke afzonderlijke klant gesloten duur.

Terzake zal geen enkele factuur worden verzonden betrekkelijk verzekerigspremies en/of –opslagen etc., derhalve noch aan KNAUS Nederland B.V. noch aan [J] A.C.I., noch aan de respectieve dealer noch aan de respectieve klant, noch zullen wij op andere wijze ter zake bedragen incasseren bij genoemden”

2.14. Bij vonnis van 29 november 2001 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar de vordering van [H] tot veroordeling van [A] Assurantie B.V. [A] Recreatie B.V. en [A] en [B] tot afgifte van een bankgarantie om – kort gezegd – de premiebetaling voor de caravanverzekeringen zeker te stellen, afgewezen.

2.15. Bij brief van 10 oktober 2001 heeft EVM de volmacht van [A] Recreatie om nieuwe verzekeringen af te sluiten met ingang van die datum beëindigd. De volmacht om bestaande verzekeringen te prolongeren is later, in 2002, ingetrokken.

2.16. Bij vonnis van 10 januari 2002 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar [A] Assurantie B.V. [A] Recreatie B.V. en [A] en [B] bij verstek veroordeeld schriftelijke bescheiden aan [H] te verstrekken waaruit blijkt dat zij al of niet tezamen in staat zullen zijn de premie voor de verzekering voor de 1650, althans 1494 caravans voor het jaar 2002 te betalen. Aan deze veroordeling is niet voldaan.

2.17. Bij brief van 28 januari 2002 heeft [H] EVM benaderd om informatie te verkrijgen omtrent de via [A] Assurantie B.V. dan wel [A] Recreatie B.V. gesloten verzekeringen. [H] heeft daarbij verwezen naar het vonnis van de voorzieningenrechter van 10 januari 2002.

2.18. Op 5 februari 2002 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen EVM en [H]. In de periode mei 2002 tot en met september 2002 hebben vervolgbesprekingen plaatsgevonden.

2.19. Bij vonnis van 27 juni 2002 is het faillissement uitgesproken van [A] Assurantie B.V. en [A] Recreatie B.V.

2.20. In september 2002 heeft EVM aan de polishouders van de caravanverzekering de verzekering per de eerstkomende premievervaldag schriftelijk opgezegd.

2.21. Na opzegging van de caravanverzekeringen door EVM heeft [H] deze ondergebracht bij verzekeringsmaatschappij Helviass.

2.22. Bij brief van 7 januari 2003 heeft [H] aan EVM meegedeeld dat de opzegging ongegrond is en dat zij EVM aansprakelijk stelt voor de schade die de polishouders hebben geleden als gevolg van het feit dat zij bij een andere verzekeringsmaatschappij hun verzekering hebben moeten inkopen.

2.23. Op 12 november 2003 hebben EVM en [A] en [B] een samenwerkingsovereenkomst gesloten betreffende een procedure tot schadeverhaal tegen [H] c.s. . In dat kader hebben partijen akten van cessie getekend tot overdracht van de schadevordering van [A] en [B] aan EVM betreffende de door [A] Assurantie B.V. en [A] Recreatie B.V. geleden geschade vanwege het Alles-In-Een-Plan.

2.24. Bij verzoekschriften van 2 februari 2005 en 24 februari 2005 hebben EVM onderscheidenlijk [A] en [B] de rechtbank Utrecht verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. De verzoeken zijn gevoegd behandeld. In het kader van het voorlopig getuigenverhoor zijn naast [A] de volgende personen gehoord als getuige:

[C], directeur van EVM;

[D] (hierna: [D]), hoofd volmachten van EVM;

[E], voormalig financieel adjunct directeur van EVM;

[F] (hierna: [F]), directeur van [H];

[G] (hierna: [G]), controller van EVM[H], directeur van [H] KG Duitsland.

3. Het geschil

In conventie

3.1. EVM vordert bij voor zover mogelijk bij voorraad uitvoerbaar vonnis, [H] Nederland, [J] en [H] Beheer hoofdelijk - zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd – te veroordelen

1. primair een bedrag te betalen van € 631.721,47 (inclusief de wettelijke rente tot de datum van dagvaarding) vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf datum dagvaarding tot aan de dag van betaling;

2. subsidiair een bedrag van € 623.670,47 (inclusief wettelijke rente tot de datum van dagvaarding) vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf datum van dagvaarding tot aan de dag van betaling;

3. primair en subsidiair de schade te betalen - nader op te maken bij staat - geleden door [A] recreatie ter zake waarvan het vorderingsrecht op grond van de akte van cessie van december 2006 toekomt aan EVM en,

4. de kosten van dit geding te betalen, waaronder - maar niet beperkt tot - de door EVM betaalde taxe in het kader van de voorlopige getuigenverhoren, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,00 zonder betekening, dan wel € 199,00 in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na-)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn.

3.2. [H] c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In reconventie

3.3. [H] c.s. vordert na vermeerdering van eis, bij voor zover mogelijk bij voorraad uitvoerbaar vonnis, EVM te veroordelen aan [H] te betalen een bedrag van € 563.323,00 vermeerderd met kosten volgens het rapport voorwerk 2, althans kosten rechtens.

3.4. EVM voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

In conventie

4.1. EVM legt aan haar vorderingen sub 1 en 2 ten grondslag dat [H] c.s. onrechtmatig ten opzichte van haar heeft gehandeld doordat [H] uitvoering heeft gegeven aan het Alles-In-Een-Plan in de wetenschap dat de financiering van het plan niet rond was, EVM niet (tijdig) heeft geïnformeerd over de zorgwekkende ontwikkelingen met betrekking tot het Alles-In-Een-Plan en zich ten onrechte het entreegeld heeft toegeëigend, terwijl deze aanbetalingen (onder andere) bestemd waren voor betaling van de verzekeringspremie. Door zo te handelen heeft [H] volgens EVM een belangrijk deel van het tekort ontstaan uit het Alles-In-Een-Plan, dat voor risico van [H] kwam, onrechtmatig afgewenteld op EVM. Het onrechtmatig handelen van [H] Beheer bestaat erin dat zij als 100% aandeelhouder en zelfstandig bevoegd bestuurder van [H] heeft bijgedragen aan (dan wel haar dochtervennootschappen niet heeft weerhouden van) het onrechtmatig handelen. EVM stelt dat [H] c.s. vanwege deze gedragingen aansprakelijk is voor de door haar geleden schade die zij begroot op:

- € 631.721,47 vanwege uitgekeerde schaden terwijl daar geen premie-inkomsten tegenover stonden en

- € 623.670,47 wegens gederfde premie-inkomsten.

4.2. [H] c.s. stelt dat [H] weliswaar 100% dochter is van [H] Beheer, maar dat [H] Beheer voor het overige buiten het Alles-In-Een-Plan staat. De vordering jegens [H] Beheer is volgens haar dan ook niet-ontvankelijk. Voorts heeft [H] c.s. de stellingen van EVM inhoudelijk betwist.

4.3. Aan haar vordering sub 3 legt EVM ten grondslag dat [H] toerekenbaar tekort is geschoten, althans onrechtmatige heeft gehandeld jegens [A] Recreatie. Zij stelt daartoe dat [A] Recreatie op 22 maart 2001 de samenwerkingsovereenkomst heeft beëindigd zonder de tot die datum verschuldigde premies aan Fintrass althans [A] Recreatie af te dragen. [H] handelt hiermee in strijd met de samenwerkingsovereenkomst waarin was bepaald dat een deel van de entreebetalingen was bestemd voor verzekeringpremies. Na ontbinding van de Samenwerkingsovereenkomst op 22 maart 2001 heeft [H] - ondanks haar toezeggingen - geen uitvoering gegeven aan een nieuw plan, althans [A] Recreatie daarbij niet betrokken. Evenmin heeft [H] ooit enig bedrag betaald voor het in verzekering houden van de caravans door [A] Recreatie. [A] Recreatie heeft als gevolg van dit handelen schade geleden bestaande uit misgelopen provisies en premie-inkomsten en vanwege de door haar op eigen kosten betaalde schades aan verzekerden. Dit heeft uiteindelijk op 27 juni 2002 tot het faillissement van [A] Recreatie geleid. Het onrechtmatig handelen van [H] Beheer bestaat erin dat zij als 100% aandeelhouder en zelfstandig bevoegd bestuurder van [H] heeft bijgedragen aan (dan wel haar dochtervennootschappen niet heeft weerhouden van) het onrechtmatig handelen. EVM stelt dat zij op grond van cessie gerechtigd is om de bovengenoemde vorderingen wegens schadevergoeding op [H] c.s. te verhalen.

4.4. [H] c.s. heeft gemotiveerd betoogd dat EVM niet ontvankelijk is in haar vordering voor zover deze de beweerdelijk geleden schade van [A] recreatie betreft, aangezien deze vordering - kort samengevat - niet rechtsgeldig aan haar is gecedeerd. Voorts heeft zij de stellingen van EVM inhoudelijk betwist.

4.5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de samenwerkingsovereenkomst en hetgeen partijen hebben verklaard blijkt dat [H] en Fintrass bij de verkoop van een caravan op grond van het Alles-In-Een-Plan de volgende gang van zaken hebben beoogd:

De consument sluit de koopovereenkomst voor een caravan met een van de dealers die tot het netwerk van [H] behoort. Daarbij verschaft hij op een voorgedrukt formulier informatie betreffende zijn financiële situatie. Op voorwaarde dat zij de financiële situatie akkoord heeft bevonden, financiert Fintrass het aankoopbedrag tot f. 50.000,00. Om gebruik te kunnen maken van de in artikel 1 van de samenwerkingsovereenkomst genoemde voordelen van het Alles-In-Een-Plan (het “pakket”) betaalt de consument, naast het gefinancierde aankoopbedrag, een “entreegeld” van f. 2.500,00. Dit bedrag betaalt hij rechtstreeks aan de dealer. Van deze f. 2.500,00 is een bedrag van f. 750,00 bedoeld als bonus voor de dealer. Fintrass voldoet aldus aan de dealer binnen 10 dagen het aankoopbedrag verminderd met f. 1.750,00 (het verschil tussen het entreegeld van f. 2.500,00 en de bonus van f. 750,00). De consument betaalt in 60 termijnen het gehele aankoopbedrag aan Fintrass.

4.6. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de gang van zaken bij de verkochte caravans onder het Alles-In-Een-Plan feitelijk zo is geweest dat de kopers die voor een financiering in aanmerking wilden komen, hetgeen bij vrijwel alle kopers het geval was, een informatieformulier hebben ingevuld, dat Fintrass deze formulieren heeft beoordeeld en geaccordeerd en dat de kopers het entreebedrag van f. 2.500,00 aan de dealers hebben betaald. De aankoopbedragen zijn echter niet via Fintrass gefinancierd, maar via de door [H] ingeschakelde IDMbank. [A] Recreatie heeft de verzekeringen van de aangekochte caravans ondergebracht bij EVM. Aan de consumenten zijn polisbladen van deze verzekering verstrekt, waarop is vermeld dat zij geen premie verschuldigd zijn.

de primaire vordering (1) tot vergoeding van de door EVM geleden schade

4.7. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat EVM schade heeft geleden doordat voor de verzekering van de onder het Alles-In-Een-Plan verkochte caravans aan haar geen premies zijn betaald, terwijl daar wel dekking tegenoverstond en zij schadebedragen heeft uitbetaald. Aan de orde is de vraag of het onbetaald blijven van deze premies en de aldus geleden schade het gevolg is van het onrechtmatig handelen van [H] jegens EVM.

4.8. In het betoog van EVM zijn de volgende - beweerdelijk onrechtmatige - gedragingen van [H] jegens EVM te onderscheiden:

- het vroegtijdig uitvoering geven aan de overeenkomst;

- het handelen van [H] als gevolg waarvan EVM geen premie heeft ontvangen;

- het onthouden van informatie aan EVM.

De rechtbank zal genoemde gedragingen en het verweer daartegen van [H] c.s. puntsgewijs beoordelen.

het vroegtijdig uitvoering geven aan de samenwerkingsovereenkomst

4.9. EVM betoogt dat [H] gevaarzettend, roekeloos althans onzorgvuldig jegens haar heeft gehandeld door, nog voordat de samenwerkingsovereenkomst was gesloten en terwijl zij wist dat er geen zekerheid bestond omtrent de financiering, via haar netwerk ruim 1650 caravans met daaraan gekoppelde verzekeringen te verkopen. Nu [H] er van op de hoogte was dat haar contractspartner Fintrass - conform de samenwerkingsovereenkomst - via [A] Recreatie caravanverzekeringen liet afsluiten bij EVM, wist zij dat EVM grote schade zou lijden als de financiering van het Alles-In-Een-Plan niet zou lukken. [H] heeft echter geen adequate voorzorgsmaatregelen getroffen om de risico's van een niet gefinancierd plan weg te nemen, aldus EVM.

4.10. [H] c.s. verweert zich door te stellen dat het op grond van de samenwerkingsovereenkomst de taak van [H] was om via haar dealernetwerken de caravans te verkopen en dat Fintrass voor de financiering en de verzekering zou zorgdragen. Zij heeft er in dat verband op gewezen dat er voor [H], gelet op de besprekingen voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, geen aanleiding bestond om te veronderstellen dat de financiering niet tijdig rond zou komen. Volgens [H] c.s. was het bovendien niet risicovol om reeds in oktober 2000 een aanvang te maken met de uitvoering van het Alles-In-Een-Plan, aangezien de in oktober/november 2000 verkochte caravans pas in maart 2001 geleverd zouden worden. Zij verwijst voorts naar de door haar overgelegde correspondentie tussen Fintrass en “Mammonas GmbH Unternehmensberatung” (hierna: Mammonas) van begin februari 2001.

4.11. Naar het oordeel van de rechtbank kan de omstandigheid dat [H] uitvoering heeft gegeven aan het Alles-In-Een-Plan voordat de samenwerkingsovereenkomst was ondertekend, niet leiden tot de daaraan door EVM verbonden conclusie dat [H] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld. Aan dit oordeel ligt het volgende ten grondslag. Niet in geschil is dat in 2000 overleg heeft plaatsgevonden tussen Fintrass en [H] over het Alles-In-Een-Plan. Betreffende de financiering van het Alles-In-Een-Plan heeft [A] verklaard: “(…) de calculatie voor het Alles-In-Een-Plan hebben wij zelf gedaan. Daarmee bedoel ik [B] ik en derden. De financiering zou geregeld worden door Fintrass en de rente daarvoor zat in het maandbedrag van de klant. Dat was een vrij lage rente die vrij kwam door de wijze van financieren via de bank. Dat is allemaal doorgerekend door accountants (…)” en [F] heeft verklaard: “(…) Ook [A] en [B] gaven uitleg in grote lijnen over dit plan. Zij zeiden dat er een bepaalde som beschikbaar was van Germania Investment Corporation in Amerika. Dit bedrag zou 50/50 gesplitst moeten worden. Een deel voor commerciële doeleinden en een deel voor een economisch of humanitair doel. De constructie die zij voorstelden hield onder meer in dat de consument geen rente over het geleende bedrag hoefde te betalen (…)” Uit deze verklaringen leidt de rechtbank af dat Fintrass en [H] in het kader van het overleg voorafgaand aan het ondertekenen van de samenwerkingsovereenkomst over de financieringsplannen van Fintrass hebben gesproken. Gelet hierop mocht [H] er in beginsel op vertrouwen dat Fintrass voor de financiering zou zorgdragen en was nader onderzoek door haar naar de financieringsmogelijkheden (hetgeen immers de taak van Fintrass was) niet noodzakelijk. Partijen waren het eens over de inhoud van de samenwerkingsovereenkomst die vervolgens op 8 december 2000 is ondertekend. De voor de datum van ondertekening verrichte verkopen waren ook in overeenstemming met hetgeen in de samenwerkingsovereenkomst was overeengekomen. Voor deze verkopen heeft Fintrass - eveneens in overeenstemming met de samenwerkingsovereenkomst - via [A] Recreatie de verzekeringen met EVM tot stand gebracht, hetgeen als signaal kan worden opgevat dat zij akkoord ging met deze verkopen. Indien zij, vanwege onzekerheid over de financiering, van mening was dat deze verkopen niet dienden plaats te vinden had het op haar weg gelegen [H] daarover te informeren en haar op de consequenties voor de verzekeringen te wijzen. Uit het voor akkoord tekenen door Fintrass van de bij aankoop door de consumenten te verstekken financiële gegevens, kon [H] eveneens afleiden dat Fintrass zich niet verzette tegen de verkoop. Ook overigens is niet gebleken dat Fintrass concreet naar voren heeft gebracht dat niet tot verkoop mocht worden overgegaan. Onder deze omstandigheden mocht [H] erop vertrouwen dat Fintrass er voor zou zorgdragen dat de financiering van de verkochte caravans tijdig rond zou zijn. Dit werd nog eens bevestigd door de door [H] c.s. overgelegde correspondentie tussen Mammonas en Fintrass. Zo garandeert Mammonas in het faxbericht van 2 februari 2001 aan Fintrass dat “het krediet uiterlijk op 9 februari 2001 op uw RABOrekening zal zijn bijgeschreven”, informeert zij Fintrass in een faxbericht van 8 februari 2001 over de coördinaten van een transfer van West AmericanBank naar haar rekening bij de Dresner Bank AG en in een faxbericht van 9 februari 2001 over de coördinaten van de transfer van het krediet naar de Rabobank van Fintrass. De constatering achteraf dat de in het kader van de samenwerkingsovereenkomst in het vooruitzicht gestelde financiering niet tot stand is gekomen is in dat licht onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat [H] tegen beter weten in met de verkoop van caravans onder het Alles-In-Een-Plan is aangevangen. Dat zij in dat opzicht onrechtmatig heeft gehandeld jegens EVM is niet komen vast te staan.

het handelen van [H] als gevolg waarvan EVM geen premie heeft ontvangen

4.12. EVM stelt dat [H] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door zich de door de consumenten als entreegeld betaalde f 2.500,00 alsmede de daarop volgende maandtermijnen toe te eigenen, terwijl het op dat moment voor haar duidelijk was dat EVM geen premies zou ontvangen en er voor de verkochte caravans wel dekking was verleend. Volgens EVM strekte het entreegeld (na aftrek van f 750,00 voor de desbetreffende dealer) mede tot de betaling van premies aan EVM. [H] heeft dus actief bewerkstelligd dat aan EVM niets is betaald. Voor de periode na beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst stelt EVM dat [H] c.s. zich ten onrechte op de afspraak tussen [A] Recreatie en [H] beroept. Onder verwijzing naar de verklaring van [A] stelt EVM dat deze afspraak onder druk van [H] tot stand is gekomen en dat [A] en [B] slechts hebben getekend omdat deelname was toegezegd aan een nieuw financieringsplan waaruit premiegelden konden worden gegenereerd. EVM stelt voorts dat zij geen partij was bij deze afspraak en dat het niet nakomen daarvan door [A] Recreatie in de risicosfeer van [H] ligt.

4.13. [H] c.s. verweert zich door te stellen dat de door EVM geleden schade als gevolg van het onbetaald blijven van de premies niet het gevolg is van het handelen van [H], maar door [A] Recreatie is veroorzaakt. Onder het Alles-In-Een-Plan zou [A] Recreatie immers premies afdragen en schadeafwikkeling betalen. [A] Recreatie zou daarvoor geld ontvangen van Fintrass. [H] c.s. stelt dat Fintrass op grond van het plan geen geld zou krijgen van [H] of van enige dealer. Zij wijst erop dat het entreegeld van f 2.500,00 niet was bedoeld om premies te betalen. Ook [A] Recreatie zou in de opzet van het Alles-In-Een-Plan geen enkel bedrag van [H], de dealer of de consument betaald krijgen. Voorts veranderde er, gelet op de afspraak van 28 maart 2001 met [A] Recreatie, voor [H] na beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst niets wat betreft de premiebetaling. [H] c.s. stelt dat [H] tot februari 2002 ook geen aanleiding had om eraan te twijfelen dat de premies niet volgens deze afspraak door [A] Recreatie zouden zijn voldaan. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst [H] c.s. naar een brief van [A] Assurantie van 8 oktober 2001 betreffende “Bankgarantie inzake caravanpremies”, het vonnis in kort geding van 29 november 2001, een brief van de gemachtigde van [A] van 7 december 2001 en het vonnis in kort geding van de rechtbank Alkmaar van 10 januari 2002.

4.14. Naar het oordeel van de rechtbank treft het betoog van EVM dat [H] zich onrechtmatig en ten koste van premiebetaling de entreegelden en maandtermijnen heeft toegeëigend geen doel. Zoals ook [H] c.s. betoogt voorzag de samenwerkingsovereenkomst niet in enige betaling door [H] aan Fintrass. Na financiering diende de consument immers zijn maandelijkse termijnen aan Fintrass te voldoen, de verkopende dealer behield het door de consument betaalde entreegeld en Fintrass kon het haar toekomende deel daarvan verrekenen met het door haar gefinancierde aankoopbedrag.

4.15. Op grond van de samenwerkingsovereenkomst diende Fintrass zorg te dragen voor het afsluiten van de verzekering en de premiebetaling daarvan. Fintrass heeft de keuze gemaakt dit via [A] Recreatie te doen en [A] Recreatie heeft de keuze voor EVM als verzekeraar gemaakt. Tussen [H] en [A] Recreatie bestond geen overeenkomst. Zolang de samenwerkingsovereenkomst van kracht was mocht [H] er in beginsel op vertouwen dat Fintrass aan haar verplichtingen uit deze overeenkomst zou voldoen. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat het niet voldoen van de verschuldigde premies aan EVM het gevolg is van onrechtmatig handelen van [H] jegens haar. Uit de brief van 9 februari 2001 waarin [H] [A] Recreatie rechtstreeks wijst op haar verplichting tot premieafdracht kan weliswaar worden afgeleid dat er bij [H] twijfels ontstonden betreffende de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst door Fintrass, maar dat heeft niet tot gevolg dat zij op grond daarvan jegens EVM verantwoordelijk zou zijn voor de betaling van de premies of aansprakelijk indien premiebetaling zou uitblijven. [H] heeft op basis van de ontstane twijfel actie ondernomen die er – onder meer – in heeft geresulteerd dat de samenwerkingsovereenkomst werd ontbonden.

4.16. Na ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst was Fintrass bevrijd van haar verplichting zorg te dragen voor de premiebetaling door [A] Recreatie. Na een gesprek met [H] op 28 maart 2001 hebben [A] en [B] echter in hun hoedanigheid van directeuren van [A] Assurantie B.V. en [A] Recreatie B.V. de verklaring ondertekend dat hun vennootschappen “ elke caravan van de 1494 caravans waarover tot heden een overeenkomst is gesloten in het kader van het Alles-In-Een-Plan te verzekeren en verzekerd houden conform de polisvoorwaarden Caravanverzekering als aan deze vastlegging gehecht en conform de met elke afzonderlijke klant gesloten duur” Op grond van deze afspraak rustte de verplichting tot premiebetaling dus rechtstreeks op [A] Recreatie. Voor zover EVM heeft willen betogen dat bij het ondertekenen van deze afspraak sprake was van dwang, dwaling of bedrog heeft zij dit onvoldoende onderbouwd. De omstandigheid dat [A] Recreatie en [A] Assurantie niet werden bijgestaan door een advocaat is daarvoor onvoldoende. De stelling van EVM dat zij deze afspraak slechts hebben ondertekend vanwege toezeggingen van [H] op grond waarvan zij verwachtten dat zij premie-inkomsten zouden ontvangen uit een nieuw op te zetten financieringsplan waarin [A] Recreatie en/of [A] Assurantie betrokken zou worden blijkt niet uit enig schriftelijk stuk. Anders dan EVM betoogt kan uit de opzeggingsbrief van 22 maart 2001 aan Fintrass waarin (de gemachtigde van) [H] heeft toegevoegd “Omtrent de verzekeringskosten zult u zo spoedig mogelijk, zo spraken wij af, schriftelijk voorstel doen” een zodanige toezegging ook niet worden afgeleid. Dit nog daargelaten dat deze brief is gericht aan Fintrass en niet aan [A] Recreatie en/of [A] Assurantie. Aan de verklaring van [A] terzake kent de rechtbank geen doorslaggevend belang toe. Daarbij is in aanmerking genomen dat [A] Recreatie en/of [A] Assurantie ook niet naderhand hebben getracht de afspraak van 29 maart 2001 aan te tasten wegens het ontbreken van wilsovereenstemming. In het door [H] tegen hen en [A] en [B] in persoon bij de rechtbank Alkmaar aangespannen kort geding hebben [A] Recreatie en [A] Assurantie evenmin betwist dat op hen de verplichting rustte zorg te dragen voor de verzekeringspremies voor de onder het Alles-In-Een-Plan verkochte caravans. Integendeel zij hebben gesteld - achteraf bezien in strijd met de waarheid - dat de premie voor het jaar 2001 was voldaan en dat zij voldoende financiële armslag hadden om de premie voor 2002 te kunnen voldoen. Bovendien is niet in geschil dat de schades in de periode na 28 maart 2001 zonder problemen werden afgewikkeld. Op grond van het voorgaande mocht [H] er op vertrouwen dat de verzekeringspremies aan EVM zouden worden voldaan. Dit werd eerst anders nadat [A] Recreatie, [A] Assurantie, en [A] en [B] bij het vonnis van 10 januari 2002 in kort geding bij verstek werden veroordeeld tot het verstrekken van schriftelijke bescheiden waaruit blijkt dat zij in staat zouden zijn de premies voor de verzekerde caravans voor het jaar 2002 te betalen en geen van de gedaagden aan dit vonnis voldeed. [H] heeft kort daarna op 5 februari 2002 contact opgenomen met EVM aangaande de premiebetalingen.

4.17. Het betoog van EVM dat [H] ten koste van haar op onrechtmatige wijze profiteert van een tekortkoming van [A] Recreatie treft evenmin doel. Het onbetaald blijven van de premies heeft [H] immers zelf geen voordeel opgeleverd.

4.18. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het uitblijven van de premiebetaling niet het gevolg is van het - beweerdelijk onrechtmatig - handelen van [H].

het onthouden van informatie aan EVM

4.19. Volgens EVM heeft [H] onrechtmatig jegens haar gehandeld door [A] Recreatie in haar brief van 9 februari 2001 te verbieden contact met EVM op te nemen. Voorts heeft [H] volgens EVM ten onrechte verzuimd haar op de hoogte te stellen van de ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst en heeft zij onzorgvuldig jegens haar gehandeld door vervolgens pas in februari 2005 contact met haar op te nemen betreffende het onbetaald blijven van de premies. EVM stelt dat zij, indien ze eerder op de hoogte was geweest van de financiële problemen, tijdig maatregelen had kunnen treffen.

4.20. [H] c.s. verweert zich met de stelling dat de brief van 9 februari 2001 geen geheimhouding oplegt aan [A] Recreatie in haar volmachtrelatie met EVM. Voorts was er voor [H] geen aanleiding EVM te informeren over de financiële situatie, aangezien zij geen aanleiding had te veronderstellen dat deze tot gevolg had dat er geen premie aan EVM werd betaald.

4.21. De rechtbank overweegt als volgt. Zoals ook [H] c.s. heeft aangevoerd verwijst de brief van 9 februari 2001 naar de in de samenwerkingsovereenkomst tussen Fintrass en [H] overeengekomen geheimhoudingsplicht. Deze geheimhoudingsplicht betreft de door Fintrass aangeboden financiering en verzekeringmethodieken. Nu [A] Recreatie geen partij was bij de samenwerkingsovereenkomst waarbij deze geheimhouding werd opgelegd, was zij daar ook niet aan gebonden. [A] Recreatie had op grond van haar contractuele relatie met EVM haar eigen verantwoordelijkheid om informatie te verschaffen over het (niet) afdragen van premies. [H] heeft dan ook niet onrechtmatig jegens EVM gehandeld door - om haar moverende redenen - [A] Recreatie te wijzen op de in de samenwerkingsovereenkomst met Fintrass overeengekomen geheimhoudingsplicht.

4.22. Voorts heeft [H] niet onrechtmatig gehandeld jegens EVM door haar niet eerder dan in februari 2002 over de gang van zaken te informeren. Aan dit oordeel ligt het volgende ten grondslag. Zoals hiervoor in ?4.15 is overwogen mocht [H] er op grond van de samenwerkingsovereenkomst op vertrouwen dat Fintrass via [A] Recreatie zorgdroeg voor betaling van de premies. Nu zij er voorts op grond van de met [A] Recreatie gemaakte afspraak op mocht vertrouwen dat de premies ook na ontbinding van de overeenkomst werden betaald was er ook geen aanleiding om EVM te informeren over de ontbinding van deze overeenkomst. Van schending van haar “zorgplicht” jegens EVM zoals EVM stelt, is onder deze omstandigheden dan ook geen sprake. Zolang uit de signalen van [A] Recreatie kon worden afgeleid dat zij zich inspande om haar verplichtingen jegens [H] en EVM te voldoen, hetgeen zoals hiervoor in ?4.16 is overwogen tot na het verlopen van de in het kort gedingvonnis van januari 2002 gestelde termijn het geval was, bestond er onvoldoende aanleiding voor [H] om met EVM contact op te nemen aangaande de premiebetaling. Daarbij komt dat EVM, anders dan [H], van het ontbetaald blijven van de premies op de hoogte kon zijn door het oplopen van het negatieve saldo in de rekeningcourant van [A] Recreatie bij EVM. Uit de verklaring van [D] blijkt ook dat het oplopen van het negatieve saldo in de rekeningcourant na het tweede kwartaal van 2001 (dus reeds in juli 2001) en daarna, de aanleiding is geweest om de volmacht per oktober 2001 in te trekken. Zo heeft [D] verklaard:

“Ik had begrepen dat de looptijd vijf jaar zou zijn en dat de consument een bedrag betaalde aan de dealer waarin een bedrag voor verzekeringspremies zou vrijkomen. Ik meen dat de premie op die manier ineens voor die vijf jaar betaald zou worden, maar ik weet dat niet zeker. Ik wist niet welke andere partijen er betrokken zouden zijn, maar ik wist wel dat er ook financiering bij hoorde. Op dat moment had ik niet de behoefte om daar meer over te weten te komen, die neiging ontstond toen er een saldo achterstand opliep, na het tweede kwartaal van 2001. Ik werd toen ongerust (…) na verloop van tijd had ik niet meer het vertrouwen dat er daadwerkelijk betaald zou en dat heeft er toe geleid dat de volmacht uiteindelijk is ingetrokken”.

Voorts heeft de keuze van EVM om per 1 oktober 2001 wel de volmacht van [A] Recreatie tot het afsluiten van nieuwe verzekeringen in te trekken maar nog niet de bevoegdheid tot prolongatie te beëindigen er in geresulteerd dat de verzekeringen ook in het jaar 2002 doorliepen, zonder dat daar premiebetalingen tegenover stonden.

conclusies

4.23. De rechtbank is van oordeel dat geen van de stellingen van EVM kunnen leiden tot de conclusie dat [H] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.

4.24. Voorts heeft EVM geen onderbouwing gegeven voor haar stelling dat de schade die zij heeft geleden als gevolg van het - eventuele - onrechtmatig handelen van [A] aan [H] moet worden toegerekend, zodat ook op die grond geen aansprakelijkheid kan worden vastgesteld.

4.25. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [H] niet aansprakelijk is voor de door EVM geleden schade als gevolg van het onbetaald blijven van de verzekeringspremies. Onder deze omstandigheden kan evenmin sprake zijn van samenloop als bedoeld in artikel 6:102 van het Burgerlijk wetboek (BW) zoals door EVM is betoogd.

4.26. Nu geen sprake is van onrechtmatig handelen door [H] jegens EVM, kan evenmin sprake zijn van onrechtmatig handelen van [H] Beheer als bestuurder van [H].

4.27. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank de vorderingen onder 1 tot vergoeding van de door EVM geleden schade als gevolg van het onbetaald blijven van de premies afwijzen.

de subsidiaire vordering (2) tot vergoeding van de door EVM geleden schade

4.28. Zoals hiervoor is geoordeeld is het onbetaald blijven van de premies niet het gevolg van het onrechtmatig handelen van [H]. De door EVM geleden schade als gevolg van het feit dat zij schadebedragen heeft uitgekeerd, zonder dat daar premiebetaling tegenover stond, is dus - anders dan EVM betoogt - evenmin het gevolg van onrechtmatig handelen van [H]. [H] is dan ook niet op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk voor deze schade. De subsidiaire vordering zal daarom eveneens worden afgewezen.

de vordering (3) tot vergoeding van de beweerdelijk door [A] Recreatie geleden schade

4.29. De rechtbank zal de vraag of de vordering van [A] Recreatie rechtsgeldig aan EVM is gecedeerd onbesproken laten nu de vordering van EVM, die is gebaseerd op het beweerdelijk onrechtmatig handelen van [H] jegens [A] Recreatie, op inhoudelijke gronden zal worden afgewezen. Aan deze afwijzing is ten grondslag gelegd, onder verwijzing naar hetgeen in ?4.14 is overwogen, dat van het zich onrechtmatig toe-eigenen van de entreebedragen door [H] geen sprake is. Voorts is de rechtbank van oordeel dat EVM haar stelling dat [H] toezeggingen zou hebben gedaan dat [A] recreatie bij een nieuw financieringsplan zou worden betrokken onvoldoende heeft onderbouwd. Zij verwijst hiervoor naar hetgeen in ?4.16 is overwogen. Voor de stelling van EVM dat [H] premiebetaling aan [A] Recreatie verschuldigd zou zijn ziet de rechtbank evenmin enig aanknopingspunt. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat hetgeen EVM heeft aangevoerd niet kan leiden tot het oordeel dat [H] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [A] Recreatie, zodat voor vergoeding van de gevorderde schade geen grond is.

4.30. Nu geen sprake is van onrechtmatig handelen door [H] jegens [A] Recreatie, kan evenmin sprake zijn van onrechtmatig handelen jegens haar door [H] Beheer als bestuurder van [H].

4.31. EVM zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van [H] c.s. zijn begroot op

-vast recht € 4.784,00

- salaris advocaat € 12.900,00 (5 × tarief € 2.580,00)

Totaal € 17.684,00

In reconventie.

4.32. [H] c.s. legt aan haar vordering ten grondslag dat EVM onrechtmatig ten opzichte van haar heeft gehandeld door aan alle onder het plan vallende verzekerden de caravanverzekering op te zeggen per de eerstkomende premievervaldag. Volgens [H] c.s. heeft EVM deze opzegging ten onrechte gebaseerd op de stelling dat de verzekeringnemer langer dan 3 maanden in gebreke is gebleven premie te betalen (artikel 2.4 van de polisvoorwaarden ), terwijl vaststaat dat gelet op de afspraken met [A] Recreatie als gevolmachtigde van EVM, geen enkele verzekeringnemer aan EVM premie heeft betaald. Hoewel deze opzegging door EVM volgens [H] ongegrond was kon zij toch niet anders doen dan elders verzekeringsdekking kopen voor de jaren 2002 tot 2005, om te voorkomen dat een verzekerde van wie de schade niet door EVM vergoed zou worden, [H] daarmee zou lastig vallen met nadelige gevolgen (publiciteit, onrust, reputatieschade). [H] c.s. stelt dat EVM aansprakelijk is voor de schade die [H] heeft geleden als gevolg van de onterechte opzegging van de verzekeringen door EVM. Zij begroot deze schade op € 563.323,00 zijnde de door [H] betaalde premies over de jaren 2002 tot 2005 aan de verzekeraar Helviass.

4.33. EVM betoogt dat niet de beëindiging van de verzekeringen door EVM de beweerdelijk geleden schade heeft veroorzaakt maar het afsluiten van de verzekeringen bij Helviass door [H] zelf. EVM was daarbij niet betrokken. Nu het schikkingoverleg met [H] over de premiebetalingen geen resultaat had zag EVM zich genoodzaakt de verzekeringsovereenkomsten te beëindigen. EVM stelt dat zij rechtmatig heeft opgezegd met in achtneming van de opzeggingstermijn van drie maanden. Zij heeft zich nooit verbonden tot een langere contractduur dan 12 maanden. EVM stelt dat zij ook afgezien van het uitblijven van premiebetalingen de verzekeringsovereenkomsten kon beëindigen.

4.34. De rechtbank stelt voorop dat [H] geen partij is bij de verzekeringsovereenkomsten. Opzegging van de verzekeringen kan alleen op grond van bijzondere omstandigheden als onrechtmatig jegens [H] worden aangemerkt. Die doen zich naar het oordeel van de rechtbank hier niet voor. Van EVM kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij met het oog op de belangen van [H] bij de verzekering van de verkochte caravans de verzekeringen voortzet zonder dat daar premie-inkomsten tegenover staan. Verzending van de opzeggingsbrief aan de consumenten zonder dat het aan [H] toegezegde overleg heeft plaatsgevonden getuigt weliswaar niet van zorgvuldigheid jegens [H], maar van onrechtmatig handelen zou naar het oordeel van de rechtbank eerst sprake kunnen zijn indien voor EVM duidelijk was dat [H] als rechtstreeks gevolg van dit handelen schade zou lijden. Dat is niet het geval. [H] heeft om haar moverende redenen de verzekeringen bij Helviass ondergebracht en betaald. De beweerdelijk geleden schade is niet het gevolg van het niet tijdig informeren van [H] over de voorgenomen beëindiging van de verzekeringen door EVM, maar van een door [H] gemaakte keuze om de premiebetaling van de verzekeringen voor haar rekening te nemen. De vordering tot vergoeding van schade vanwege de door [H] betaalde verzekeringspremies zal de rechtbank dan ook afwijzen.

4.35. [H] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van EVM zijn begroot op

- vast recht € 4.784,00

- salaris advocaat € 6.450,00 (5 × 0,5 x tarief € 2.580,00)

Totaal € 11.234,00

5. Beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt EVM in de kosten van de procedure, aan de zijde van [H] c.s. tot op heden begroot op

€ 17.684,00,

in reconventie

5.3. wijst de vordering af,

5.4. veroordeelt [H] c.s. in de kosten van de procedure, aan de zijde van EVM tot op heden begroot op

€ 11.234,00

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2010. SM


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature