< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verdachte heeft samen met een ander gedurende een lange periode deelgenomen aan een misdadige organisatie. Zij hebben tegen betaling zgn. schijnrelaties geregeld tussen illegale Turkse mannen en Nederlandse vrouwen, opdat deze mannen een verblijfsvergunning zouden krijgen.

Om deze schijnrelaties tot stand te brengen heeft verdachte, samen met anderen, diverse vrouwen ertoe aangezet om valsheid in geschrift te plegen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Ook legt de rechtbank verdachte een geldboete op van 100.000 gulden.

Uitspraak



ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer 74104-92

Datum uitspraak: 2 juni 1994

TEGENSPRAAK

raadsman: mr. M. Moszkovic, advocaat te Maastricht

VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [1966] , wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 mei 1994.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van deze dagvaarding is als bijlage I bij dit vonnis gevoegd en maakt daarvan deel uit.

2 Voorvragen

De raadsman van verdachte heeft een beroep gedaan op nietigheid van het onder 1 tenlastegelegde feit, omdat niet blijkt op welke misdrijven de steller van de tenlastelegging doelt, waardoor deze tenlastelegging een onvoldoende duidelijke opgave van het feit is.

De rechtbank verwerpt het verweer, nu de Hoge Raad bij arrest van 13 oktober 1987 (NJ 1988, nr. 425) heeft bepaald dat het bij dit feit -kort gezegd deelne­ ming aan een misdadige organisatie- niet gaat om het gepleegd zijn van misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van misdrijven, welk oogmerk uit de bewijsmiddelen dient te blijken, maar niet in de tenlastelegging nader hoeft te worden omschreven.

De rechtbank heeft ook overigens vastgesteld dat de dagvaarding van de verdachte geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat sinds de datum waarop verdachte op 24 april 1992 bij de rechter-commissaris is geweest niets meer in deze zaak is gebeurd tot de zitting van 18 maart 1993, waarna de verhoren bij de rechter-commissaris tot november 1993 hebben geduurd voor het onderzoek ter terechtzitting kon worden voortgezet. De rechtbank acht derhalve de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM geschonden. De rechtbank dient thans een afweging te maken tussen het belang van de samenleving en het geschonden belang van de verdachte . Naar het oordeel van de rechtbank prevaleert in dit geval het belang van de samenleving, waarbij de rechtbank in aanmerking heeft genomen dat de verdachte niet is gedetineerd en de zaak al eerder op 18 maart 1993 bij deze rechtbank is aangebracht, maar het onderzoek ter terechtzitting voor verhoren bij de rechter-commissaris werd geschorst.

Gelet op het vorenstaande leidt voormelde schending niet tot de niet-ontvanke­ lijkheid van de officier van justitie en merkt de rechtbank thans reeds op dat bij een eventuele strafoplegging rekening zal worden gehouden met voornoemde schending van artikel 6 EVRM .

De rechtbank heeft vastgesteld dat het openbaar ministerie ook overigens ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijsbeslissing

3.1

Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair is tenlastegelegd.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

3.2

Gevoerd verweer

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat onder 3 en 4 is tenlastegelegd dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door ondertekening van de garantverklaring hebben verklaard dat op het in de tenlastelegging vermelde adres het ver­blijf/woonadres van de vreemdeling was. In de garantverklaring staat echter slechts vermeld het woord "woonadres", zodat er geen sprake is van valsheid in geschrift, enerzijds omdat het verblijfadres niet in de garantverklaring wordt genoemd, anderzijds omdat de vreemdeling inderdaad op dat adres bij de gemeente was ingeschreven.

De rechtbank verwerpt dit verweer, nu, gelet op het doel van de garantverkla­ ring en het systeem ter verkrijging van een verblijfsvergunning, kennelijk onder woonadres in ieder geval moet worden verstaan het adres van het feitelijk verblijf.

3.3

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis, die daarvan deel uitmaakt.

Hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmidde­len zijn vervat.

De hierna te noemen bewijsmiddelen worden, ook in hun onderdelen, telkens slechts gebezigd tot bewijs van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.

4.1

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting voor wat betreft het onder 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde, voor zover -zakelijk weergegeven- inhouden­ de:

[slachtoffer 1] werd van allerlei kanten onder druk gezet, nadat zij haar afspra­ken niet meer wilde nakomen. Ik wist dat [getuige 2] en een ander naar de woning van [slachtoffer 1] zouden gaan; ik was bij een gesprek met die [getuige 2] .

Ik heb hierover met [A] gepraat en ik heb een bemiddelende rol gespeeld. Ik heb met name getolkt. Aanvankelijk heb ik vertaald wat de ene persoon tegen de andere persoon vertelde. Nadat de zaak escaleerde was ik een boodschapper tussen de partijen.

Ten aanzien van het onder 1, 2 subsidiair 3 en 4 bewezenverklaarde:

4.2

Een proces-verbaal d.d. 22 januari 1992, op ambtsbelofte opgemaakt en onderte- kend door verbalisant [verbalisant 1] voornoemd,

als bladzijden 98 t/m 109 gevoegd bij het door de officier van justitie voor eensluidend afschrift afgegeven fotocopie van het proces-verbaal nr. GPAM­ FT/92-000291 met bijlagen, dat op ambtsbelofte resp. ambtseed is opge­ maakt en ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden hoofdagent van gemeentepolitie Amersfoort,

voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende:

als de op 22 januari 1992 tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] :

blz. 98 In december 1988 zei [B] dat hij een manier wist om aan een grotere woning te komen, waarbij ik nog geld toe zou kunnen krijgen. Hij vertelde dat hij een man kende die zoiets zou regelen, maar ik zou dan op papier met iemand moeten samenwonen. [B] zou een afspraak voor mij maken met een man genaamd [C] .

Op een avond in januari 1989 ben ik met [B] naar die [C] in

blz. 99 [woonplaats] gegaan. [C] vertelde mij dat ik met een illegale buitenlander moest gaan samenwonen. Dit moest ik drie jaar volhouden, waarna die buitenlander een verblijfsvergunning zou krijgen. Hiervoor zou ik f 5000,- van hem krijgen. Ik moest bij de Vreemdelingendienst laten registreren dat ik met die buitenlander samenwoonde. [C] vertelde mij dat die illegaal niet echt bij mij hoefde in te wonen. Inmiddels was er een Turkse vrouw binnengekomen, die door [C] werd voorgesteld als [verdachte] . [C] zei tegen [verdachte] dat hij alles aan mij had verteld. Zij zei dat zij wel een Turk kende met wie ik dan moest samenwonen. blz..100 Zij zei dat hij [A] heette. [verdachte] gaf mij een paar tips mocht de politie vragen waar [A] was. Half maart 1989 werd ik in de woning van [C] en [verdachte] voorgesteld aan [A] . [verdachte] bracht ons naar de politie, waar ik [A] heb aangemeld. Ik heb een verklaring ondertekend, waarin stond dat ik met [A] samenwoonde op het adres [adres] te [woonplaats] . Ik wist toen dat ik in strijd met de waarheid die verklaring heb ondertekend. Hierna heb ik van [C] de geëiste verklaring gekregen waarin stond dat ik op geen enkele manier financieel verantwoordelijk gesteld kon orden voor [A] .

blz. 101 In juni/juli 1990 heb ik tegen [verdachte] verteld dat ik met [getuige 1] wilde samenwonen. [verdachte] was kwaad en zei dat dit beslist niet kon.

blz. 102 [getuige 1] en ik besloten om samen te wonen op de [straat] te [woonplaats] .

blz. 103 In september 1991 eiste [verdachte] van mij dat ik alsnog door zou gaan met de

blz. 104 procedure. [verdachte] zei dat er kosten waren gemaakt waarvoor ik op zou

blz. 105 moeten draaien. [verdachte] eiste van mij dat ik f 11.000,- aan haar zou betalen.

blz. 107 Het hleef rustig tot 20 januari 1992. Ik hoorde toen· dat er hard op de deur van de woning werd gehoosd. Ik zag twee mannen. De kleine man zei dat het over

f 11.000,- ging en dat wij dit bedrag voor komende vrijdag moesten afgeven op het kantoor.

blz. 108 De kleine man zei dat, mochten wij aankomende vrijdag het geld niet betalen , dan zouden er Turken komen, die een pistool tegen onze hoofden zouden houden, waarna zij de inhoud daarvan door onze koppen zouden schieten . Al die tijd heeft de grote man staan schoppen tegen de onderzijde van de deur en staan bonken tegen het raam.

4.3

Een geschrift, te weten een door de gemeentepolitie Amersfoort conform origineel gewaarmerkte fotocopie van een garantverklaring, ondertekend te Amersfoort op

22 maart 1989, als bladzijde 119 gevoegd bij voormeld proces-verbaal nr.

GPAMFT/92-000291, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende:

als verklaring van [slachtoffer 1] :

blz. 119 Ondergetekende, [slachtoffer 1] , wonende te [woonplaats] , [adres] , stelt zich garant voor dé kosten, die door de staat en voor andere openbare lichamen kunnen voortvloeien uit het verblijf in Nederland van de vreemdeling [A] , verblijf te [woonplaats] , [adres] .

4.4

Een proces-verbaal d.d. 21 januari 1992, op ambtsbelofte opgemaakt en onderte­ kend door nader te noemen verbalisant [verbalisant 1] ,

als bladzijden 73 t/m 86 gevoegd bij voormeld proces-verbaal nr.

GPAMFT /92-000291, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende:

als de op 21 januari 1992 tegenover eerstgenoemde verbalisant afgelegde verkla­ring van [getuige 1] , wonende te [woonplaats] , [straat] :

blz. 83 Op maandag 20 januari 1992 kwamen er twee body building figuren bij ons aan de deur. Ik hoorde dat men keihard op de deur stond te bonzen. De kleine man zei dat wijf 11.000,- moesten betalen.

blz. 84 Hij zei dat wij komende vrijdag het geld op de [straat] moesten afgeven. Als er voor vrijdag niet was betaald, dan zouden er Turken komen en die zouden dan een pistool tegen onze hoofden houden en de inhoud daarvan door onze koppen schieten. De grote man zag ik voortdurend tegen de onderzijde van de deur en tegen de muur staan trappen en meerdere keren met zijn vuist tegen de ruit van de achterdeur staan bonzen.

4.5

Een proces-verbaal d.d. 26 februari 1992, op ambtsbelofte opgemaakt en onderte­ kend door verbalisant [verbalisant 1] voornoemd,

als bladzijden 143 t/m 153 gevoegd bij voormeld proces-verbaal nr. GPAMFT/92-000291, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende:

als de op 26 februari 1992 tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 2] :

blz. 144 Op een dag in Wormerveer kwam een man, die zich later voorstelde als [C] en een vrouw, die zich voorstelde als [verdachte] .

blz. 145 De leiding berustte duidelijk bij die [verdachte] . Zij zei dat een vrouw genaamd [slachtoffer 1] op verzoek van hen een Turk genaamd [A] op naam had genomen. Die [slachtoffer 1] wilde stoppen met de procedure met die Turk en [verdachte] zei dat zij dit niet pikte. [C] was het hiermee eens en stemde steeds met alles in.

[verdachte] vertelde mij dat die [slachtoffer 1] een vriend had die [getuige 1] was genaamd. Zij wilde hebben dat ik die [slachtoffer 1] bang zou gaan maken. [verdachte] zei tegen mij dat het haar niet uitmaakte hoe ik het deed.

blz. 148 In december 1991 nam [verdachte] contact met mij op en vertelde dat [slachtoffer 1] haar moest betalen. Zij was achter het adres van [getuige 1] en [slachtoffer 1] gekomen. In [woonplaats] aangekomen vroeg [verdachte] of ik naar [slachtoffer 1] wilde gaan. Wij moesten haar zo bang maken dat zij f 11.000,- aan [verdachte] zou betalen.

blz. 149 Op een maandag in januari 1992 ben ik met [getuige 3] naar het bedrijf van [verdachte] aan de [straat] te Amersfoort gereden

blz. 150 [verdachte] schreef op een geel briefje het adres van [getuige 1] en [slachtoffer 1] op. [C] heeft uitgelegd hoe wij het beste naar [slachtoffer 1] woning konden rijden. Hierna ben ik met [getuige 3] naar de [straat] te [woonplaats] gereden. Ik zag [getuige 1] en een vrouw, die [slachtoffer 1] bleek te zijn, in de kamer staan. Ik heb tegen [getuige 1] en [slachtoffer 1] gezegd dat zij f 11.000,- moesten

blz. 151 betalen en dat zij dit geld op het kantoor moesten brengen. Ik bedoelde hiermee het kantoor van [verdachte] op de [straat] . Ik hoordè hun zeggen dat zij geen geld hadden. Ik zei dat zij voor komende vrijdag het geld op kantoor moesten afgeven en dat de Turkse Maffia gewoon een pistool door hun kop leeg zouden schieten. Nu konden ze nog gewoon betalen. Die Maffia zou dat anders regelen dan wij.

blz. 152 Tijdens dit gesprek heb ik enige keren tegen de onderzijde van de deur geschopt en heb ik met mijn hand tegen de ruit van de deur geduwd en gebonsd. [getuige 3] heeft tegen de deurruit gedrukt met zijn handen en meerdere keren tegen de ruit van de deur en de kamer geslagen. [getuige 3] heeft tegen de achterdeur geschopt.

Het geld dat zij moesten afgeven was bestemd voor [verdachte] en [C] . Ik zou/ 1.000,- van [verdachte] en [C] ontvangen.

4.6

Een proces-verbaal d.d. 24 februari 1992, op ambtsbelofte opgemaakt en onderte­ kend door verbalisant [verbalisant 1] voornoemd,

als bladzijden 133 t/m 137 gevoegd bij voormeld proces-verbaal nr. GPAMFT/92-000291, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende:

als de op 24 februari 1992 tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 3] :

blz. 133 [getuige 2] vertelde dat hij mensen wilde bezoeken, omdat die mensen aan iemand of een Bureau ongeveer tien- of elfduizend gulden moesten betalen.

blz. 134 Op 20 januari 1992 zijn wij naar [woonplaats] gegaan. [getuige 2] moest eerst voor een adres naar een kantoor. [getuige 2] heeft daar gesproken met ene [C] en een vrouw van buitenlandse afkomst. Die vrouw schreef een adres op een geel papiertje, waarna zij dat papiertje aan [getuige 2] gaf. Hierna zijn wij naar de [straat] ­ weg te [woonplaats] gegaan, welk adres op een geel papiertje stond.

blz. 135 Ik zag in de kamer van de woning een man.

blz. 136 [getuige 2] schopte meerdere keren tegen de onderzijde van de deur van de woning en hij stompte met zijn vuist tegen de ruit van de deur. De man en de vrouw zeiden dat zij dat geld niet hadden. Ik hoorde [getuige 2] zeggen: "Je kan beter betalen. Hierna komt de Turkse Maffia en die leggen je neer. Die zetten een revolver tegen je kop en die halen gewoon over."

4.7

Een proces-verbaal d.d. 10 maart 1992, op ambtsbelofte opgemaakt en onderte­ kend door verbalisant [verbalisant 1] voornoemd,

als bladzijden 321 t/m 328 gevoegd bij voormeld proces-verbaal nr.

GPAMFT/92-000291, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende:

als de op 10 maart 1992 tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 4] :

blz. 321 Ik heb aan [D] gevraagd of hij [slachtoffer 1] onder druk wilde zetten, zodat zij de procedure zou afmaken met die illegale Turk, die op papier bij haar inwoonde. [verdachte] had in eerste instantie aan mij gevraagd of ik dit klusje zou willen doen. Via [D] ben ik aan ene [getuige 2] gekomen; de body-builder die tegen een geldelijke vergoeding die [slachtoffer 1] onder druk wilde zetten. Ik heb dit op verzoek van [C] en [verdachte] geregeld.

blz. 322 [verdachte] , [C] en ik zijn naar [woonplaats] gereden, waar zij de zaak met die [getuige 2] zouden bespreken. [C] en [verdachte] vroegen aan [getuige 2] of hij die [slachtoffer 1] onder druk wilde zetten door haar te bedreigen, bang te maken. [verdachte] beloofde [getuige 2] voor deze klus f 1.000,-. Als het om geld ging was het doorgaans [verdachte] die de zaken regelde.

blz. 325 In oktober 1990 heb ik [getuige 6] in contact gebracht met [C] en [verdachte] .

blz. 326 Ik was erbij aanwezig dat [C] en [verdachte] alles aan [getuige 6] uitlegden over de vergunningproblematiek.

[C] en [verdachte] waren een hechte combinatie in hun werkzaamheden.

blz. 327 Zij deden alles in overleg met elkaar, waarbij [verdachte] doorgaans met de ideëen kwam. [verdachte] kwam met het idee om die [getuige 2] langs de deur van [slachtoffer 1] en [getuige 1] te sturen.

4.8

Een proces-verbaal d.d. 5 maart 1992, op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 1] voornoemd,

als bladzijden 160 t/m 169 gevoegd bij voormeld proces-verbaal nr. GPAMFT/92-000291, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende:

als de op 5 maart 1992 tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 5] :

blz. 160 In 1988 vertelde [C] dat hij illegale Turken aan een verblijfsver­ gunning hielp door Nederlandse vrouwen op papier samen te laten wonen met een illegale Turk. [C] bood mij voor iedere vrouw die ik bereid zou vinden zich daarvoor te lenen een geldbedrag. Die vrouw zou f 5.000,- krijgen als beloning.

blz. 161 Enige maanden later heb ik daarover een gesprek gehad met [C] en [verdachte] bij mij in [woonplaats] .

[C] vroeg of hij met mij mee mocht naar een dancing in Hoofddorp om alleenstaande vrouwen te vinden voor zijn verblijfsvergunningenproblematiek.

blz. 162 Aldaar bracht ik een vrouw in contact met [C] , die haar vertelde dat zij een illegale Turk op papier op haar woonadres moest laten inschrijven en dat zij naar de vreemdelingenpolitie moest gaan met die Turk. Hij beloofde haar een geldbe­ drag. Ik heb later van [C] en [verdachte] gehoord dat die vrouw, die in [woonplaats] woont, daarmee akkoord was gegaan. Ik kreeg van [C] mijn/ 1.000,- belo- ning. [C] vroeg het geld aan [verdachte] , die een portemonnaie aan [C] gaf.

blz. 164 Eind 1988 heb ik aan [E] gevraagd of zij op papier wilde samenwonen met een Turkse man. Ik heb [E] met [C] en [verdachte] in contact gebracht en hebben zij de zaak verder met [E] afgemaakt.

blz. 165 Eind 1988 of begin 1989 sprak ik met [slachtoffer 1] . Ik heb haar op de mogelijkheid gewezen om een illegale Turk op naam te nemen door die Turk op papier bij haar in huis te nemen, waarvoor zij geld zou krijgen. Ik heb een afspraak gemaakt voor [slachtoffer 1] met [C] en [verdachte] in januari 1989 in [woonplaats] . [C] legde haar uit wat er van haar verlangd werd. Hij bood haar/ 5.000,- als beloning aan. [verdachte] zei tegen [slachtoffer 1] dat zij al een Turk voor had, genaamd [A] . [verdachte] gaf enige tips aan [slachtoffer 1] met het oog op controle door de vreemdelingen­politie. Tijdens het aanmelden van de Turkse vreemdeling op het politiebureau is [verdachte] met [slachtoffer 1] meegeweest. [verdachte] vertelde die avond tegen [slachtoffer 1] dat zij haar gedurende die periode zou begeleiden en mee zou gaan naar het politiebureau.

[C] en [verdachte] deden alles samen. Het was een hechte eenheid.

4.9

Een proces-verbaal d.d. 13 maart 1992, op ambtseed opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 2] voornoemd,

als bladzijden 339 t/m 344 gevoegd bij voormeld proces-verbaal nr. GPAMFT/92-000291, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende:

als de op 13 maart 1992 tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 6] :

blz. 339 Half oktober 1990 vertelde [F] dat er door zijn buren, die [C] en [verdachte] waren genaamd, een voorstel was gedaan om een illegale Turkse jongen op papier in huis te nemen.

blz. 340 Enkele dagen later verschenen [F] ", [C] , [verdachte] en een Turkse jongen genaamd [G] bij mij thuis. [C] heeft een en ander uitgelegd en zei dat ik met die [G] een keer naar de vreemdelingenpolitie behoefde te gaan om hem aan te melden. Er werd door [C] en [verdachte] gezegd dat die [G] niet bij mij hoefde te wonen. Het zou alleen op papier moeten gebeuren.

blz. 341 [C] en [verdachte] vertelden dat ik bij de aanmelding van [G] bij de vreemdelingenpolitie een verklaring moest ondertekenen.

blz. 342 Op 14 november 1990 ben ik met [G] naar de vreemdelingenpolitie gegaan, waar alle formaliteiten werden vervuld. Daarna heeft [C] mij een deel van de beloofde f 5.000,- gegeven.

4.10

Een proces-verbaal d.d. 11 maart 1992, op ambtsbelofte resp. ambtseed opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voornoemd,

als bladzijden 294 t/m 298 gevoegd bij voormeld proces-verbaal

nr. GPAMFT/92-000291, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende:

als de op 11 maart 1992 tegenover voornoemde verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 7] , wonende te [woonplaats] :

blz. 294 In het najaar van 1988 vertelde [B] mij dat zijn buren, genaamd [C] en [verdachte] , een illegale Turk kenden die zij aan een verblijfsvergunning wilden helpen.

Enige uren na dit gesprek werd ik gebeld door een vrouw die zei [verdachte] te heten. Zij zei dat zij van [B] had gehoord dat ik interesse had in hetgeen [B] mij had verteld. [verdachte] had de Turkse man, genaamd [L] , meegenomen. [verdachte] vertelde mij dat het de bedoeling was dat ik op papier zou verklaren bij de politie en de gemeente dat ik samenwoonde met die [L] .

blz. 295 [verdachte] beloofde mij f 5.000,-. Diezelfde dag zijn wij naar de Vreemdelingenpolitie van Alkmaar gegaan. Ik vertelde daar tegen een ambtenaar dat ik samenwoonde met [L] . Alles wat ik tegen de politieman bij de vreemdelingendienst had gezegd was in strijd met de waarheid.

4.11

Een proces-verbaal d.d. 14 februari 1992, op ambtsbelofte opgemaakt en onderte­ kend door verbalisant [verbalisant 1] voornoemd,

als bladzijden 256 t/m 260 gevoegd voormeld proces-verbaal nr. GPAMFT/92-000291, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende:

als de op 14 februari 1992 tegenover eerstgenoemde verbalisant afgelegde verklaring van [E] :

blz. 256 Eind 1988 vroeg [B] of ik bereid was hem te helpen. Hij vroeg of ik een gesprek wilde aangaan met [C] en [verdachte] , want zij zouden een manier kennen waardoor een vriend van [verdachte] in Nederland zou kunnen blijven. De volgende dag kwamen [C] en [verdachte] bij mij in [woonplaats] . [verdachte] zei dat zij een vriend had genaamd [H] .

blz. 257 Zij vroegen aan mij of ik bereid was om op papier met [H] samen te wonen. Het ging erom dat ik bij de Vreemdelingenpolitie zou verklaren dat ik met hem samenwoonde. Op grond van die verklaring zou [H] een verblijfsvergunning krijgen . [verdachte] en [C] vertelden mij dat ik een verklaring op het politiebureau zou moeten ondertekenen, waardoor ik financieel garant zou staan voor haar vriend. Zij zeiden dat als er kosten zouden komen, dan zouden deze worden betaald door een Turkse beweging. Indien ik geld zou willen hebben, dan zou dit geregeld kunnen worden. [C] heeft mij en [H] naar het politiebureau gereden. Ik heb mij toen met [H] gemeld bij de Vreemdelingenpolitie.

blz. 258 Ik heb daar verteld dat ik samenwoonde met die Turkse man genaamd [H] . Ik

heb toen een garantverklaring ondertekend.

[H] heeft nooit daadwerkelijk bij mij ingewoond.

4.12

Een proces-verbaal d.d. 11 juni 1992, op ambtseed resp. ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] , wachtmeester le klasse der rijkspolitie, groep Stede Broec en [verbalisant 4] , adjudant der rijkspolitie sectie vreemdelingenzaken, district Alkmaar,

.als bladzijden 16 t/m 18 gevoegd bij het door de officier van justitie voor copie conform origineel gewaarmerkte fotocopie van het proces-verbaal nr. RPALKM/92-011912 met bijlagen, dat op ambtseed is opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 5] , opperwachtmeester der rijkspolitie, districtsrechercheur tactische recherche district Alkmaar en op ambtsbelofte door [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , beiden wachtmee­ ster le klasse der rijkspolitie groep Enkhuizen,

voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende:

als de op 11 juni 1992 tegenover eerstgenoemde verbalisanten afgelegde verkla­ring van [slachtoffer 2] :

blz. 16 Eind 1989 was ik in Bovenkarspel. Ik raakte in gesprek met een man die zich voorstelde als [C] . Hij vroeg mij of ik een relatie op papier met een Turkse man aan wilde gaan om die man aan een verblijfsvergunning te helpen en ik zou daar geld voor ontvangen. Ik zei dat ik er wel op in wilde gaan. Eind 1989 verscheen [C] samen met een Turkse man en een Turkse vrouw op mijn adres in [woonplaats] . Die Turkse vrouw trad op als tolk. Er werd mij gezegd dat die Turkse man [getuige 8] heette. [getuige 8] , de Turkse tolk en ikzelf zijn naar het gemeentehuis van [woonplaats] gegaan, waar ik [getuige 8] op mijn woonadres in wilde laten schrijven. Ik heb een garantverklaring ondertekend om op die manier [getuige 8] aan een verblijfsvergunning te helpen.

blz. 17 Ik heb van [C] het afgesproken bedrag uitgekeerd gekregen. [getuige 8] en ik hebben nooit een dag samengewoond.

Een geschrift, te weten een garantverklaring, ondertekend te [woonplaats] op 2 januari 1990, als bladzijde 23 gevoegd bij voormeld proces-verbaal nr. RPALKM/92- 011912, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende:

als verklaring van [slachtoffer 2] :

blz. 23 Ondergetekende, [slachtoffer 2] , woonplaats [woonplaats] , adres [adres] , stelt zich garant voor de kosten, die door de staat en voor andere openbare lichamen kunnen voortvloeien uit het verblijf in Nederland van de vreemdeling [getuige 8] , woonplaats [woonplaats] , adres [adres] .

4.14

Een proces-verbaal d.d. 18 juni 1992, op ambtseed resp. ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] voornoemd,

als bladzijden 150 t/m 152 gevoegd bij voormeld proces-verbaal nr.

RPALKM/92-011912, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende:

als de op 18 juni 1992 tegenover voornoemde verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 8] :

blz. 150 Ik leerde [verdachte] kennen. [verdachte] was op de hoogte van mijn situatie dat ik

illegaal in Nederland verbleef. Zij bood mij aan een relatie te regelen met een Nederlandse vrouw. Ik moest [verdachte] daarvoor f 30.000,- betalen. Eind 1989 ben ik samen met [verdachte] en [C] naar [woonplaats] gereden, waar ik [slachtoffer 2] ontmoette. [I] , de zuster van [verdachte] , trad op als tolk. Ik wist dat ik op papier een relatie met [slachtoffer 2] aan zou gaan om een verblijfsvergun­ ning te krijgen.

blz. 51 Ik heb aan [verdachte] een aanbetaling gedaan. De volgende dag ben ik met [C] en [I] teruggekeerd naar [woonplaats] . [slachtoffer 2] , [I] en ikzelf zijn naar het gemeente­ huis in [woonplaats] gegaan, waar ik een verblijfsvergunning heb aangevraagd.

4.15

Een proces-verbaal d.d. 18 juni 1992, op ambtseed resp. ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd,

als bladzijden 179 t/m 180 gevoegd bij voormeld proces-verbaal nr. RPALKM/92-011912, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende:

als de op 18 juni 1992 tegenover voornoemde verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 9] :

blz. 179 In de loop van 1989 heb ik [J] verteld over de situatie van illegale Turken en de mogelijkheid van een relatie met als doel een verblijfsvergunning voor deze mensen. Ik heb met hem over vergoedingen gesproken die de mensen in het vooruitzicht worden gesteld, in dit geval bedragen van ongeveer f 5.000,-.

Later heeft [J] mij gezegd dat hij iemand kende die een dergelijke relatie wenste aan te gaan. Hij noemde een mevrouw uit [woonplaats] genaamd [slachtoffer 2] .

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde feiten leveren op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde:

Medeplegen van het door beloften en door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde:

Medeplegen van het door beloften en door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

De bewezenverklaarde feiten leveren strafbare feiten op.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van verdachte heeft voor wat betreft het onder 2 tenlastegelegde een beroep gedaan op noodtoestand dan wel putatieve noodtoestand, nu verdachte door [K] werd bedreigd en zij uit angst voor haar leven en dat van haar kind heeft gehandeld dan wel omdat zij redelijkerwijs mocht veronderstellen dat zij in een noodtoestand verkeerde.

De rechtbank verwerpt het verweer, aangezien de door de raadsman aangevoer­ de feiten en omstandigheden, welke het beroep op noodtoestand dan wel putatieve noodtoestand moeten dragen, uit het onderzoek ter zitting niet aannemelijk zijn geworden.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaar­ heid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

Bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straffen heeft de recht­ bank het volgende in beschouwing genomen.

1. De rechtbank heeft rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Daarbij heeft de rechtbank met name het volgende in aanmerking genomen.

- Verdachte heeft samen met een ander gedurende een lange periode deelgenomen aan een misdadige organisatie. Zij hebben tegen betaling zgn. schijnrelaties geregeld tussen illegale Turkse mannen en Nederlandse vrouwen, opdat deze mannen een verblijfsvergunning zouden krijgen.

- Om deze schijnrelaties tot stand te brengen heeft verdachte samen met anderen diverse vrouwen ertoe aangezet om valsheid in geschrift te plegen. Voorts heeft verdachte met haar mededader, nadat één van deze vrouwen niet meer mee wilde doen, anderen uitgelokt om deze vrouw door middel van bedreiging een geldbedrag te laten betalen.

- Verdachte, die enkel uit financieel gewin heeft gehandeld, heeft met haar mededader in deze organisatie in de loop der jaren vele personen in hun misdadige praktijken meegesleept. Door haar handelwijze beschikte de vreemdelingendienst over onjuiste informatie en heeft zij ertoe bijgedra­ gen dat het systeem voor verblijf van vreemdelingen in Nederland wordt ondermijnd.

2. De rechtbank heeft verder gelet op de persoon van de verdachte en daarbij in het bijzonder acht geslagen op het volgende.

- Een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregi­ ster d.d. 17 mei 1994, waaruit blijkt dat zij niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld.

- Een omtrent verdachte opgemaakt voorlichtingsrapport d.d. 31 augustus 1992 van A. Doeser, werkzaam bij het Leger des Heils, afdeling Reclas­sering, te Utrecht.

- De financiële draagkracht van de verdachte.

Op grond van het voorgaande, met name gelet op de aard en de ernst van de feiten, acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf gepast. Rekening houdend met de omstandigheid dat in dit geval de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden, dient aan de verdachte echter een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf te worden opgelegd van na te melden duur, alsmede een geldboete van na te melden hoogte. .

8 Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de volgende artikelen.

- Wetboek van Strafrecht: artikelen 14a, 14 b, 14c, 23, 24, 24c, 45, 47, 57,

140, 225, 312 tweede lid en 317.

- Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM): artikel 6.

9 BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Zij verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegeleg­ de heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert de hierboven in rubriek 5 vermelde strafbare feiten op.

Zij verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar. Zij veroordeelt de verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 15 MAANDEN.

Zij bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 MAAN­DEN , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Zij stelt daarbij een proeftijd van 2 jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Zij beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

een geldboete van f 100.000,-.

Zij beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van dit bedrag vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 180 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. R.J.A. Meertens-Zeeman, W.H.B. den Hartog Jager en J. Goudswaard, bijgestaan door S.L.M. Schatz als griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 1994. Mr. Goudswaard is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

'

Bijlage

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

Zij in of omstreeks de periode van 1 januari 1988 tot en met 21 apri1 1992 1n het arrondissement Utrecht en/of Haarlem en/of Alkmaar, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie die gevormd werd door (ondermeer) verdachte en/of [getuige 9] en/of [getuige 4] en/of [J] en/of [B] , weike organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het (meermalen/eenmaal)plegen van (uitlokking van) valsheid in geschrifte en/of

- het (meermalen/eenmaal) plegen van (uitlokking van) oplichting en/of

- het (meermalen/eenmaal) plegen van (uitlokking van) afpersing en/of

- het (meermalen/eenmaal) plegen van (uitlokking van) bedreiging;

2.

Primair

zij op of omstreeks 20 januari 1992 te [woonplaats] , althans in het

arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en 1n vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/ of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordel en door geweld en/ of bedreiging met geweld [getuige 1] en/of [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van fl. 11.000,--, althans een

hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan die [getuige 1] en/of die [slachtoffer 1] , 1n elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/ of haar mededader(s), tezamen en 1n vereniging met een ander of anderen, althans

alleen. als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende zij, verdachte, en/of (één of meer van) haar mededader(s) zich, conform een tevoren met (onder meer) haar, verdachte, gemaakte afspraak, naar de woning van die [getuige 1] en/of [slachtoffer 1] begegeven en/of tegen de/een deur(en) van die woning geschopt en/of getrapt en/of tegen de/een ruit(en) van die woning geslagen/gestompt en/of

van/tegen die [getuige 1] en/of [slachtoffer 1] . gezegd dat het geld vÓÓr/op “komende vrijdag" moest worden afgegeven op de [straat] en/of dat als er niet zou worden betaald Turken/Turkse Mafia zou(den) komen, die gewoon een pistool tegen hun koppen zou(den) leegschieten, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid,

al leen tengevolge van de van haar en/of van één of meer van haar mededader(s) wil onafhankelijke omstandigheid dat die [getuige 1] en/of die [slachtoffer 1] niet hebben betaald, in elk geval al leen tengevolge van een van haar en/of van één of meer van haar mededader(s) wil onafhankelijke omstandigheid;

Subsidiair

[getuige 2] en/of [getuige 3] op of omstreeks 20 januari 1992 te [woonplaats] , althans in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door die [getuige 2] en/of die [getuige 3] voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, met het oogmerk om zich en / of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/ of bedreiging met geweld [getuige 1] en/of [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van fl. 11.000,--, althans een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan die [getuige 1] en/of die [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [getuige 2] en/of die [getuige 3] en/of verdachte en/ of haar (andere) mededader(s), tezamen en in vereniging elkaar, althans alleen, als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende die [getuige 2] en/of die [getuige 3] zich naar de woning van die [getuige 1] en/of die [slachtoffer 1] begeven en/of tegen de/een deur(en) van die woning geschopt en/of getrapt en/of tegen de/een ruit(en) van die woning geslagen/gestompt en/of aan/tegen die [getuige 1] en/of [slachtoffer 1] gezegd dat het geld v66r/op "komende vrijdag'' moest worden afgegeven op de [straat] en/of dat als er niet zou worden betaald Turken/Turkse Mafia zou(den) komen, die gewoon een pistool tegen hun koppen zou(den) leegschieten, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, zijnde de uitvoering van da t voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen tengevolge van de van de wil van die [getuige 2] en/of de wil van die [getuige 3] en/of de wil van verdachte en/of haar (andere) mededader(s) onafhankelijke omstandigheid dat die [getuige 1] en/of die [slachtoffer 1] niet hebben betaald, in elk geval al leen tengevolge van een van de wil van die [getuige 2] en/of de wiI van die [getuige 3] en/of de wiI van verdachte en/of haar (andere) mededader(s) onafhankelijke omstandigheid,

welk vorenomschreven misdrijf zij, verdachte, in of omstreeks de periode van

1 december 1991 tot en met 20 Januari 1992 te Wormerveer en/of te Leusden en/of te Amersfoort, althans in de/het arrondissement(en) Haarlem en/of Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans al leen opzettelijk heeft uitgelokt, welke uitlokking heeft bestaan uit het door haar, verdachte en/of haar mededader(s) verschaffen van inlichtingen, te weten het geven van het adres van die [getuige 1] en/of die [slachtoffer 1] en/of het

doen van beloften, te weten het in het vooruitzicht stellen van een geldbedrag van fl. 1.000,--, althans van een hoeveelheid geld;

Meer subsidiair

zij op of omstreeks 20 januari 1992 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [getuige 1] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s), conform een tevoren met (onder meer) haar, verdachte, gemaakte afspr·aak, opzettelijk dreigend voornoemde [getuige 1] en/of [slachtoffer 1] toegevoegd de woorden: "dat de Turkse mafia zou komen" en/of "dat die Turkse mafia een pistool door hun kop leeg zou schieten'', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Meest subsidiair

[getuige 2] en/of [getuige 3] op of omstreeks 20 januari 1992 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging elkaar, althans al leen, [getuige 1] en/of

[slachtoffer 1] heeft/hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht , althans met zware m ishandeling, immers heeft/hebben [getuige 2] en/of [getuige 3] opzettelijk dreigend voornoemde [getuige 1] en/of [slachtoffer 1] toegevoegd de "woorden: "dat de Turkse mafia zou komen" en/of "dat die Turkse mafia een pistool door hun kop leeg zou schieten'', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

welk vorenomschreven misdrijf zij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 december 1991 tot en met 20 Januari 1992 te Wormerveer en/of te Leusden en/of te Amersfoort, althans in de/het arrondissement(en) Haarlem en/of Utrecht. tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans al leen opzettelijk heeft uitgelokt, welke uitlokking heeft bestaan uit het door haar, verdachte en/of haar mededader(s) verschaffen van inlichtingen, te weten het geven van het adres van die [getuige 1] en/of die [slachtoffer 1] en/of het doen van beloften, te weten het 1n het vooruitzicht stellen van een geldbedrag van fl. 1.000,--, althans van een hoeveel heid geld;

3.

[slachtoffer 1] op of omstreeks 22 maart 1989 te [woonplaats] een garantverklaring,

- Zijnde een geschrift waaruit enig recht en/of enige verbintenis en/of .enige bevrijding van schuld kon ontstaan en/of dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, immers heeft die [slachtoffer 1] valselijk door ondertekening van die garantverklaring verklaard dat het verblijf/woonadres van de vreemdeling [A] was [adres] te [woonplaats] en/of dat zij, [slachtoffer 1] , zich garant stelde voor de kosten, die voor de Staat en voor andere openbare lichamen zouden kunnen voortvloeien uit het verblijf in Nederland van de vreemdeling [A] (terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was), zulks met het oogmerk omdat geschrift als

echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan,

welk vorenomschreven misdrijf zij, verdachte in of omstreeks de periode van l december 1988 tot en met 22 maart 1989 te Amersfoort, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen opzettelijk heeft uitgelokt, welke uitlokking heeft bestaan uit het verschaffen van inlichtingen, te weten het verschaffen van informatie over de gang van zaken net betrekking tot het opmaken van een garantverklaring en/of het doen van beloften, te weten het in het vooruitzicht stellen van een geldbedrag van fl. 5.000,-, althans van een hoeveelheid geld;

4.

[slachtoffer 2] op of omstreeks 2 januari 1990 te [woonplaats] een garantverklaring - zijnde een geschrift waaruit enig recht en/of enige verbintenis en/of enige bevrijding van schuld kon ontstaan en/of dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, immers heeft die [slachtoffer 2] valselijk door ondertekening van die garantverklaring verklaard dat het verblijf/woonadres van de vreemdeling [getuige 8] was [adres] te [woonplaats] en/of dat zij, [slachtoffer 2] , zich garant stelde voor de kosten, die voor de Staat en voor andere openbare lichamen zouden kunnen voortvloeien uit het verblijf in Nederland van de vreemdeling [getuige 8] (terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was), zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan,

welk vorenomschreven misdrijf zij, verdachte in of omstreeks de periode van 1 oktober 1989 tot en met 2 januari 1990 te Bovenkarspel en/of Andijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk heeft uitgelokt, welke uitlokking heeft bestaan uit het verschaffen van inlichtingen, te weten het verschaffen van informatie over de gang van zaken et betrekking tot het opmaken van een garantverklaring en/of het doen van beloften, te weten het in het vooruitzicht stellen van een geldbedrag van fl. 5.000,-, althans van een hoeveelheid geld;


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature