< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Uit het bepaalde in artikel 7:668a BW volgt dat het partijen niet vrij staat om bij overeenkomst af te wijken van hetgeen is bepaald in artikel 7:668a, lid 1, aanhef en onder b BW. Slechts bij CAO of door een bevoegd bestuursorgaan kan van die bepaling worden afgeweken en dat geval doet zich hier niet voor.

Uitspraak



Kantonrechter te 's-Hertogenbosch

Zaaknummer : 816979/141

Rolnummer : 2605/12

Uitspraak : 31 mei 2012

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. A.H.J. Hahn,

Postbus 400, 6000 AK Weert.

t e g e n :

de besloten vennootschap Heesen Yacht Builders B.V.,

gevestigd te Oss,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. C.J. Meijer,

Postbus 18, 5400 AA Uden.

1 De procedure.

Eiser heeft bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. Gedaagde is in rechte verschenen en heeft een conclusie van antwoord genomen, waarbij zij tevens een eis in reconventie heeft ingesteld. Bij rolbeslissing van de kantonrechter is vervolgens een comparitie van partijen gelast, welke heeft plaatsgevonden op 14 mei 2012, gelijktijdig met de mondelinge behandeling van een voorwaardelijk verzoek, aanhangig onder nummer 825666 EJ VERZ 1874/12. Voorafgaand aan de comparitie heeft [eiser] nog een conclusie van antwoord in reconventie genomen. Na afloop van de comparitie is vonnis bepaald. Onder de genoemde processtukken bevonden zich tevens de in die stukken nader aangeduide producties.

Partijen zullen verder worden aangeduid als “ [eiser] ” en “Heesen”.

In conventie en in reconventie:

2 Het geschil.

1. [eiser] vordert een verklaring voor recht dat een opzegging van de arbeidsovereenkomst tegen 1 januari 2012 nietig is met, zakelijk weergegeven, doorbetaling van het overeengekomen loon, vakantiegeld, over deze posten verschuldigd geworden wettelijke verhoging, een bedrag van € 450,= wegens buitengerechtelijke incassokosten en rente en kosten als vermeld in de dagvaarding, alles voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

[eiser] legt daaraan ten grondslag dat tussen partijen op 18 februari 2011 een vierde arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, direct aansluitend op drie eerdere arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:668a, lid 1 aanhef en sub b BW is deze laatste overeenkomst een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Ten onrechte doet Heesen een beroep op een bij het aangaan van de laatste arbeidsovereenkomst gesloten vaststellingsovereenkomst, waarin partijen zijn overeengekomen dat de vierde arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2012 zou eindigen. In de eerste plaats heeft [eiser] zelf al in de beëindigingsovereenkomst laten opnemen dat hij het niet eens is met het feit dat een vierde tijdelijke overeenkomst werd gesloten. Verder heeft te gelden dat het bepaalde in artikel 7:668a, lid 1 aanhef en sub b BW een semi-dwingend karakter heeft. Het staat partijen bij een arbeidsovereenkomst niet vrij ten nadele van de werknemer van deze bepaling af te wijken. Om die reden is de beëindigingsovereenkomst die gelijktijdig met de laatste verlenging van de arbeidsovereenkomst is aangegaan nietig.

Op 18 februari 2011 is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand gekomen. Deze is niet rechtsgeldig geëindigd. [eiser] heeft zich beschikbaar gehouden voor het verrichten van werkzaamheden en om die reden is Heesen gehouden om het hem toekomend loon door te betalen. Ten onrechte heeft Heesen dat vanaf 1 januari 2012 nagelaten.

2.Heesen voert tegen de vordering tot verweer aan dat partijen bij het aangaan van de laatste arbeidsovereenkomst een afspraak hebben gemaakt dat deze met wederzijds goedvinden zou eindigen op 1 januari 2012. Dit is een vaststellingsovereenkomst en de inhoud daarvan was essentieel voor Heesen bij haar beslissing om [eiser] nog langer in dienst te houden. [eiser] was daarvan op de hoogte en wanneer [eiser] daar niet mee zou hebben ingestemd, zou zij de arbeidsovereenkomst met [eiser] niet hebben verlengd. Op de overeenkomst zijn de bepalingen uit boek 7 BW betreffende vaststellingsovereenkomsten van toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 7:902 BW is een vaststellingsovereenkomst ook geldig, indien mocht blijken dat zij in strijd is met dwingend recht, tenzij de overeenkomst tevens naar inhoud of strekking in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde. Dat geval doet zich niet voor. Om die reden is [eiser] gebonden aan die overeenkomst en is de laatste arbeidsovereenkomst ingaande 1 januari 2012 met wederzijdse instemming geëindigd.

Subsidiair heeft Heesen nog verzocht om matiging van de gevraagde wettelijke verhoging. Voorts heeft zij het bestaan van buitengerechtelijke incassokosten betwist.

3.Als uitvloeisel van het verweer in conventie vordert Heesen in reconventie een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 januari 2012 is geëindigd. [eiser] heeft tegen deze vordering verweer gevoerd. Voor de feitelijke onderbouwing van de standpunten van partijen zij verwezen naar de inhoud van de processtukken.

3 De beoordeling.

4.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in het geding gebrachte producties, voor zover de inhoud daarvan niet is weersproken, staat tussen partijen het navolgende vast.

[eiser] is op 18 augustus 2008 in dienst getreden van Heesen op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor de duur van twaalf maanden. Deze arbeidsovereenkomst is met ingang van 18 augustus 2009 verlengd tot 18 februari 2010 en, vervolgens, tot 18 februari 2011. Daarop is opnieuw een arbeidsovereenkomst aangegaan, waarvan niet in geding is dat deze ingevolge de wettelijke bepalingen heeft te gelden als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

4.2

Begin 2011 heeft overleg tussen partijen plaatsgevonden over de verdere verlenging van de arbeidsrelatie. Heesen heeft in die onderhandelingen te kennen gegeven dat zij [eiser] niet voor onbepaalde tijd in dienst wilde nemen, maar wel gebruik wilde blijven maken van zijn diensten. Zij heeft daarom bedongen dat [eiser] bij ondertekening van de laatste arbeidsovereenkomst meteen een beëindigingsovereenkomst zou ondertekenen waarin partijen hadden vastgelegd dat deze arbeidsovereenkomst per 1 januari 2012 zou eindigen. [eiser] heeft deze overeenkomst onder protest getekend.

4.3

Heesen heeft met ingang van 1 januari 2012 de salarisbetalingen aan [eiser] gestaakt, zich daartoe beroepend op de omstandigheid dat ingevolge de beëindigingsovereenkomst de arbeidsrelatie met ingang van die dag was geëindigd.

5.De kantonrechter overweegt nu als volgt.

Heesen erkent dat de vierde overeenkomst tussen partijen, aangegaan met ingang van 18 februari 2011, een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is geworden. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 7:668a, lid1, aanhef en sub b BW en is ook met zoveel woorden vastgelegd in de préambule van de beëindigingsovereenkomst die bij de laatste verlenging van de arbeidsovereenkomst is opgesteld. Uit die vastlegging leidt de kantonrechter af dat Heesen op de hoogte is geweest van het bestaan en de inhoud van artikel 7:668a BW, dus ook van het bepaalde in lid 5 van dat artikel.

6.Uit hetgeen is opgenomen onder punt d. van de préambule van de beëindigingsovereenkomst volgt dat Heesen tevens op de hoogte is geweest van het standpunt van [eiser] dat hij niet kon instemmen met de wens van de werkgever om ook de vierde arbeidsovereenkomst tijdelijk van aard te laten zijn, omdat hij dan na ommekomst van de termijn zijn baan zou verliezen. Voorts volgt daaruit dat Heesen slechts onder dat beding de arbeidsrelatie wilde verlengen.

7.Uit het bepaalde in artikel 7:668a BW volgt dat het partijen niet vrij staat om bij overeenkomst af te wijken van hetgeen is bepaald in artikel 7:668a, lid 1, aanhef en onder b BW. Slechts bij CAO of door een bevoegd bestuursorgaan kan van die bepaling worden afgeweken en dat geval doet zich hier niet voor.

8.Nu staat het uiteraard partijen ten alle tijden vrij om overeen te komen dat zij uit elkaar zullen gaan, maar alleen al uit de préambule van de overeenkomst blijkt dat de werkelijke wil van

[eiser] - en duidelijk kenbaar voor Heesen - niet gericht is geweest op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, maar op behoud van inkomen na 18 februari 2011. De enige reden die aan de beëindigingsovereenkomst ten grondslag ligt is nu juist het uitsluiten van de gevolgen van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 7:668 a BW. Zou de mogelijkheid daartoe in rechte aanvaard worden, dan zou daardoor deze bepaling in één klap volstrekt zinloos worden. In dat geval zou immers elke werkgever op eenvoudige wijze de werking van deze bepaling kunnen omzeilen door, gebruik makend van de zwakke positie van een werknemer wiens tijdelijke contract afloopt en diens financiële afhankelijkheid van de werkgever, de werknemer ertoe te bewegen om bij een derde verlenging van een serie tijdelijke arbeidsovereenkomsten meteen een beëindigingsovereenkomst aan te gaan. Alleen al om die reden kan het verweer van Heesen niet gevolgd worden, want de onderhavige wettelijke bepaling beoogt nu juist werknemers tegen een dergelijke praktijk bescherming te bieden.

9.Door Heesen is ter onderbouwing van haar verweer nog verwezen naar het bepaalde in artikel 7:902 BW . Dat verweer ziet voorbij aan het feit dat dat artikel betrekking heeft op overeenkomsten die beogen een rechtspositie vast te stellen ter beëindiging van onzekerheid of een geschil op vermogensrechtelijk gebied. De in dit geding aan de orde zijnde beëindigingsovereenkomst kan niet worden gekwalificeerd als een dergelijke overeenkomst. Deze bevat immers niets wat duidelijkheid moet bieden ter beëindiging van onzekerheid. De tussen partijen feitelijk en juridisch bestaande situatie per 18 februari 2011 was volstrekt helder en duidelijk en behoefde op geen enkele wijze een nadere vaststelling ter beëindiging van onzekerheid. Voor zover de overeenkomst tot oogmerk had op voorhand een onzekere situatie per 1 januari 2012 te beëindigen moet eveneens worden geoordeeld dat een dergelijke onzekerheid niet bestond, omdat ook Heesen in de overeenkomst zelf al volmondig erkent dat verlenging van de relatie na 18 februari 2011 zou leiden tot een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De overeenkomst beoogt dus niet een eind te maken aan onzekerheid, maar beoogt om in afwijking van een zekere situatie een andere rechtspositie in het leven te roepen, waarvan de wetgever nu juist heeft bepaald dat dat niet ter vrije dispositie van de contractspartijen staat. Evenmin kan worden geoordeeld dat de beëindigingsovereenkomst dient ter beëindiging van een geschil tussen partijen. De onderhavige beëindigingsovereenkomst wordt dan ook naar het oordeel van de kantonrechter niet beheerst door de bepalingen van titel 15 van boek 7 BW.

10.Maar zelfs indien al zou kunnen worden aangenomen dat dit anders zou zijn, dan heeft te gelden dat een overeenkomst die bewust wordt aangegaan om een door de wetgever aan werknemers geboden dwingendrechtelijke bescherming te omzeilen nietig is wegens strijd met de openbare orde en/of goede zeden, die bepaaldelijk vergen dat werkgevers deze mogelijkheid moet worden onthouden.

11.Voor zover Heesen nog heeft aangevoerd dat [eiser] geen beroep heeft gedaan op vernietiging van de beëindigingsovereenkomst is het verweer niet relevant. Een overeenkomst die tot oogmerk heeft een dwingendrechtelijke bepaling buiten werking te stellen kan geen effect hebben, omdat de dwingendrechtelijke bepaling daaraan in de weg staat. Een beroep op vernietiging is dan ook niet nodig om de beëindigingsovereenkomst buiten effect te stellen.

Nu Heesen aan haar verweer met betrekking tot het aanbod van de vierde overeenkomst niet de consequentie heeft verbonden om in rechte de nietigheid van die vierde arbeidsovereenkomst in te roepen wegens dwaling, gaat de kantonrechter verder voorbij aan haar standpunt dat zij de laatste verlenging slechts heeft willen toestaan bij zekerheid over een datum waarop deze zou eindigen. Overigens zou een beroep op dwaling ook niet kunnen slagen, omdat uit de préambule van de beëindigingsovereenkomst blijkt wat het primair standpunt van [eiser] ten aanzien van de beëindigingsovereenkomst was, zodat Heesen zich niet op onbekendheid met dat standpunt kan beroepen.

12.1

Wat betekent het voorgaande voor de vorderingen van [eiser] in conventie en van Heesen in reconventie?

De gevorderde verklaringen voor recht zijn niet toewijsbaar. Van een opzegging van de arbeidsovereenkomst is in rechte niet gebleken. Heesen heeft de loonbetalingen gestaakt in de veronderstelling dat partijen met wederzijdse instemming uit elkaar waren gegaan. Van een opzegging is

de kantonrechter niet gebleken. De e-mail van 12 december 2011 van Heesen aan [eiser] (prod. 1 bij antwoord/eis) bevat ook geen opzegging, maar een verwijzing naar de beëindigingsovereenkomst en de daarin gelegen wederzijdse instemming. Evenmin bestaan gronden om de in reconventie gevorderde verklaring voor recht af te geven.

12.2

Het weigeren van de verklaring voor recht in conventie staat niet in de weg aan toewijzing van het onder B en C gevorderde, nu hiervoor is vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet per 1 januari 2012 is geëindigd. De omvang van de gevorderde bedragen is verder niet betwist. De verplichting tot doorbetaling van loon zal worden beperkt tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd.

12.3

Met betrekking tot de gevorderde verhoging van artikel 7:625 BW heeft Heesen verzocht om matiging. De kantonrechter zal dat verzoek in beperkte mate honoreren, omdat [eiser] mede heeft bijgedragen aan de onduidelijkheid die is ontstaan. Gelet op [eiser] afhankelijkheid van Heesen voor wat betreft zijn inkomen kan hem dit echter slechts in beperkte mate worden aangerekend. Wel neemt de kantonrechter mee dat [eiser] voor het niet betaalde loon ook geen arbeid heeft verricht. Om deze redenen zal de gevorderde verhoging worden gematigd tot 25% van het verschuldigde loon.

13.Door [eiser] zijn geen feiten (werkzaamheden) aangevoerd die toekenning van een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten kunnen rechtvaardigen. Om die reden is in rechte niet aannemelijk geworden dat ter zake kosten zijn gemaakt en zal de gevorderde vergoeding daarvan worden afgewezen.

14.Tegen de gevorderde vergoeding van rente is geen afzonderlijk verweer gevoerd. Deze zal daarom worden toegewezen als gevorderd. Heesen heeft in deze procedure zowel in conventie als in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij te gelden en zal om die reden worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor de gehouden comparitie zal een half punt worden toegekend, nu deze gelijktijdig met de mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek heeft plaatsgevonden en Heesen ook in die procedure tot vergoeding van proceskosten is veroordeeld.

4 De beslissing.

De kantonrechter:

In conventie:

Veroordeelt Heesen om tegen kwijting aan [eiser] te betalen;

de somma van € 3.433,= (zegge: drieduizend vierhonderddrieëndertig euro) bruto ter zake salaris over januari 2012;

een bedrag van € 3.433,= (zeggen: drieduizend vierhonderddrieëndertig euro) bruto per maand vanaf 1 februari 2012 en ter zake regulier salaris, te voldoen op de daarvoor gebruikelijke tijdstippen en te vermeerderen met de vakantietoeslag op het moment waarop die opeisbaar wordt, één en ander tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

een verhoging ex artikel 7:625 BW van maximaal 25 % over de voormelde bedragen, voor zover niet tijdig voldaan;

de wettelijke rente over de voormelde bedragen vanaf de dag dat zij verschuldigd zijn geworden tot aan de dag der voldoening;

Veroordeelt Heesen in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiser] tot aan deze uitspraak begroot op € 681,57, waarvan € 375,= als tegemoetkoming in het salaris van de gemachtigde (niet met B.T.W. belast);

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst af het meer of anders gevorderde;

In reconventie:

Wijst het gevorderde af;

Veroordeelt Heesen in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiser] tot aan deze uitspraak begroot op € 250,= als tegemoetkoming in het salaris van de gemachtigde (niet met B.T.W. belast);

Aldus gewezen te 's-Hertogenbosch door mr. R.J.M. Cremers, kantonrechter, en aldaar uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 mei 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.

Typ: RC/Coll.:

* De kantonrechter maakt sedert 1 januari 2002 onderdeel uit van de rechtbank te 's-Hertogenbosch.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature