E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY6973
LJN BY6973, Rechtbank 's-Gravenhage, fhgfgh

Inhoudsindicatie:

Indien een richtlijnbepaling blijkens aard, inhoud en strekking, direct of indirect, beoogt rechten en/of verplichtingen voor particulieren in het leven te roepen, dient sprake te zijn van een dwingend normatief kader: het beoogde implementatie-instrument moet dan vanuit het oogpunt van rechtszekerheid voor particulieren duidelijk kenbare, rechtens afdwingbare rechten en verplichtingen kunnen scheppen.

Art. 12, lid 2, onder b, van de Richtlijn voorziet in de mogelijkheid het verblijf van een student, die onderdaan is van een land buiten de Europese Unie, te beëindigen indien door hem of haar in de lidstaat onvoldoende studievoortgang wordt geboekt. Deze bepaling beoogt aldus verplichtingen, als hiervoor bedoeld, in het leven te roepen. Dit brengt mee dat met het oog op de rechtszekerheid en rechtsbescherming strenge eisen worden gesteld aan implementatie van deze bepaling; de richtlijnbepaling dient nauwkeurig omgezet te worden in een dwingende bepaling van intern recht. Nu uit het voorgaande volgt dat art. 12, lid 2, onder b, van de Richtlijn niet in een algemeen verbindend voorschrift is omgezet, zal de Rb. eerst bezien of de reeds bestaande nationaalrechtelijke bepalingen als voldoende omzetting van de Richtlijn kunnen dienen, in die zin dat nadere implementatie niet noodzakelijk was. De afwijzing van de onderhavige aanvraag is gebaseerd op art. 18, lid 1, aanhef en onder f, van de Vw 2000, de artikelen 3.41 en 3.42 van het Vb 2000 en paragraaf B6 /2.2 van de Vc 2000. De bepalingen uit de Vw 2000 en het Vb 2000 geven naar het oordeel van de Rb. geen rechtsbasis om een verlengingsaanvraag te weigeren als onvoldoende studievoortgang wordt gerealiseerd. Onvoldoende studievoortgang betekent immers niet dat niet meer wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend en alleen in dat geval zou wel aanleiding bestaan de verlengingsaanvraag te weigeren. Aan de beperkingen wordt pas niet meer voldaan als het gebrek aan studievoortgang resulteert in een bindend studieadvies, waardoor de student de studie moet beëindigen. De beleidsregel in de Vc 2000 vormt evenmin voldoende rechtsbasis om de aanvraag te weigeren. Een beleidsregel, zonder verankering in een algemeen verbindend voorschrift, kan voorts op zichzelf geen bevoegdheidsgrondslag voor afwijzing van een aanvraag bieden. Omzetting van de Richtlijn in beleidsregels is niet mogelijk omdat beleidsregels niet worden aangemerkt als een dwingende bepaling van nationaal recht. Beleidsregels kunnen op ieder gewenst moment worden ingevoerd en gewijzigd zonder dat daartoe enige met waarborgen omklede procedure behoeft te worden gevolgd. Omzetting van richtlijnen in beleidsregels doet dan ook geen recht aan de beginselen van rechtszekerheid en rechtsbescherming. In de omstandigheid dat in art. 12, lid 2, onder b, van de Richtlijn is bepaald dat de verblijfstitel kan worden ingetrokken indien de houder volgens de nationale wetgeving of de bestuurlijke gebruiken onvoldoende studievoortgang boekt, ziet de Rb. geen grond voor een ander oordeel. Dat de normering wanneer van voldoende studievoortgang is gebleken kan worden uitgewerkt via bestuurlijke gebruiken, in casu beleidsregels, betekent niet dat de Richtlijn het daarmee evenzeer mogelijk maakt zonder wettelijke grondslag een aanvraag voor studie af te wijzen indien sprake is van onvoldoende studievoortgang. Het voorgaande brengt met zich dat geen nationaalrechtelijke bevoegdheidsgrondslag bestaat voor het bestreden besluit. Art. 12, lid 2, onder b, van de Richtlijn is niet rechtsgeldig in nationaal recht omgezet. Dit betekent dat het bij WBV 2009/7 gewijzigde beleid, en de voorwaarde dat van voldoende studievoortgang moet zijn gebleken, niet tot afwijzing van de aanvraag van eiseres kan leiden. Evenmin kan verweerder art. 12, lid 2, onder b, van de Richtlijn als bevoegdheidsgrondslag toepassen. Het verbod van omgekeerde rechtstreekse werking van een richtlijn (zie in dit verband de arresten van het Hof van 8 oktober 1987, zaak 80/86, punt 10 (Kolpinghuis) en van 21 oktober 2010, C-227/09, punten 46 en 47 (Accardo)) staat daaraan in de weg. Een lidstaat kan niet ten nadele van een particulier rechten ontlenen aan een richtlijn die door haar toedoen niet (rechtsgeldig) is omgezet en omgekeerd kunnen er voor de particulier geen verplichtingen uit voortvloeien.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie