< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Asiel, China, Oeigoer, 3 EVRM-risico vanwege asielaanvraag, motivering, eiseres heeft bovendien in NL een kind gekregen van een erkend politieke vluchteling, verhoogd risico op schending van art. 3 EVRM, art. 8 EVRM.

De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder aldus dat verweerder van eiseres verlangt dat zij bewijs levert dat zij is gespot door een spionagenetwerk dan wel dat zij in de negatieve belangstelling staat bij de Chinese autoriteiten.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee een te strenge maatstaf hanteert voor het aannemen van een ‘real risk’ op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.

Nog afgezien van de vraag of eiseres op de door haar overgelegde foto’s van demonstraties door de Chinese autoriteiten herkend zal worden als politiek activiste, blijkt uit de onder r.o. 4.8 weergegeven informatie, dat eiseres, die twee jaar geleden Nederland zonder geldig paspoort is ingereisd en hier te lande asiel heeft aangevraagd, het risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM . Gelet hierop is verweerders standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer een reëel risico te lopen op schending van artikel 3 van het EVRM onvoldoende gemotiveerd. (...) De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich bij een nieuw te nemen besluit dient uit te laten over de vraag of het feit dat eiseres een kind heeft van een erkend politieke vluchteling bij haar terugkeer een extra risico met zich brengt dat zij zal worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM .

De stelling van verweerder ter zitting dat de zoon van eiseres bij zijn vader in Nederland kan achterblijven en dat de vraag of de scheiding tussen moeder en kind acceptabel is in het licht van artikel 8 van het EVRM niet in de onderhavige asielprocedure dient te worden beoordeeld, vraagt een nadere motivering gelet op de jurisprudentie van de AbRS over verwesterde Afghaanse asielzoekers (bijvoorbeeld de uitspraak van 7 juni 2010, LJN: BM7416), waarbij ook in het kader van een asielprocedure werd beoordeeld in hoeverre van de desbetreffende vreemdeling kon worden verlangd dat zij haar rechten voortvloeiend uit artikel 8 van het EVRM opgeeft, teneinde een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling te voorkomen.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/39487

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2012 in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer [a]

(gemachtigde: mr. M.M. Volwerk, advocaat te Leiden),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: S.Q. Sandifort).

Procesverloop

Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1970 en de Chinese nationaliteit te hebben.

Bij besluit van 10 februari 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet ( Vw ) 2000 afgewezen. Dit besluit heeft verweerder op 22 juni 2011 ingetrokken. Bij besluit van 17 november 2011 heeft verweerder (opnieuw) afwijzend beslist op de asielaanvraag van eiseres.

Eiseres heeft tegen dit besluit op 6 december 2011 beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Op 16 augustus 2012 heeft eiseres aanvullende gronden ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2012. Eiseres is verschenen en is bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig G. Hubulli-Abbas, tolk in de Oeigoerse taal.

Overwegingen

1 Ter onderbouwing van haar asielaanvraag heeft eiseres het volgende aangevoerd.

In de tweede week van juli 2008 is eiseres in Urumqi opgepakt samen met vijf andere vrouwen, nadat zij in een huis van een Oeigoerse vrouw in groepsverband aan het bidden waren. Hierop is eiseres naar het politiebureau gebracht alwaar zij zeven dagen heeft verbleven. Op de tweede dag van haar detentie is eiseres verhoord. Haar is gevraagd wat de bedoeling was van de bijeenkomst, van welke politieke organisatie zij lid was, wie haar leiders waren en waarom zij religieuze propaganda verspreidde. Na ontkenning van dit alles is eiseres mishandeld. Op de vierde dag van haar detentie is zij wederom verhoord en zijn haar dezelfde vragen gesteld. Opnieuw is eiseres mishandeld en daarnaast uitgescholden. Na haar vrijlating heeft eiseres een in het Chinees opgesteld document moeten ondertekenen waarin zij beloofde te zwijgen over haar detentie en is zij overgedragen aan haar ouders. Na haar vrijlating is eiseres gescheiden van haar man omdat die haar betichtte van betrokkenheid bij politieke zaken. Na een lang verblijf in Hotan tot september 2009 is eiseres teruggekeerd naar Urumqi, waarna zij na een deelname aan een religieuze bijeenkomst van vrouwen opnieuw is gearresteerd en drie dagen vastgehouden. Haar zijn daarbij dezelfde vragen gesteld als bij haar eerste aanhouding en zij is opnieuw uitgescholden. Bij haar vrijlating is eiseres o.a. een meldplicht opgelegd waaraan zij zich eenmaal heeft gehouden. Om het offerfeest te vieren is eiseres vervolgens vertrokken naar Hotan waar zij tot 3 maart 2010 heeft verbleven. Na haar terugkeer naar Urumqi is politie aan de deur geweest op 4 april 2010 om te informeren waarom eiseres zich niet aan de meldplicht heeft gehouden en waar zij zich al die tijd heeft opgehouden en wat zij had gedaan. Daarbij heeft tevens een huiszoeking plaatsgevonden. Omdat er geen bewijs gevonden werd tegen eiseres is haar een waarschuwing uitgedeeld en een reisverbod opgelegd inhoudende dat eiseres Urumqi niet mocht verlaten op straffe van ernstige consequenties. Na 4 april 2010 is de politie niet meer langs geweest. Op aanraden van haar ouders is eiseres op 29 juni 2010 vertrokken uit China nu de angst bestond dat de politieagenten op enig moment zouden terugkomen.

2 Verweerder heeft met verwijzing naar artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van dat artikel, de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat aan het asielrelaas geen geloof kan worden gehecht.

3 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, en d, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling: (a) die verdragsvluchteling is, (b) die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, (c) van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst, of (d) voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Blijkens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), onder meer de uitspraak van 21 juli 2009 (LJN: BJ3621), behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten en omstandigheden tot de verantwoordelijkheid van verweerder en kan die beoordeling door de rechter slechts terughoudend worden getoetst. Die jurisprudentie volgend is de vraag aan de orde of verweerder, gelet op de motivering neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren en de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen.

In de Vreemdelingencirculaire 2000, hoofdstuk C14/3, heeft verweerder het beleid neergelegd inzake de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

Indien zich een van de omstandigheden van artikel 31, tweede lid, a tot en met f, van de Vw 2000 voordoet, doet dit afbreuk aan de geloofwaardigheid van het relaas. Er mogen dan in het relaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

4.1 Indien ten aanzien van één van de elementen van identiteit, nationaliteit en reisroute documenten ontbreken en dit is toe te rekenen aan de vreemdeling, dan is dit volgens vaste jurisprudentie reeds voldoende voor de conclusie dat sprake is van het toerekenbaar ontbreken van documenten.

4.2 De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiseres heeft kunnen tegenwerpen

dat zij haar boardingpas die zij heeft gebruikt voor haar reis van Istanbul naar Amsterdam is kwijtgeraakt. Van eiseres mag worden verwacht dat zij dit document zorgvuldig bewaart. Dit geldt temeer nu eiseres ook haar vliegreizen van China naar Azerbeidjan en van Azerbeidjan naar Turkije niet heeft gestaafd met reisdocumenten.

Tevens heeft verweerder eiseres kunnen toerekenen dat zij haar paspoort in Turkije heeft afgegeven aan haar reisagent voor het laten plaatsen van een stempel. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de verklaringen van eiseres niet dat eiseres haar paspoort onder dwang heeft afgegeven aan de reisagent. Dat deze reisagent vervolgens niet meer is teruggekomen laat de rechtbank voor risico van eiseres. Eiseres had zich moeten en kunnen realiseren welk belang de Nederlandse autoriteiten hebben bij het paspoort.

Verder laat het betoog dat eiseres zich na haar aankomst hier te lande gelijk heeft gemeld bij de douane en met de door haar afgelegde verklaringen en die van de Oeigoerse jongen met wie zij vanuit Istanbul naar Amsterdam is gereisd, haar reisroute voldoende geverifieerd kan worden, wat daar overigens ook van zij, onverlet dat verweerder voornoemde documenten van eiseres mocht verlangen.

Voor zover eiseres heeft willen betogen dat verweerder aan haar Oeigoerse reisgezel, ondanks dat hij op dezelfde wijze zijn paspoort aan de reisagent heeft moeten afstaan, het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 niet heeft tegengeworpen, overweegt de rechtbank dat eiseres met deze enkele stelling niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen. Daarbij geldt bovendien dat aan eiseres ook het ontbreken van overige reisdocumenten is tegengeworpen.

Reeds gelet op voorgaande tegenwerpingen heeft verweerder in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiseres kunnen tegenwerpen en zich op het standpunt kunnen stellen dat van het asielrelaas een positieve overtuigingskracht moet uitgaan.

4.3 Zoals volgt uit de jurisprudentie van de AbRS van 11 december 2009,

LJN: BK8672, kan, indien van het relaas positieve overtuigingskracht moet uitgaan, reeds een enkel(e) hiaat, vaagheid, ongerijmde wending of tegenstrijdigheid op het niveau van relevante bijzonderheden tot de slotsom leiden dat daarvan geen sprake is.

4.4 In aanmerking genomen het hiervoor weergegeven beoordelingskader heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat het asielrelaas van eiseres positieve overtuigingskracht mist.

Van het hoge aantal door verweerder genoemde tegenstrijdigheden, vaag- en ongerijmdheden in het nader gehoor heeft verweerder in het bijzonder de volgenden mogen tegenwerpen.

Het gaat allereerst om de verklaringen van eiseres over wanneer zij voor het eerst aan de religieuze bijeenkomsten heeft deelgenomen. Zo heeft eiseres (p. 11) verklaard dat zij in 2007 is begonnen met een groepje vrouwen uit de Koran te lezen, terwijl eiseres de tweede keer (p. 12) op de vraag wie het initiatief heeft genomen om de religieuze bijeenkomsten te houden en wanneer de eerste keer was dat zo’n bijeenkomst is gehouden, heeft geantwoord dat het initiatief is genomen door een Oeigoerse vrouw die op 5 juli 2009 haar kind heeft verloren tijdens de ongeregeldheden (p. 12) en dat het verlies van haar kind aanleiding is geweest voor het houden van religieuze bijeenkomsten. De verklaring die eiseres voor de geconstateerde tegenstrijdigheid heeft gegeven, namelijk dat naar aanleiding van de dood van een kind van een van de vrouwen in 2009 de bijeenkomsten op structurele en frequente basis zijn gaan plaatsvinden om welke reden eiseres kennelijk 2009 als beginjaar van de bijeenkomsten heeft genoemd, heeft verweerder als niet overtuigend terzijde kunnen schuiven. De gehoorambtenaar heeft eiseres de tweede keer immers expliciet gevraagd naar de eerste keer dat de bijeenkomst is gehouden.

Daarnaast heeft verweerder de verklaringen van eiseres dat de religieuze bijeenkomsten in de nachtelijke uren plaatsvonden ongeloofwaardig kunnen achten, nu de kans dat bijeenkomsten op nachtelijke tijdstippen opvallen en in dat geval de verdenking van illegale activiteiten groter is dan wanneer de bijeenkomsten overdag zouden plaatsvinden. Verder komen de verklaringen van eiseres in haar zienswijze dat de deelneemsters van de bijeenkomsten in de zomer om 02.00 uur vertrokken en in de winter om 04.00 uur, niet overeen met de verklaringen van eiseres in het nader gehoor dat de hele nacht door tot in de ochtend werd gebeden.

Voorts heeft verweerder eiseres kunnen tegenwerpen dat zij in het nader gehoor inconsistente verklaringen heeft afgelegd over wie allemaal bekend waren met haar detenties. Eiseres heeft in eerste instantie verklaard dat iedereen wist dat zij twee keer gedetineerd is geweest, dat dit een soort smet op haar reputatie was waardoor iedereen afstand van haar hield, waardoor zij voorts werd gediscrimineerd en mede daardoor ook geen baan heeft kunnen krijgen. Deze verklaringen wijken af van de latere verklaringen van eiseres dat enkel haar familie en de zes vrouwen, die ook aanwezig waren op de bijeenkomsten en gearresteerd zijn, op de hoogte zijn van haar detenties en dat het haar onbekend is wie nog meer op de hoogte is van haar detenties. In haar zienswijze geeft eiseres aan dat mensen in haar woonomgeving afstand bewaarden en niet met haar praatten omdat indien iemand langere tijd niet werd gesignaleerd al snel een vermoeden rees dat iemand een mogelijke activiste is en gedetineerd is geweest, hetgeen zich weer niet verhoudt met de eerdergenoemde verklaring van eiseres dat afgezien van de zes vrouwen en haar familie haar niet bekend was wie nog meer op de hoogte was van haar detenties.

Verweerder heeft tot slot eiseres kunnen tegenwerpen dat haar verklaringen dat zij China, via de luchthaven van Urumqi, op legale wijze, met gebruikmaking van haar eigen paspoort, en probleemloos heeft verlaten, niet rijmen met haar verklaringen dat aan haar een reisverbod is opgelegd door de politie van Urumqi. Eiseres heeft hiertegenover gesteld dat het aan haar opgelegde reisverbod niet in de weg stond aan haar uitreis nu aan haar eerder in 2007 een paspoort is afgegeven waardoor zij, gelet op het algemeen ambtsbericht China van juni 2010 waarin staat vermeld dat indien men eenmaal een paspoort heeft gekregen, uitreizen geen probleem is, China probleemloos heeft weten te verlaten. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat in het ambtsbericht waarnaar eiseres verwijst tevens wordt aangegeven dat indien de Chinese autoriteiten willen beletten dat een persoon het land verlaat, overgegaan zal worden tot het weigeren van verstrekking van een paspoort of tot het innemen van een paspoort. Niet is gebleken dat ten tijde van de gestelde huiszoeking in 2010 en het daarbij opgelegde reisverbod, het paspoort van eiseres is ingenomen. Indien de autoriteiten van Urumqi daadwerkelijk wilden beletten dat eiseres zou uitreizen lag een inname van het paspoort van eiseres in de rede. Op grond van het vorenstaande en in samenhang bezien met genoemde ongerijmde verklaringen, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ongeloofwaardig is dat aan eiseres een reisverbod is opgelegd door de Chinese autoriteiten.

4.5 De stelling van eiseres dat het bestreden besluit is gebaseerd op het nader gehoor dat op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen kan niet leiden tot een geslaagd beroep, gelet op het navolgende.

Met betrekking tot de stellingen van eiseres over de oncomfortabele wachtruimte, overweegt de rechtbank dat zij het standpunt van verweerder dienaangaande onderschrijft zoals dat is verwoord in het bestreden besluit.

Het enkele feit dat het nader gehoor lang heeft geduurd is voorts onvoldoende om aan te nemen dat dit gehoor niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Voor zover is betoogd dat de tegenstrijdigheden in het relaas verklaarbaar zijn op grond van de medische klachten van eiseres, zoals hoofdpijn en vermoeidheid, overweegt de rechtbank dat in het gehele gehoor tegenstrijdigheden voorkomen. Daarbij komt dat niet alleen tegenstrijdigheden zijn geconstateerd maar ook ongerijmde wendingen, zoals één daarvan hierboven is uiteengezet, die niet verklaard kunnen worden door de gestelde klachten van eiseres. Tot slot is het aantal geconstateerde tegenstrijdigheden te groot om te worden verklaard door deze klachten.

4.6 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiseres aangaande de gestelde gebeurtenissen in China ongeloofwaardig is.

4.7 Eiseres heeft betoogd dat zij vanwege het enkele feit dat zij hier te lande asiel heeft aangevraagd bij terugkeer naar China een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM). Dit risico wordt bovendien verhoogd doordat zij politiek actief is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres verwezen naar een aantal stukken, waaronder het jaarverslag van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) van 2010 en de brief van Amnesty International van 28 maart 2012

4.8 In het jaarverslag van de AIVD van 2010, waar eiseres naar heeft verwezen, staat,

voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Chinese spionage in Nederland vindt plaats op diverse terreinen. De Chinese inlichtingendiensten hebben met name belangstelling voor Chinese minderheden,

economische informatie (bijvoorbeeld op het terrein van ontwikkeling van hoogwaardige technologie) en wetenschap. Hierbij wordt gebruik gemaakt van zowel de ‘klassieke’ spionagemethoden (de inzet van agenten en informanten) als digitale spionage vanuit China zelf. Het Chinese inlichtingenapparaat wil zicht houden op de activiteiten van Chinese minderheden in Nederland. Met name groepen die zich inzetten voor een grotere

onafhankelijkheid in China, zoals politiek actieve Oeigoeren, kunnen rekenen op heimelijke bemoeienis van de Chinese overheid.”

Uit het jaarverslag van de AIVD van 2011 dat ter zitting aan de orde is gesteld en dat een actualisering is van het jaarverslag van 2010 waar eiseres een beroep op heeft gedaan, blijkt dat de Chinese autoriteiten de Oeigoerse gemeenschap in Nederland nauwlettend in de gaten houden en op detailniveau op de hoogte zijn van Oeigoerse verenigingen in Nederland: “De Chinese autoriteiten zijn ook geïnteresseerd in de Chinese minderheden in Nederland en houden deze nauwlettend in de gaten. Vooral Oeigoeren worden streng gecontroleerd en zelfs onder druk gezet om informatie over (contact)personen van de Oeigoerse gemeenschap te verzamelen. China probeert te infiltreren in Oeigoerse verenigingen in Nederland en is op detailniveau op de hoogte van het wel en wee binnen de organisaties. Het doel is grip en controle te krijgen en te houden op deze gemeenschap en te voorkomen dat de Oeigoerse gemeenschap zich effectief organiseert.”

In de brief van Amnesty International van 28 maart 2012 zijn, voor zover hier van belang, de volgende passages opgenomen:

“The organisation is of the opinion that failed ethnic Uighur asylum-seekers who are forcibly returned to China are at risk of human rights violations, including arbitrary detention, enforced disappearance, execution, unfair trial, and torture and ill-treatment in detention.

Amnesty International is aware that the Chinese government maintains an extensive intelligence and espionage network overseas, targeted particularly at groups it considers ‘sensitive’. That is primarily Uighurs […] The Uighur community in the Netherlands is known to be a target of such intelligence gathering and espionage operations. This information has also been confirmed by the Dutch General Intelligence and Security Sevice in its Annual report 2010.

Based on this, Amnesty International considers it likely that the Chinese authorities are aware of Uighur asylum-seekers’ presence in the Netherlands shortly after their arrival, and that they follow closely the activities of Uighurs in the Netherlands, particularly those who apply for asylum and who are politically active.

As also stated in the Thematic Country Report [het ambtsbericht], Amnesty International is aware of cases in which the fact of applying for asylum is considered as disloyalty to the motherland and, as such, ground for punishment of prosecution in China.

It is Amnesty International’s assessment that, given the current political situation in the XUAR, Uighurs who have been active in overseas political and/or human rights activities and who have apllied for asylum would face heightened risk of human rights violation if they are forcibly returned to China.

Uighurs in any form of detention in the XUAR are at heightened risk of torture and ill-treatment. This is particularly the case for those suspected of political activities –which include expressions of support for Uighur cultural of ethnic identity, or even the simple transmission of information to foreign sources.

The human rights consequences for Uighurs who have applied for asylum and have subsequently been rejected and forcibly returned to China, are clear and serious. In past years, Uighurs who have been forcibly returned to China, and subsequently were able to leave the country again, have reported being tortured, arbitrarily detained, punished on the grounds of illegally leaving the country and ‘betraying the Motherland’ for their actions abroad. The fact that these individuals had applied for asylum while abroad has been grounds for the authorities to suspect them of ‘criminal’ activity or intent.

The Chinese authorities maintain an extensive network of professional intelligence staff, based within their overseas embassies and non-governmental organizations, including Chinese media organizations and academics, who monitor the activities of Chinese citizens overseas and report back to Chinese authorities.

In addition, they maintain an effective network of informants who are often themselves members of the target group.

Amnesty International has been monitoring the Chinese overseas intelligence network for many years. Many Uighurs and other Chinese citizens studying of working abroad have reported to Amnesty International that they were pressured to act as informants through coercive measures, including threats to their family members still residing in China, of for other exchange for the ability to obtain a passport, to return or to re-exit from China, of for other benefits. Numerous Uighurs, including students, asylum seekers and others, have reported to the organization how they were approached both overseas and within China by individuals working for the Chinese authorities and pressured into working as informants.

It is Amnesty International’s assessment that an ethnic Uighur who has applied for political asylum abroad and is forcibly returned to China is at risk of human rights violations upon return. Ethnic Uighurs who have been active in overseas political groups would face a heightened risk, as the Chinese authorities routinely blame unrest in the XUAR on such overseas groups. Such a person would almost certainly be detained for interrogation upon arrival and would be at risk of detention, arrest, criminal prosecution and an unfair trial. It is Amnesty International assessment, based on a large number of interviews with Uighurs, that torture of other ill-treatment of Uighurs is endemic in places of detention.”

4.9 Verweerder betwist niet dat eiseres zich heeft aangesloten bij diverse Oeigoerse verenigingen en dat zij heeft meegedaan aan verschillende demonstraties in Nederland.

Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij in de negatieve belangstelling staat bij de Chinese autoriteiten vanwege haar asielaanvraag dan wel vanwege haar politieke activiteiten die bovendien heel marginaal van aard zijn (geweest).

4.10 De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder aldus dat verweerder van eiseres verlangt dat zij bewijs levert dat zij is gespot door een spionagenetwerk dan wel dat zij in de negatieve belangstelling staat bij de Chinese autoriteiten.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee een te strenge maatstaf hanteert voor het aannemen van een ‘real risk’ op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.

Nog afgezien van de vraag of eiseres op de door haar overgelegde foto’s van demonstraties door de Chinese autoriteiten herkend zal worden als politiek activiste, blijkt uit de onder

r.o. 4.8 weergegeven informatie, dat eiseres, die twee jaar geleden Nederland zonder geldig paspoort is ingereisd en hier te lande asiel heeft aangevraagd, het risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM .

Gelet hierop is verweerders standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer een reëel risico te lopen op schending van artikel 3 van het EVRM onvoldoende gemotiveerd en komt het besluit om die reden voor vernietiging. Het beroep zal gegrond worden verklaard.

4.11 Tot slot overweegt de rechtbank nog het volgende. Eiseres heeft in beroep betoogd dat zij inmiddels een kind heeft gekregen van een als vluchteling toegelaten Oeigoer en dat zij hierdoor bij terugkeer naar China met haar kind, door vertoning van zijn geboorteakte waaruit de persoonsgegevens van de vader zullen blijken, een (verhoogd) risico loopt op schending van artikel 3 EVRM. Met toepassing van artikel 83 van de Vw 2000 zal de rechtbank deze omstandigheid bij de beoordeling betrekken.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich bij een nieuw te nemen besluit dient uit te laten over de vraag of het feit dat eiseres een kind heeft van een erkend politieke vluchteling bij haar terugkeer een extra risico met zich brengt dat zij zal worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM .

De stelling van verweerder ter zitting dat de zoon van eiseres bij zijn vader in Nederland kan achterblijven en dat de vraag of de scheiding tussen moeder en kind acceptabel is in het licht van artikel 8 van het EVRM niet in de onderhavige asielprocedure dient te worden beoordeeld, vraagt een nadere motivering gelet op de jurisprudentie van de AbRS over verwesterde Afghaanse asielzoekers (bijvoorbeeld de uitspraak van 7 juni 2010, LJN: BM7416), waarbij ook in het kader van een asielprocedure werd beoordeeld in hoeverre van de desbetreffende vreemdeling kon worden verlangd dat zij haar rechten voortvloeiend uit artikel 8 van het EVRM opgeeft, teneinde een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling te voorkomen. Zo oordeelde de AbRS dat wanneer, zoals in dit geval, een beroep op het recht op respect voor het privé-leven bedoeld in artikel 8 van het EVRM is gedaan in samenhang met een beroep op artikel 3 van het EVRM en direct verband houdt met het in laatstgenoemde verdragsbepaling opgenomen verbod op een behandeling als daarin bedoeld, staat de in het algemeen geldende scheiding tussen enerzijds gronden die aanspraak geven op een verblijfsvergunning asiel en anderzijds gronden die aanspraak geven op een verblijfsvergunning regulier, er niet aan in de weg het beroep op artikel 8 van het EVRM te betrekken bij de beoordeling of de desbetreffende vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

4.12 De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, vastgesteld op

€ 874,00, te voldoen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Zanlier-Erkan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

3 oktober 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature