< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank stelt vast dat de op 18 april 2012 gestelde prejudiciële vragen zullen moeten worden beantwoord voordat de AbRS uitspraak zal doen in de hoger beroepszaak van de vreemdeling. Dit gegeven was al bekend, althans had al bekend moeten zijn bij verweerder ten tijde van de inbewaringstelling van de vreemdeling. Immers, de mededeling dat de zaak wordt aangehouden dateert van 10 juli 2012. Op de site van de AbRS wordt reeds op 18 april 2012 medegedeeld dat de verwachting is dat de beantwoording van de vragen ongeveer anderhalf tot twee jaar op zich zal laten wachten.

De enkele omstandigheid dat het hoger beroep geen schorsende werking heeft en evenmin sprake is van een door de voorzitter van de Afdeling toegewezen verzoek om voorlopige voorziening dat de vreemdeling gedurende de behandeling van het hoger beroep niet naar Guinee wordt uitgezet, kan er niet aan afdoen dat het bij de gegeven stand van zaken reeds ten tijde van de inbewaringstelling van de vreemdeling niet te verwachten was dat de beoogde uitzetting binnen afzienbare tijd zou kunnen plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de AbRS van 17 januari 2011 (LJN: JBP1916). Weliswaar betreffen de vragen in het onderhavige geval niet een makkelijk en objectief te identificeren groep mensen als in de zaak die aanleiding gaf tot de voornoemde uitspraak van 17 januari 2011, dit neemt echter niet weg dat de AbRS heeft geoordeeld dat de prejudiciële vragen voor deze vreemdeling van belang zijn en verweerder hiervan op de hoogte was gesteld voorafgaand aan de bewaringsmaatregel.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/30117

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2012, beroep vrijheidsontnemende maatregel in de zaak tussen

[vreemdeling, V-nummer [a],

(gemachtigde: mr. F. Fonville),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).

Procesverloop

Op 20 september 2012 heeft de vreemdeling een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

De openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2012. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig J. Kolijn, tolk in de Franse taal.

Overwegingen

1 De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1990 en de Guinese nationaliteit te hebben. Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van

19 september 2012 waarbij de vreemdeling de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd.

2 Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet ( Vw ) 2000 staat ter beoordeling of dit besluit in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

3 De vreemdeling heeft onder andere aangevoerd dat zijn in 2011 ingediende asielaanvraag is afgewezen. Hij heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft zijn beroep bij uitspraak van 19 maart 2012 gegrond verklaard met instandlating van de rechtsgevolgen. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS). Bij brief van 10 juli 2012 heeft de voorzitter van de AbRS bericht dat de AbRS aan het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen heeft gesteld met betrekking tot de uitleg van de artikelen 9 en 10 van de richtlijn 2004 /83/EG van de Raad van de Europese Unie van

29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de hier verleende bescherming in relatie tot het hebben en invullen van een seksuele gerichtheid. De voorzitter van de AbRS heeft in zijn brief geconcludeerd dat hetgeen in het hoger beroep door de vreemdeling aan de orde is gesteld onder de reikwijdte van voormelde prejudiciële vragen valt en het antwoord van het Hof op deze vragen derhalve van belang is voor de beoordeling van de zaak, zodat de AbRS de behandeling van het hoger beroep zal aanhouden. Dit betekent dat de vreemdeling voorlopig niet kan worden uitgezet, zodat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.

4 De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de op 18 april 2012 gestelde prejudiciële vragen zullen moeten worden beantwoord voordat de AbRS uitspraak zal doen in de hoger beroepszaak van de vreemdeling. Dit gegeven was al bekend, althans had al bekend moeten zijn bij verweerder ten tijde van de inbewaringstelling van de vreemdeling. Immers, de mededeling dat de zaak wordt aangehouden dateert van 10 juli 2012. Op de site van de AbRS wordt reeds op

18 april 2012 medegedeeld dat de verwachting is dat de beantwoording van de vragen ongeveer anderhalf tot twee jaar op zich zal laten wachten.

De enkele omstandigheid dat het hoger beroep geen schorsende werking heeft en evenmin sprake is van een door de voorzitter van de Afdeling toegewezen verzoek om voorlopige voorziening dat de vreemdeling gedurende de behandeling van het hoger beroep niet naar Guinee wordt uitgezet, kan er niet aan afdoen dat het bij de gegeven stand van zaken reeds ten tijde van de inbewaringstelling van de vreemdeling niet te verwachten was dat de beoogde uitzetting binnen afzienbare tijd zou kunnen plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de AbRS van 17 januari 2011

(LJN: JBP1916). Weliswaar betreffen de vragen in het onderhavige geval niet een makkelijk en objectief te identificeren groep mensen als in de zaak die aanleiding gaf tot de voornoemde uitspraak van 17 januari 2011, dit neemt echter niet weg dat de AbRS heeft geoordeeld dat de prejudiciële vragen voor deze vreemdeling van belang zijn en verweerder hiervan op de hoogte was gesteld voorafgaand aan de bewaringsmaatregel.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring van de vreemdeling van meet af aan onrechtmatig was. Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met ingang van 2 oktober 2012.

Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor dertien dagen onrechtmatige bewaring ten bedrage van

2 x € 105,-- + 11 x € 80,-- = € 1.090,--.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,-- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe, groot € 1.090,-- ten laste van verweerder, te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,-- welke kosten verweerder aan de griffier dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van J.J. Kip, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Krachtens artikel 95 Vw 2000 staat tegen deze uitspraak voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature