< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Uit artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 343 /2003 vloeit voort dat Italië van rechtswege heeft ingestemd met de terugname van verzoekers. Uit vaste jurisprudentie volgt dat verweerder in dergelijke gevallen niet is gehouden zich ervan te vergewissen dat Italië zich terecht verantwoordelijk acht. Deze regel lijdt slechts uitzondering als gebleken is van zeer bijzondere, met het verzoek samenhangende omstandigheden, die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. In dit geval is van dergelijke omstandigheden sprake.

Allereerst heeft verweerder niet onderbouwd waarom sprake is van terugname op grond van artikel 16 van Vo 343 /2003. Verweerder heeft zijn verzoek om terugname gebaseerd op het feit dat de Zwitserse autoriteiten hebben aangegeven dat Italië, door niet tijdig te reageren op hun verzoek om overname van 21 december 2011, verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van verzoekers. Noch uit het verzoek om overname van de Zwitserse autoriteiten, dat is gebaseerd op artikel 10, tweede lid, van Vo 343 /2003, noch uit de verklaringen van verzoekers, noch uit Eurodac kan worden afgeleid dat verzoekers in Italië een asielprocedure (hebben) doorlopen. Het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt dat Italië door niet tijdig te reageren de behandeling van de asielverzoeken van Zwitserland heeft overgenomen, zodat de asielverzoeken thans in Italië in behandeling zijn en er om die reden sprake is van terugname, vindt geen steun in de bepalingen van Vo 343/2003, noch in de jurisprudentie, nog daargelaten dat dit standpunt niet in de bestreden besluiten is neergelegd.

Daarnaast is gesteld en door verweerder niet bestreden dat de moeder van verzoekers vanuit Italië is teruggekeerd naar Nigeria en dat er op dit moment geen contact is tussen verzoekers en hun moeder en dat de vader van verzoekers vanuit Italië is uitgezet naar Senegal. Bij het Internationale Rode Kruis zijn traceringsverzoeken uitgezet om de ouders van verzoekers te vinden. Gelet op de kwetsbare positie van alleenstaande minderjarige asielzoekers in Italië had verweerder zich niet zonder nader onderzoek en nadere motivering op het standpunt mogen stellen dat sprake is van terugname als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 343 /2003, en had verweerder bovendien niet zonder meer mogen uitgaan van de dubbele fictie dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van verzoekers.

Uitspraak



RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 12/20027 (voorlopige voorziening verzoeker 1)

AWB 12/20026 (beroep verzoeker 1)

AWB 12/20025 (voorlopige voorziening verzoeker 2)

AWB 12/20024 (beroep verzoeker 2)

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juli 2012

inzake

[verzoeker 1],

geboren op [datum] 1996,

van onbekende nationaliteit,

verzoeker 1,

[verzoeker 2],

geboren op [datum] 1998,

verzoeker 2,

van Senegalese nationaliteit,

gezamenlijk te noemen: verzoekers,

gemachtigde mr. P.J. van den Hoogen,

tegen

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde mr. N.S. Hilbrink.

&lt;b&gt;Procesverloop&lt;/b&gt;

Bij afzonderlijke besluiten van 21 juni 2012, genomen in de algemene asielprocedure, heeft verweerder de aanvragen van verzoekers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Verzoekers hebben op 21 juni 2012 tegen deze besluiten beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende de beroepen verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen.

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 17 juli 2012, waar verzoekers zijn verschenen in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

&lt;b&gt;Overwegingen&lt;/b&gt;

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter – indien hij van oordeel is dat na de zitting waarop het verzoek is behandeld, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak – onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. In de uitnodiging voor de zitting zijn partijen op deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter gewezen.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bedoelde situatie zich hier voordoet en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de aanhangige hoofdzaken.

4. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de ze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag, ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (Vo 343/2003).

5. Voor zover hier van belang gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten. Verweerder heeft de Zwitserse autoriteiten verzocht om verzoekers terug te nemen op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 343 /2003, omdat is gebleken dat verzoekers vóór hun komst naar Nederland met hun moeder in Zwitserland asiel hebben aangevraagd. Zwitserland heeft het verzoek om terugname afgewezen en medegedeeld dat Italië op grond van de Vo 343/2003 verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van verzoekers. Daarbij hebben de Zwitserse autoriteiten er op gewezen dat zij Italië hebben gevraagd om verzoekers over te nemen op grond van artikel 10, tweede lid, van Vo 343 /2003. Italië heeft niet (tijdig) gereageerd op dit overnameverzoek, zodat Italië op grond van artikel 18, zevende lid, van Vo 343 /2003 wordt geacht in te stemmen met overname van verzoekers. Hierop heeft verweerder op 10 mei 2012 de Italiaanse autoriteiten verzocht om verzoekers terug te nemen op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 343 /2003. Omdat Italië niet tijdig heeft gereageerd op het verzoek om terugname staat de verantwoordelijkheid van Italië voor de behandeling van de asielaanvraag van verzoekers inmiddels vast.

6. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat verzoeker niet zonder meer had mogen uitgaan van het fictieve claimakkoord, maar nader onderzoek had moeten doen naar de vraag of zij in Italië een verblijfsvergunning hebben gehad of een procedure hebben doorlopen. Dit is van belang omdat terugname op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 343 /2003 alleen van toepassing is als wordt overgedragen naar een lidstaat waar al een asielverzoek inhoudelijk in behandeling is genomen. Als nog niet eerder een asielverzoek is ingediend in de lidstaat waarnaar wordt overgedragen is sprake van overname en is in dit geval artikel 6 van Vo 343/2003 van toepassing, op grond waarvan de lidstaat waar de onbegeleide minderjarige zijn eerste asielverzoek heeft ingediend verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. Verweerder heeft zijn stelling dat sprake is van terugname en dat artikel 6 van Vo 343/2003 daarom niet van toepassing is, niet nader onderbouwd, aldus verzoekers.

7. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 343 /2003, is de lidstaat die krachtens deze verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, verplicht om een asielzoeker wiens verzoek in behandeling is en die zich ophoudt in een andere lidstaat zonder daarvoor toestemming te hebben gekregen volgens de in artikel 20 bepaalde voorwaarden terug te nemen.

8. De voorzieningenrechter stelt vast dat de Italiaanse autoriteiten niet tijdig hebben gereageerd op het claimverzoek van verweerder van 10 mei 2012. Uit artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 343 /2003 vloeit voort dat Italië aldus van rechtswege heeft ingestemd met de terugname van verzoekers. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat verweerder in dergelijke gevallen niet is gehouden zich ervan te vergewissen dat Italië zich terecht verantwoordelijk acht. Deze regel lijdt slechts uitzondering als gebleken is van zeer bijzondere, met het verzoek samenhangende omstandigheden, die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2004, zaaknummer 200406297/1. De Afdeling heeft de lijn van deze uitspraak onlangs nog bevestigd in uitspraken van 7 maart 2012, zaaknummer 201108754/1/V4, en van 4 januari 2012, zaaknummers 201007263/1/V4 en 201010283/1/V4.

9. In dit geval is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van zeer bijzondere, met het verzoek samenhangende omstandigheden, die leiden tot het oordeel dat het beginsel van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 343 /2003, dient te worden doorbroken. Aan dat oordeel liggen twee redenen ten grondslag.

10. Allereerst heeft verweerder in het bestreden besluit op geen enkele wijze onderbouwd waarom sprake is van terugname op grond van artikel 16 van Vo 343 /2003. Verweerder heeft zijn verzoek om terugname gebaseerd op het feit dat de Zwitserse autoriteiten hebben aangegeven dat Italië, door niet tijdig te reageren op hun verzoek om overname van 21 december 2011, verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van verzoekers. Noch uit het verzoek om overname van de Zwitserse autoriteiten, dat is gebaseerd op artikel 10, tweede lid, van Vo 343 /2003, noch uit de verklaringen van verzoekers, noch uit Eurodac kan worden afgeleid dat verzoekers in Italië een asielprocedure (hebben) doorlopen. Het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt dat Italië door niet tijdig te reageren de behandeling van de asielverzoeken van Zwitserland heeft overgenomen, zodat de asielverzoeken thans in Italië in behandeling zijn en er om die reden sprake is van terugname, vindt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen steun in de bepalingen van Vo 343/2003, noch in de jurisprudentie, nog daargelaten dat dit standpunt niet in de bestreden besluiten is neergelegd.

11. Daarnaast is gesteld en door verweerder niet bestreden dat de moeder van verzoekers vanuit Italië is teruggekeerd naar Nigeria, dat er op dit moment geen contact is tussen verzoekers en hun moeder. Eveneens gesteld en niet bestreden is dat de vader van verzoekers vanuit Italië is uitgezet naar Senegal. Bij het Internationale Rode Kruis zijn traceringsverzoeken uitgezet om de ouders van verzoekers te vinden. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat verzoekers daadwerkelijk alleenstaand zijn. Gelet op de kwetsbare positie van alleenstaande minderjarige asielzoekers in Italië, zoals die naar voren komt uit onder meer de vragen die in aanhangige zaken betreffende minderjarigen zijn gesteld door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, de brief van Nidos van 24 oktober 2011 en het rapport van T. Hammarberg, commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa, van 7 september 2011, had verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zonder nader onderzoek of nadere motivering op het standpunt mogen stellen dat in het onderhavige geval sprake is van terugname als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 343 /2003, en had verweerder bovendien niet zonder meer mogen uitgaan van de dubbele fictie dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van verzoekers.

12. Verweerder heeft gelet op het vorenstaande niet aannemelijk gemaakt dat het verzoek om terugname is gebaseerd op een juiste grondslag.

13. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de beroepen gegrond verklaren. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. De voorzieningenrechter zal de bestreden besluiten vernietigen en verweerder opdragen nieuwe besluiten te nemen met in achtneming met hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening afwijzen.

14. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 1.311,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

- 1 punt voor het indienen van gelijkluidende beroepschriften;

- 1 punt voor het indienen van gelijkluidende verzoekschriften;

- 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

- waarde per punt € 437,00, wegingsfactor 1.

15. Aangezien ten behoeve van verzoekers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

&lt;b&gt;Beslissing &lt;/b&gt;

De voorzieningenrechter:

- verklaart de beroepen gegrond;

- wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af;.

- bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten vastgesteld op € 1.311,00;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. H.J.M. Baldinger als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. F.T.H. Langeweg als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2012.

&lt;HR ALIGN="left" WIDTH="50%"&gt;

&lt;i&gt;Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover daarbij in de hoofdzaak is beslist, binnen &lt;b&gt;één week&lt;/b&gt; na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag.&lt;/i&gt;

Afschriften verzonden:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature