< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Beroepen inzake een door verweerder aangenomen schijnhuwelijk, waardoor eiser een document als bedoeld in arikel 9, tweede lid, Vw is geweigerd.

Verweerder heeft op grond van de bevindingen van de hoorzitting en de aldaar gebleken tegenspraak in de verklaringen van eiser en referente in redelijkheid niet kunnen oordelen dat sprake is van een schijnhuwelijk. De bevindingen van de hoorzitting moeten bezien worden in het licht van de bevindingen van het totale onderzoek naar de gezamenlijke woon- en leefomstandigheden van de echtelieden. De punten van tegenspraak zijn van ondergeschikte aard, mede afgezet tegen alle overige punten waarover partijen wel (in grote lijnen) gelijkluidend hebben verklaard. Verweerder heeft bij zijn onderzoek niet de vereiste objectiviteit en zorgvuldigheid betracht. Getuigenverhoor ter zitting levert ondersteunend bewijs voor het oordeel dat geen sprake is van een schijnhuwelijk. Beide beroepen zijn gegrond.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/19044 en AWB 11/39624

uitspraak van de enkelvoudige kamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaken tussen

[eiser], V-nummer [a]

(gemachtigde: mr. M. Yildirim),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A. Pruss).

Procesverloop

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1985 en de Turkse nationaliteit te hebben. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland.

Bij brief van 27 april 2010 heeft eiser een aanvraag ingediend tot afgifte van een document, als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw ).

Op deze aanvraag is door verweerder bij besluit van 3 september 2010 (het primaire besluit 1) afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit op 6 september 2010 een bezwaarschrift ingediend.

Op 6 december 2010 is eiser in het huwelijk getreden met [A], van Poolse nationaliteit, geboren op [datum] 1985.

Bij brief van 7 januari 2011 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vw .

Op 3 mei 2011 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij besluit van 1 juni 2011 heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard (het bestreden besluit 1).

Bij afzonderlijk besluit van 1 juni 2011 (het primaire besluit 2) heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van 7 januari 2011. Eiser heeft tegen dit besluit op 6 juni 2011 een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 7 juni 2011 heeft eiser tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld bij de rechtbank (11/19044). Bij brieven van 5 juli 2011, 22 december 2011 en 30 januari 2012 zijn de gronden van het beroep aangevuld.

Bij besluit van 24 november 2011 heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard (het bestreden besluit 2).

Bij brief van 9 december 2011 heeft eiser tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld bij de rechtbank (11/39624). Bij brieven van 22 december 2011 en 30 januari 2012 zijn de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken ingezonden en in beide beroepen op 18 januari 2012 een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 8 februari 2012. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en de tolk in de Turkse taal T. Çetinkaya.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Tevens was ter zitting aanwezig [A], echtgenote van eiser (referente), met de tolk in de Poolse taal, J. Trzcinska, en enkele door eiser meegebrachte getuigen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, omdat onvoldoende zittingstijd beschikbaar was om de beide beroepen te behandelen.

De nadere gevoegde behandeling ter zitting van beide beroepen heeft plaatsgevonden op

31 mei 2012.

Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Tijdens de zitting heeft de rechtbank vier door eiser meegebrachte getuigen gehoord.

Overwegingen

1 Eiser stelt dat verweerder in de bestreden besluiten ten onrechte zijn standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een document als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (verder: Vw), waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschaps-onderdaan blijkt, heeft gehandhaafd. Daartoe heeft hij, onder aanvoering van tal van argumenten, betoogd dat verweerder zich in de beide bestreden besluiten ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake zou zijn van een schijnhuwelijk tussen eiser en referente.

2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor het verzochte document in aanmerking komt, omdat sprake is van een schijnhuwelijk. Tijdens de hoorzitting op

3 mei 2011 hebben eiser en zijn partner verschillende verklaringen afgelegd over het ontstaan en het verloop van hun relatie, hun leven samen en hun huishouding. Verder spreken zij geen gemeenschappelijke taal.

3 Ingevolge artikel 9, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder e, sub 2 ° en artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw , verschaft verweerder aan een familielid van een gemeenschapsonderdaan die rechtmatig verblijf heeft een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

Ingevolge artikel 8.7, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is voornoemde paragraaf eveneens van toepassing op de familieleden die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleiden of zich in Nederland bij hem voegen, voor zover het betreft de echtgenoot.

Ingevolge artikel 8.13, eerste lid, van het Vb heeft de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, voor zover hij in Nederland verblijft bij een vreemdeling als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, onder a, b of c, van het Vb .

Op grond van artikel 35 van de Richtlijn 2004 /38/EG (Richtlijn) kunnen de lidstaten de nodige maatregelen nemen ter bestrijding van misbruik en fraude op gebieden die binnen de materiële werkingssfeer van het gemeenschapsrecht inzake het vrij verkeer van personen vallen, door een in die Richtlijn neergelegd recht in het geval van misbruik of fraude, zoals een schijnhuwelijk, te ontzeggen, te beëindigen of in te trekken. Deze maatregelen zijn evenredig en zijn onderworpen aan de procedurele waarborgen van de artikelen 30 en 31.

Ingevolge overweging 28 van de considerans van de Richtlijn moeten schijnhuwelijken worden omschreven als huwelijken die zijn aangegaan met als enig doel het in de Richtlijn neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten.

4 De rechtbank stelt vast dat de Richtlijn uitdrukkelijk spreekt over schijnhuwelijken en aldus onderscheid maakt tussen enerzijds "reële" huwelijken waaraan unierechtelijke verblijfsrechten kunnen worden ontleend en anderzijds schijnhuwelijken, in welk geval sprake is van misbruik en de desbetreffende lidstaat verblijfsrechten kan ontzeggen en beëindigen. Hieruit volgt dat het enkele feit dat sprake is van een (rechtsgeldig) huwelijk (dat is ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA)) niet met zich brengt dat geen sprake is van een schijnhuwelijk.

5 De rechtbank leidt uit de "Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden" van 2 juli 2009 (COM(2009) 313 definitief) af dat de bewijslast voor het bestaan van een schijnhuwelijk rust op de autoriteiten van de lidstaten die de uit de Richtlijn voortvloeiende rechten willen beperken. De autoriteiten moeten een overtuigend dossier kunnen samenstellen en moeten daarbij alle (...) materiële waarborgen in acht nemen. In het geval van beroep moet de nationale rechter nagaan of in individuele gevallen het bewijs van misbruik is geleverd, volgens de bewijsregels van het nationale recht, voor zover deze geen afbreuk doen aan de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht (par. 4.2, blz. 18, Nederlandse tekst).

6 De rechtbank stelt allereerst vast dat door eiser twee aanvragen voor het door hem gewenste document als bedoeld in artikel 9, tweede lid, Vw zijn gedaan. De eerste aanvraag van 27 april 2010 dateert van voor het huwelijk, de tweede aanvraag van 7 januari 2011 dateert van na het huwelijk. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit 1 was het huwelijk reeds gesloten, zodat verweerder ook bij de voorbereiding van dat besluit heeft onderzocht of mogelijk sprake was van een schijnhuwelijk, gesloten met als enig doel eiser in aanmerking te doen komen voor een verblijfsdocument als in deze procedures aan de orde. Tijdens de hoorzitting op 3 mei 2011 zijn eiser en referente afzonderlijk gehoord, met bijstand van een tolk in de Turkse onderscheidenlijk de Poolse taal. Beiden zijn vervolgens geconfronteerd met enkele tegenstrijdigheden in hun verklaring, waarvoor zij naar het oordeel van verweerder geen bevredigende verklaring hebben kunnen geven. Op grond daarvan heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een schijnhuwelijk.

7 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op basis van de bevindingen van de hoorzitting van 3 mei 2011 niet in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. Uit de genoemde hoorzitting is slechts een beperkt aantal tegenstrijdige verklaringen naar voren gekomen, waarvan de gang van zaken met de tijdens de huwelijkssluiting gebruikte (in Polen gekochte dan wel geleende) trouwringen de belangrijkste is. Dit punt is onopgehelderd gebleven, omdat referente daarop bij de confrontatie niet nader wilde ingaan.

De overige tegenstrijdigheden hebben betrekking op, binnen het totaal van hetgeen tijdens de hoorzitting aan de orde is gekomen, ondergeschikte punten. Deze betreffen de naam van de bar waar eiser en referente elkaar voor het eerst hebben ontmoet. Voor de verwarring daarover is een niet onaannemelijke verklaring gegeven. Twee andere punten van tegenspraak/onvolledigheid hebben betrekking op hetgeen eiser en referente op de zaterdag en de zondag voorafgaand aan de hoorzitting hebben gedaan. Het niet vermelden van het gezamenlijk boodschappen doen op zaterdag (een routinebezigheid volgens eiser) en het niet noemen van de Nederlandse les van referente op zondag, waarvoor zij door iemand is opgehaald (eiser heeft dit in de veelheid van vragen vergeten te vermelden), acht de rechtbank niet van een zodanig gewicht dat daarmee ernstige twijfel wordt opgeroepen over het bestaan van een serieus te nemen huwelijksband. Hetzelfde geldt voor het niet vermelden door eiser dat hij op de verjaardag van referente een taart voor haar heeft gekocht.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, door aan deze constateringen voor eiser zeer zwaarwegende consequenties te verbinden, met voorbijzien aan de veel talrijker onderwerpen (van niet altijd even voor de hand liggende aard) waarover eiser en referente wel (in grote lijnen) gelijkluidend hebben verklaard, heeft verweerder zijn besluiten onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.

Bovendien is het in strijd met de zorgvuldigheid waarmee verweerder het onderzoek dient in te richten dat in de beide bestreden besluiten, ter onderbouwing van verweerders standpunt, ook punten van verschil worden genoemd, die na het gehoor niet aan eiser en referente zijn voorgehouden. De af en toe ronduit pietluttige en zeer onwelwillende wijze waarop aan de verklaringen een negatieve draai wordt gegeven verdraagt zich voorts niet met de door verweerder te betrachten zorgvuldigheid en objectiviteit. Zo wordt in bestreden besluit 1 uit de verklaring van eiser dat referente op 15 april 2011 naar Polen is gereisd om daar naar de tandarts te gaan volstrekt ongefundeerd afgeleid dat eiser niet op de hoogte zou zijn geweest van het feit dat haar broer jarig was en zij tevens de Paasdagen bij haar familie zou doorbrengen. Deze onwelwillende en ongerijmde standpuntbepaling doet ernstig afbreuk aan de objectiviteit waarmee partijen in een - in de ogen van verweerder - "verdacht" huwelijk dienen te worden tegemoet getreden.

Verweerders onhoudbare standpunt dat sprake was van een schijnhuwelijk heeft er voorts toe geleid dat het tweede bezwaar van eiser zonder nadere hoorzitting als kennelijk ongegrond is afgedaan. De toepasselijkheid van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan echter uit de bevindingen van de hoorzitting van 3 mei 2011 niet worden afgeleid.

8 De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen van een hoorzitting, waarbij de echtelieden in een huwelijk ten aanzien waarvan bij verweerder gerede twijfel bestaat gescheiden worden gehoord, moeten worden bezien binnen de totale bevindingen van het onderzoek dat verweerder naar de kennismaking, de huwelijkssluiting en de woon- en leefomstandigheden van de huwelijkspartners heeft ingesteld. Weliswaar kan de hoorzitting na een onbevredigende confrontatie, waarbij tegenspraak door partijen op essentiële onderdelen van hun gezamenlijke levensverhaal niet of onvoldoende wordt opgehelderd, reeds aanstonds leiden tot de conclusie dat sprake is van een schijnhuwelijk, maar een dergelijke situatie doet zich hier niet voor.

Eiser en referente hebben onafhankelijk van elkaar op vrijwel alle hen voorgelegde vragen (in grote lijnen) gelijkluidend verklaard, enkele resterende twijfelpunten zijn opgehelderd of nader toegelicht, partijen wonen geruime tijd samen op een in de GBA opgenomen adres en zijn bij een gemeentelijke controle beiden op dat adres aangetroffen, zij kennen de naam van de verhuurder en zij hebben een gezamenlijke "en/of" bankrekening. Over het gegeven dat zij niet over een gezamenlijke taal beschikken hebben zij niet onaannemelijke verklaringen afgelegd.

Bezien tegen de achtergrond van deze totale bevindingen van het onderzoek, zoals deze uit het dossier in beide beroepen naar voren komen, heeft verweerder in redelijkheid aan de confrontatie na het afzonderlijk horen van partijen en de overige in de bestreden besluiten vermelde punten van verschil niet de conclusie kunnen verbinden dat sprake is van een schijnhuwelijk.

9 De rechtbank neemt bij dit oordeel mede in aanmerking dat echtelieden in de omstandigheden van eiser en referente niet zelden in bewijsnood raken, wanneer zij de bewijsstukken waarover zij beschikken aan verweerder hebben verstrekt en deze daaraan niet het gewicht toekent dat partijen daaraan gehecht zouden willen zien. Zo acht verweerder getuigenverklaringen van familieleden, vrienden en omwonenden van partijen van weinig waarde, omdat deze niet objectief staan tegenover het verblijf van betrokkenen in Nederland. Het gaat daarbij in een aantal gevallen om een tevoren door betrokkenen zelf opgestelde verklaring die door anderen van hun personalia worden voorzien, gedateerd en ondertekend.

Ook eiser heeft dergelijke verklaringen overgelegd en verweerder heeft daarop gereageerd als omschreven. De rechtbank heeft onder deze omstandigheden bewijsnood voor eiser aangenomen en ingestemd met nader bewijsaanbod door eiser in de vorm van vier door hem meegebrachte getuigen, die door de rechtbank ter zitting zijn gehoord. Het betreft de beide getuigen bij het huwelijk, de eigenaar van een pizzarestaurant en de eigenaar van een koffiehuis. Alle getuigen hebben de Turkse nationaliteit en zijn van Koerdische afkomst, evenals eiser. Zij hebben, samengevat, verklaard dat zij eiser en referente, die zij sinds 2009 kennen, regelmatig samen zien, op straat bij het boodschappen doen, in hun restaurant of bij het afleveren van pizza's op hun woonadres. Zij zijn van mening dat eiser en referente getrouwd zijn en van elkaar houden. [B] heeft onder meer verklaard dat geen sprake is van een schijnhuwelijk, omdat hij dat in de Koerdische gemeenschap dan via-via wel zou hebben gehoord.

De rechtbank kan aan deze onder ede afgelegde verklaringen niet voorbijgaan en acht het, gelet op de voor eiser ontstane bewijsnood, niet in strijd met de goede procesorde om daaraan ondersteunende betekenis toe te kennen. De in het voorgaande samengevat weergegeven verklaringen van de getuigen dragen bij tot de overtuiging van de rechtbank dat eiser en referente een serieus te nemen huwelijksband met elkaar hebben en dat voor het aannemen van het tegendeel onvoldoende ernstige bedenkingen voorliggen.

10 Dit oordeel van de rechtbank betekent dat de beide beroepen gegrond moeten worden verklaard.

11De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep in beide zaken redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.840,50 (2 punten voor de bezwaarschriften, 2 punten voor de beroepschriften, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, totaal 6,5 punt, met een waarde per punt van € 437,-- en een wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser in beide beroepen een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

1 verklaart beide beroepen gegrond;

2 vernietigt beide bestreden besluiten;

3 bepaalt dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen binnen 10 weken na de datum van verzending van deze uitspraak aan partijen een nieuw besluit neemt op de bezwaarschriften van eiser;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.840,50 en bepaalt dat deze kosten aan de griffier worden betaald;

5 gelast verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van twee maal

€ 152,--, derhalve totaal € 304,--, te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.H.B. Sentrop, rechter-plv., in aanwezigheid van

C.P. van Veldhoven, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature