E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX0739
LJN BX0739, Rechtbank 's-Gravenhage, AWB 11/31165

Inhoudsindicatie:

Naar het oordeel van de Rb. bestaat in dit geval voor analoge toepassing van Richtlijn 2004/38/EG geen aanleiding. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geen sprake is van reëel en daadwerkelijk verblijf van referente in Duitsland. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat referent enkel de weekeinden in de periode april 2010 tot eind augustus 2010 in Duitsland samen met eiser heeft doorgebracht, terwijl zij in voormelde periode doordeweeks hier te lande woonde en werkte. Referente was ook van plan om tot december 2010 hier te lande te blijven werken. Zij heeft haar woning in Nederland aangehouden, stond hier te lande ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie en haar kind ging in Nederland naar school. Referente heeft dus duidelijk haar hoofdverblijf in Nederland behouden, zodat van een terugkeer vanuit Duitsland naar Nederland geen sprake is. Ook van grensarbeid is, anders dan eiser heeft aangevoerd, geen sprake. Dat de plannen van referente om helemaal naar Duitsland te verhuizen wegens omstandigheden geen doorgang hebben gevonden, laat, wat daar ook van zij, onverlet dat in voormelde periode geen sprake is geweest van reëel en daadwerkelijk verblijf van referente in Duitsland. De weigering eiser in Nederland verblijf toe te staan belemmert referente niet dan wel heeft haar niet belemmerd om van haar recht op vrij verkeer gebruik te maken.

Het betoog van eiser dat de Duitse autoriteiten de EU-rechten van eiser en referente blijkens de afgegeven documenten hebben vastgesteld en dat Nederland daaraan, mede gezien het interstatelijke vertrouwensbeginsel in onderhavige procedure is gebonden, in welk verband hij heeft verwezen naar de jurisprudentie omtrent Dublinzaken, slaagt niet. Bij de beoordeling van een aanvraag als de onderhavige is verweerder, zoals ook volgt uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2012 (LJN: BV7838), bevoegd zelfstandig te onderzoeken of er sprake is (geweest) van reëel en daadwerkelijk verblijf in de andere lidstaat, in dit geval Duitsland. Op basis van de door de Duitse autoriteiten afgegeven documenten hoefde verweerder dan ook niet zonder meer aan te nemen dat er sprake is (geweest) van reëel en daadwerkelijk verblijf in Duitsland.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie