< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

ambtenarenrecht

Besluit algemene rechtspositie politie (Barp)

Eiser is de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd wegens zeer ernstig plichtsverzuim, bestaande uit ontuchtige handelingen, seksistisch gedrag en niet professioneel tegemoet treden.

Verklaringen door verschillende vrouwen, onafhankelijk van elkaar, op verschillende momenten afgelegd. Niet gebleken van een samenspanning.

Ter zitting verschenen chef van het politiebureau respectievelijk secretaris van de Commissie worden aangemerkt als medegemachtigden, niet als getuige.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/6678

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 mei 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats],

(gemachtigde: mr. N.D. Dane),

en

De Korpsbeheerder van het Politiekorps Haaglanden, verweerder

(gemachtigde: mr. M.C.J. van den Brekel).

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2010, uitgereikt aan eiser op 28 december 2010, heeft verweerder eiser met ingang van 1 januari 2011 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd wegens zeer ernstig plichtsverzuim (hierna: het strafontslag).

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 13 januari 2011 bezwaar gemaakt.

Op 4 juli 2011 heeft de Bezwarenadviescommissie Rechtspositionele Besluiten Regionaal Politiekorps Haaglanden (hierna: de Commissie) advies uitgebracht.

Bij besluit van 8 juli 2011, verzonden op 14 juli 2011 aan de gemachtigde van eiser, heeft verweerder, in overeenstemming met voornoemd advies van de Commissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij brief van 17 augustus 2011 beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 29 maart 2012 ter zitting behandeld.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsman.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Nijhof. Verder zijn verschenen drs. J. Tonino en A.E. van Wessum.

Overwegingen

Alvorens het beroep inhoudelijk te beoordelen overweegt de rechtbank het volgende. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van drs. J. Tonino (Tonino) en A.E. Van Wessum (Van Wessum) bij de behandeling ter zitting. Eiser stelt dat Tonino en Van Wessum als chef van het politiebureau Zoetermeer respectievelijk secretaris van de Commissie een rol hebben gespeeld in de procedure tussen eiser en zijn werkgever, voorafgaand aan het instellen van beroep. Eiser stelt dat deze rol meebrengt dat Tonino en Van Wessum ter zitting de rol van getuige (kunnen) vervullen. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:60, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen getuigen meebrengen bij de behandeling ter zitting, mits daarvan uiterlijk een week voor de dag van de zitting aan de rechtbank en aan de andere partijen mededeling is gedaan, met vermelding van namen en woonplaatsen. Nu de mededeling als bedoeld in dit artikel niet heeft plaatsgevonden, kunnen Tonino en Van Wessum niet als getuige een verklaring afleggen.

De rechtbank overweegt dat Tonino als chef van het politiebureau, waaraan eiser was verbonden, in de aanloop naar het ontslagbesluit in het kader van het inwinnen van informatie en het nemen van (disciplinaire) maatregelen aan hem geattribueerde, gedelegeerde dan wel gemandateerde bevoegdheden heeft uitgeoefend, die toekomen aan een werkgever. Bij een grote organisatie als het politiekorps Haaglanden is dit gebruikelijk en noodzakelijk. Dit handelen brengt niet mee dat Tonino voor wat betreft de aan het bestreden (ontslag)besluit ten grondslag liggende feiten de rol van getuige heeft. Hetzelfde geldt voor Van Wessum, die als secretaris van de Commissie een taak heeft vervuld bij een wettelijk voorgeschreven stap in de (ontslag)procedure. Beiden zijn, juist in verband met hun positie binnen verweerders organisatie, bij uitstek geschikt om als gemachtigde van verweerder en niet als getuige ter zitting te verschijnen. Gelet hierop heeft de rechtbank Tonino en Van Wessum aangemerkt als medegemachtigden.

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Eiser is met ingang van 1 januari 1985 aangesteld bij de gemeentepolitie Zoetermeer. Bij besluit van 20 december 1993 is eiser geplaatst bij het politiekorps Haaglanden. Vanaf 12 mei 2001 heeft eiser de functie van wijkagent (A) vervuld bij bureau Zoetermeer, met daaraan verbonden de rang van brigadier van politie.

1.2. Op 2 februari 2010 heeft de dochter van eisers ex-vriendin, geboren [datum] 1991, aangifte gedaan van ontuchtige handelingen en een poging tot verkrachting door eiser in de gemeenschappelijke woning in de periode van 1 juni 2006 tot en met 1 september 2008.

In verband met het strafrechtelijk onderzoek is eiser op 22 februari 2010 aangehouden. Op 24 februari 2010 is eiser in vrijheid gesteld.

1.3. Begin mei 2010 heeft Tonino via een vertrouwenspersoon nadere informatie ontvangen over seksuele intimidatie door eiser in de werkomgeving. Op 6 mei 2010 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en onder meer Tonino, waarin eiser is verteld dat naar aanleiding van de ontvangen informatie is besloten tot buitenfunctiestelling en tot het instellen van een feitenonderzoek door bureau BIS.

Bij besluit van 6 mei 2010 is eiser, op grond van artikel 84, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) in afwachting van een schorsing buiten functie gesteld. Voorts is hem op grond van artikel 73, eerste lid, van het Barp de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen, dienstterreinen, dan wel het verblijf aldaar, ontzegd.

1.4. Tijdens het feitenonderzoek hebben twee vrouwelijke collega's, een voormalige vrouwelijke collega en een kapster uit de wijk waarin eiser werkzaam is geweest verklaringen afgelegd over seksuele intimidatie door eiser in 2000, 2006, 2007 en 2009. Eiser heeft na te zijn geconfronteerd met de verklaringen, de juistheid van de verklaringen de twee vrouwelijke collega's betwist en heeft over de verklaringen van de voormalige collega en de kapster niet willen verklaren.

1.5. Met het proces-verbaal van 12 oktober 2010 zijn het rapport feitenonderzoek van 2 augustus 2010, het rapport voortzetting feitenonderzoek van 8 september 2010 en de brief van de Chef bureau arbeidsvoorwaarden van 5 oktober 2010, houdende het advies tot het volgen van een disciplinaire procedure, aan verweerder aangeboden. Verder is eiser bij brief van 11 oktober 2010 medegedeeld dat een disciplinair onderzoek zal worden gestart. Voorts is eiser bij brief van 14 oktober 2010 het voornemen om hem strafontslag op te leggen kenbaar gemaakt.

1.6. Eiser is op 17 november 2010 gehoord door de Commissie van Advies in Disciplinaire Zaken (CADZ). In het verslag van deze hoorzitting is het advies van de CADZ opgenomen. De CADZ heeft zeer ernstig plichtsverzuim bewezen geacht en het voornemen tot strafoplegging passend geacht, ook indien het eerste ten laste gelegde feit met betrekking tot de strafzaak zou vervallen. De CADZ heeft geadviseerd eiser de disciplinaire straf van ontslag op te leggen.

1.7. Bij besluit van 3 december 2010 heeft verweerder eiser het strafontslag opgelegd Het verslag van de CADZ van 17 november 2010 is onderdeel van dit besluit.

1.8. Op 28 april 2011 heeft Tonino een rapport uitgebracht, waarin hij heeft verklaard dat vertrouwenspersoon [A] geen schriftelijke rapportage heeft uitgebracht over zijn bevindingen betreffende de door eiser gepleegde seksuele intimidatie, maar [A] deze bevindingen mondeling aan Tonino heeft gerapporteerd. Tonino is, nadat hij tot de conclusie is gekomen welke persoon het betrof, met die persoon/dat slachtoffer in gesprek gegaan. Zo is hij aan de namen van meerdere mogelijke slachtoffers gekomen. Eén van die slachtoffers heeft verklaard over gedragingen van eiser in relatie tot een kapster in de wijk waar eiser werkzaam was.

1.9. Eiser is op 16 mei 2011 door de Commissie gehoord in het kader van zijn bezwaar. Op 4 juli 2011 heeft de Commissie advies uitgebracht, strekkende tot handhaving van het primaire besluit van 3 december 2010 en ongegrondverklaring van het bezwaar van eiser.

Bij besluit van 8 juli 2011 heeft verweerder, in overeenstemming met voornoemd advies van de Commissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2. In geschil is of verweerder het strafontslag terecht heeft gehandhaafd. Het geschil spitst zich hierbij toe tot de vraag of eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het hem verweten plichtverzuim en, zo die vraag bevestigend moet worden beantwoord, of de aan eiser opgelegde sanctie evenredig is.

2.1. Eiser beantwoordt deze vragen ontkennend en heeft daartoe - samengevat - het volgende aangevoerd. Nu het feitenonderzoek niet voldoende transparant en verifieerbaar is, is van deugdelijk vastgestelde gegevens geen sprake. Eiser heeft hierbij gewezen op de onduidelijkheid rond de rapportage van vertrouwenspersoon [A] en de wijze waarop de kapster in het vizier van Tonino is geraakt. Verder heeft eiser vraagtekens gezet bij de rol van Tonino in (de aanloop naar) het feitenonderzoek. Voorts is ten onrechte nadere verificatie van de over eiser afgelegde verklaringen achterwege gebleven. Eiser heeft in dit verband verwezen naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), LJN BC7003 en LJN BG7085. Eiser heeft een onberispelijk verleden, heeft de politieorganisatie 25 jaar gediend en wordt ernstig getroffen door het strafontslag.

2.2. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Artikel 76 van het Barp luidt als volgt:

"1. De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens

aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair worden gestraft.

2. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of

nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te

laten of te doen."

Ingevolge artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp kan de disciplinaire straf van ontslag worden opgelegd.

4. Eerst moet worden beoordeeld of verweerder terecht en op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens heeft geconcludeerd tot plichtsverzuim. Indien sprake is van plichtsverzuim moet worden bezien of het plichtsverzuim de ambtenaar kan worden toegerekend en of de opgelegde straf evenredig is aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.Verweerder heeft aan het verweten plichtsverzuim de volgende gedragingen ten grondslag gelegd:

- het plegen van ontuchtige handelingen met de dochter van zijn ex-vriendin;

- het vertonen van seksistisch gedrag ten opzichte van vrouwelijke collega's;

- het niet correct, zakelijk en professioneel tegemoet treden van een kapster.

5.2.Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van de beschikbare gegevens de overtuiging kunnen krijgen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen. De rechtbank overweegt hierbij dat de aangifte van de dochter als geloofwaardig kan worden aangemerkt, nu zij aangifte heeft gedaan na een informatief zedengesprek op 1 april 2009, zij in haar aangifte gedetailleerd en consistent heeft verklaard over wat er tussen haar en eiser is voorgevallen en haar verklaring wordt ondersteund door wat zij in de brief aan haar moeder en aan haar twee toenmalige schoolvriendinnen, haar toenmalige studiebegeleider en haar huidige partner heeft verteld. Ook de verklaringen van de voormalige vrouwelijke collega, de twee vrouwelijke collega's en de kapster acht de rechtbank geloofwaardig. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de voormalige vrouwelijke collega en de twee vrouwelijke collega's toentertijd onafhankelijk van elkaar, op verschillende momenten en bij verschillende vertrouwenspersonen melding hebben gemaakt van de incidenten. Verder zijn de verklaringen in het kader van het feitenonderzoek afzonderlijk van elkaar en zonder dat daaraan ruchtbaarheid is gegeven afgelegd. Nu vijf verschillende vrouwen hebben verklaard over door eiser vertoond ongewenst gedrag en de verklaringen in onderlinge samenhang bezien een eenduidig beeld geven, acht de rechtbank de enkele ontkenning door eiser van de hem verweten gedragingen niet geloofwaardig. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat niet is gebleken dat de betrokken vrouwen enig belang zouden hebben bij het doen van een valse aangifte dan wel het afleggen van een valse verklaring.

5.3.Ten aanzien van wat door eiser in dit verband naar voren is gebracht overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de voorhanden stukken en hetgeen namens verweerder in het verweerschrift en ter zitting is verklaard over de stappen die gevolgd zijn in het onderzoek en de rol die Tonino daarin heeft gehad, kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn stelling dat geen sprake is van deugdelijk vastgestelde gegevens. Eisers stelling dat ten onrechte geen nadere verificatie van de afgelegde verklaringen heeft plaatsgevonden kan evenmin leiden tot een andere conclusie. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in het onderhavige geval, anders dan in de door eiser genoemde uitspraken van de CRvB geen sprake is van verklaringen van personen behorende tot een groep van collega's, maar van verklaringen van twee collega's, een voormalige collega en een bewoonster van de wijk waarin eiser werkzaam was. Verder zijn de betreffende verklaringen, die alle betrekking hebben op door eiser vertoond seksistisch gedrag in één-op-één situaties, eenduidig en zien zij op afzonderlijke gedragingen van eiser jegens de betrokken vrouw. Van een samenspanning, zoals door eiser gesuggereerd, is de rechtbank niet gebleken.

5.4.Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat alle gedragingen afzonderlijk en in samenhang bezien zeer ernstig plichtverzuim opleveren, nu de verweten gedragingen alle gedragingen betreffen die ver verwijderd zijn van de algemeen aanvaarde grenzen van het fatsoen en van wat een goed ambtenaar betaamt.

5.5.Niet is gesteld of gebleken dat het plichtsverzuim eiser niet kan worden aangerekend.

5.6.De vraag of de opgelegde straf evenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim moet naar het oordeel van de rechtbank bevestigend worden beantwoord. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking de ernst van de gedragingen, de betekenis daarvan voor het functioneren van eiser binnen de politiedienst en de terecht gestelde eisen met betrekking tot de betrouwbaarheid en integriteit van medewerkers van die dienst. Eiser heeft door zijn gedragingen het vertrouwen in en het aanzien van de politiedienst in ernstige mate geschaad. Gelet hierop is het strafontslag niet onevenredig aan het plichtverzuim. Eisers onberispelijke verleden, de duur van zijn dienstverband, noch de gevolgen van het ontslag voor eiser maken dit anders.

6.Het vorengaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.G. van Roest, mr. E. Kouwenhoven en

mr. dr. T.L. Bellekom, in aanwezigheid van A.J. Faasse - van Rossum. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature