< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Indien openbare orde aspecten een rol spelen in de weigering (verder) verblijf toe te staan, dienen in de belangenafweging de in de arresten van het EHRM van 2 augustus 2001 in de zaak Boultif (LJN: AD3516) en van 18 oktober 2006 in de zaak Üner (LJN: AZ2407) genoemde 'guiding principles' in ieder geval te worden betrokken. Een van de 'guiding principles' betreft de aard en de ernst van het gepleegde misdrijf. Anders dan verweerders standpunt ter zitting, is de Rb. van oordeel dat verweerder bij de ernst van het gepleegde misdrijf ook de veroordeling zoals die is vastgesteld door de strafrechter dient te betrekken. Nu verweerder in het bestreden besluit in het kader van de aard en de ernst van het gepleegde misdrijf enkel in aanmerking heeft genomen dat het misdrijf is gepleegd tijdens illegaal verblijf, dat eiser in de relatie met referente en het gezinsleven met de kinderen kennelijk geen aanleiding heeft gezien om zich te onthouden van het plegen van een misdrijf en dat het misdrijf ernstig is omdat eiser bij het begaan van dit misdrijf het risico heeft genomen om meer leed te veroorzaken, maar verweerder niet bij de belangenafweging heeft betrokken dat aan eiser een geringe straf is opgelegd door de strafrechter, voldoet de besluitvorming niet aan de eisen van zorgvuldigheid en motivering die het recht daaraan stelt. Daarbij merkt de Rb. nog op dat verweerder, zoals hij ter zitting heeft betoogd, weliswaar in het besluit in primo het tijdsverloop vanaf de pleegdatum van het misdrijf bij de belangenafweging heeft betrokken, maar in het bestreden besluit dit tijdsverloop niet meer heeft benoemd, terwijl het tijdsverloop sinds het misdrijf met bijna tien maanden was toegenomen. Gelet op het vorenstaande verklaart de Rb. het beroep gegrond en vernietigt de Rb. het bestreden besluit. Hetgeen overigens in beroep is aangevoerd behoeft thans geen beoordeling.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/31289

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 mei 2012 in de zaak tussen

[eiser], V-nummer [nummer]

(gemachtigde: mr. C.A. Lucardie),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Graafland).

Procesverloop

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1970 en de Surinaamse nationaliteit te hebben.

Bij uitspraak van 17 februari 2010 (AWB 09/40221) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank een door eiser ingediend verzoek om voorlopige voorziening toegewezen in die zin dat eiser door verweerder wordt behandeld als ware hij in het bezit van een machtiging tot voorlopig verblijf. Eiser is vervolgens Nederland ingereisd en heeft op 23 maart 2010 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000). Op deze aanvraag is door verweerder op 22 november 2010 afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 14 september 2011 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 27 september 2011 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 13 april 2012. Eiser is aldaar in persoon verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting de partner van eiser, [A], aanwezig.

Overwegingen

1 Eiser heeft in beroep - samengevat - het volgende aangevoerd. Verweerder is in het bestreden besluit uitgegaan van onjuiste gegevens omtrent de veroordeling van eiser. Eiser heeft aangevoerd dat paragraaf B1/4.4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000

(Vc 2000) een onjuiste uitwerking is van artikel 16, eerste lid, van de Vw 2000 en

artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Eiser heeft daarnaast gesteld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het onderhavige geval geen aanleiding bestaat om van het beleid af te wijken. Verweerder heeft volgens eiser ten onrechte geen toekomstgerichte persoonsgerelateerde inschatting gemaakt ten aanzien van de openbare orde en is onvoldoende ingegaan op de door eiser ingebrachte omstandigheden. Eiser heeft daarnaast betwist dat de verklaring van het Academisch Ziekenhuis Paramaribo van 12 januari 2010 en de verklaring van het Ministerie van Volksgezondheid van 14 januari 2010 vals zijn. Eiser heeft voorts aangevoerd dat het advies van het Bureau Medisch Advisering (BMA) onvolledig dan wel onjuist is. Eiser heeft een beroep gedaan op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft daarnaast een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJEU) van 8 maart 2011, C-34/09, Ruiz Zambrano (hierna: het arrest Zambrano) en op artikel 8 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts heeft eiser een beroep gedaan op Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: Richtlijn 2003/86/EG), op de Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: Richtlijn 2004/38/EG), op artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en op artikel 18, 20 en 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU). Voorts heeft eiser een beroep gedaan op het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en op het gelijkheidsbeginsel. Tot slot heeft eiser de rechtbank verzocht prejudiciële vragen aan het HvJEU te stellen.

2 Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 in samenhang gelezen met artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000, op het standpunt dat eiser niet voor de gevraagde vergunning in aanmerking komt.

3 Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder beperkingen verleend, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.

In artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

Ingevolge artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien de vreemdeling ter zake van een misdrijf is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsontnemende maatregel, tot een taakstraf of tot een onvoorwaardelijke geldboete, dan wel indien hij ter zake van misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard of jegens hem een strafbeschikking is uitgevaardigd.

Ingevolge artikel 3.77, vierde lid, van het Vb 2000 houdt Onze Minister in geval de aanvraag verband houdt met gezinshereniging of gezinsvorming bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder c, ten minste rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de vreemdeling en de duur van zijn verblijf, alsmede het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met het land van herkomst.

In paragraaf B1/4.4.1 van de Vc 2000 is neergelegd dat de aanvraag wordt afgewezen, indien de vreemdeling ter zake van een misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard, of sprake is van een veroordeling of oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsontnemende maatregel, een taakstraf of een onvoorwaardelijke geldboete. In geval de aanvraag verband houdt met gezinshereniging of gezinsvorming houdt de Minister rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de vreemdeling en de duur van zijn verblijf, alsmede het bestaan van familiebanden of culturele en sociale banden met het land van herkomst. Voorts wordt rekening gehouden met de leeftijd van de vreemdeling, de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn gezin, het bestaan van banden met Nederland dan wel het ontbreken van banden met het land van herkomst.

Voorts is in paragraaf B1/4.4.1 van de Vc 2000 neergelegd dat een eens gepleegd misdrijf niet blijvend wordt tegengeworpen. Indien de vreemdeling wegens een misdrijf is veroordeeld of een transactievoorstel heeft aanvaard, betekent dat niet dat zijn aanvraag nimmer meer kan worden ingewilligd. Indien geen sprake is van het meermalen plegen van strafbare feiten en de vreemdeling ook niet ongewenst is verklaard, wordt de veroordeling of transactie na verloop van tijd niet meer gebruikt om de aanvraag af te wijzen.

Ingeval van een veroordeling of transactie wegens drugs- dan wel geweldsmisdrijven bedraagt die termijn tien jaren. Ingeval van een veroordeling of transactie wegens een ander misdrijf bedraagt die termijn vijf jaren. De termijn vangt aan op de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden of het transactievoorstel is aanvaard.

Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

4 De rechtbank overweegt het volgende.

Niet in geschil is dat eiser is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 300,-, subsidiair 6 dagen hechtenis wegens overtreding van artikel 8, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 . In geschil is of verweerder de onderhavige aanvraag vanwege dit misdrijf, gelet op de door eiser aangevoerde belangen, in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

5.1 Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 16 juli 2007 (AWB 06/54628), welke uitspraak is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) bij uitspraak van 25 oktober 2007 (zaaknr. 200705830/1, www.raadvanstate.nl), overweegt de rechtbank allereerst dat eisers betoog dat paragraaf B1/4.4.1 van de Vc 2000 in strijd is met artikel 3.77 van het Vb 2000, niet slaagt. Verweerder heeft onderhavige aanvraag derhalve in redelijkheid kunnen toetsen aan voornoemd beleid.

5.2 De rechtbank overweegt dat verweerder de in artikel 3.77, vierde lid, van de Vw 2000 en paragraaf B1 /4.4.1 van de Vc 2000 genoemde omstandigheden voldoende heeft betrokken bij zijn beoordeling. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid bij de beoordeling heeft kunnen betrekken dat eiser in de periode dat hij in Nederland heeft verbleven niet in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning en dat de gevolgen van het, tijdens deze periode, in Nederland aangaan van een relatie en het stichten van een gezin om die reden voor rekening en risico van eiser komen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de culturele en sociale banden van eiser met Suriname groter worden geacht dan de banden met Nederland nu eiser het grootste deel van zijn leven in Suriname heeft gewoond. Dat eiser tijdens zijn verblijf in Nederland nauwelijks contact heeft gehad met zijn in Suriname verblijvende familieleden, leidt niet tot een ander oordeel.

5.3 Wat betreft eisers stelling dat verweerder op grond van artikel 4:84 van de Awb had moeten afwijken van het beleid om de aanvraag af te wijzen indien sprake is van gevaar voor de openbare orde, overweegt de rechtbank dat dit betoog evenmin slaagt.

Naar vaste jurisprudentie van de AbRS is de ernst van het misdrijf een omstandigheid die bij de totstandkoming van het beleid is betrokken, waardoor dit geen bijzondere omstandigheid kan zijn in de zin van artikel 4:84 van de Awb (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 maart 2012 (LJN: BL8102)).

Ten aanzien van het betoog van eiser dat verweerder vanwege de medische situatie van de minderjarige kinderen van eiser en zijn partner dient af te wijken van het beleid, is de rechtbank van oordeel dat dit betoog niet slaagt. Blijkens het advies van het BMA van 11 juli 2010 zijn er in Suriname longartsen die astma bij kinderen kunnen behandelen, zijn de medicamenten die de kinderen van eiser gebruiken beschikbaar en is vervanging of reparatie van de vernevelaars mogelijk. De enkele stelling van eiser dat het advies onvolledig is omdat wordt gesproken over algemene astmaproblemen en niet over de specifieke astmaproblemen die zijn kinderen hebben, is onvoldoende voor het oordeel dat verweerder het advies niet bij zijn beoordeling heeft mogen betrekken. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat zijn oudste kind in de periode dat eiser in Suriname verbleef, last had van slapeloosheid, angsten en achteruitgang van zijn schoolprestaties. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat nu de medische situatie van de kinderen het gezin niet dwingt tot verblijf in Nederland, deze omstandigheid niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb .

Ook het gevolg dat de kinderen vijf jaren van de aanwezigheid van eiser verstoken zullen zijn, heeft verweerder op goede gronden niet aangemerkt als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan hij had moeten afwijken van het beleid.

Eisers betoog dat verweerder had moeten afwijken van het beleid omdat zijn partner vanwege haar fulltime baan niet in staat is om langere tijd de zorg voor de kinderen te dragen, slaagt evenmin. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in de opvang van de kinderen, zoals ook bij andere werkende ouders in Nederland, kan worden voorzien door bijvoorbeeld buitenschoolse opvang en familie.

Gelet op het vorenoverwogene heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden dat hij had moeten afwijken van het beleid.

6 Ten aanzien van eisers beroep op het arrest Zambrano en zijn betoog dat verweerder gelet op deze uitspraak de aanvraag niet had mogen afwijzen, overweegt de rechtbank het volgende.

Niet in geschil is dat de kinderen van eiser de status van burger van de Unie bezitten, zodat zij zich, ook ten opzichte van Nederland, op de bij die status behorende rechten kunnen beroepen. Gelet hierop dient te worden beoordeeld of de weigering van verweerder om aan eiser een vergunning te verlenen met zich brengt dat eisers kinderen feitelijk worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten.

De rechtbank is van oordeel dat de kinderen van eiser niet feitelijk verplicht worden om het grondgebied van de Unie te verlaten, nu de kinderen kunnen verblijven bij eisers partner, die eveneens burger van de Unie is. Eisers betoog dat, indien hij niet in Nederland mag verblijven, zijn kinderen niet bij zijn partner kunnen verblijven omdat van zijn partner niet gevergd kan worden dat zij de zorg voor de kinderen voor een langere periode op zich neemt omdat zij een fulltime baan heeft, faalt. Zoals de AbRS eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 7 maart 2012 (LJN: BV8619)) is uit punt 65 van het arrest van 15 november 2011, C-256/11, Dereci e.a. (hierna: het arrest Dereci) en de verwijzing daarin naar de punten 43 en 44 van het arrest Zambrano af te leiden dat, in het geval het gezin bestaat uit één ouder die burger van een derde land is en één ouder die burger van de Unie is, en ook een minderjarig kind dat burger van de Unie is, bij de beantwoording van vorenbedoelde vraag betekenis toekomt aan het gegeven dat Nederlanders in Nederland in beginsel aanspraak kunnen maken op verstrekking van een uitkering uit de openbare kas. Voorts wordt van overheidswege en door maatschappelijke instellingen hulp en ondersteuning bij - bijvoorbeeld - zorg en opvoeding geboden. Van leden van een dergelijk gezin kan dan ook worden verlangd dat zij gebruik maken van de mogelijkheid deze aanspraken en hulp te ontvangen, als daarmee kan worden voorkomen dat een burger van de Unie feitelijk wordt verplicht niet alleen Nederland, maar het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten. Nu de kinderen van eiser door bijvoorbeeld buitenschoolse opvang kunnen worden opgevangen gedurende de periode dat de partner van eiser werkt, volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat de weigering om aan hem een vergunning te verlenen met zich brengt dat de kinderen feitelijk verplicht worden het grondgebied van de Unie te verlaten. De kinderen van eiser worden dan ook niet het effectieve genot ontzegd van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

7 Eiser heeft voorts gesteld dat het weigeren van zijn aanvraag strijd oplevert met artikel 8 van het EVRM . De rechtbank overweegt allereerst dat van inmenging in het recht als genoemd in artikel 8 van het EVRM geen sprake is, aangezien de weigering eiser hier te lande verblijf toe te staan er niet toe strekt hem een verblijfstitel te ontnemen als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, die hem tot het uitoefenen van het familie- en gezinsleven in staat stelde. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat hem weldegelijk een verblijfstitel wordt ontnomen die hem in staat stelde tot het uitoefenen van het familie- en gezinsleven, nu aan hem op 5 maart 2010 een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) is afgegeven. Aan eiser is daarbij uitdrukkelijk meegedeeld dat de verlening van een mvv, anders dan in het algemeen, niet betekent dat aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning is voldaan.

Indien geen sprake is van inmenging, dient er volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) (onder meer het arrest van 25 april 2007 in de zaak Konstatinov tegen Nederland (LJN: BA6629)), ongeacht of sprake is van een positieve of negatieve verplichting, een "fair balance" te worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang anderzijds.

Indien openbare orde aspecten een rol spelen in de weigering (verder) verblijf toe te staan, dienen in de belangenafweging de in de arresten van het EHRM van 2 augustus 2001 in de zaak Boultif (LJN: AD3516) en van 18 oktober 2006 in de zaak Üner (LJN: AZ2407) genoemde 'guiding principles' in ieder geval te worden betrokken.

Een van de 'guiding principles' betreft de aard en de ernst van het gepleegde misdrijf. Anders dan verweerders standpunt ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de ernst van het gepleegde misdrijf ook de veroordeling zoals die is vastgesteld door de strafrechter dient te betrekken. Nu verweerder in het bestreden besluit in het kader van de aard en de ernst van het gepleegde misdrijf enkel in aanmerking heeft genomen dat het misdrijf is gepleegd tijdens illegaal verblijf, dat eiser in de relatie met referente en het gezinsleven met de kinderen kennelijk geen aanleiding heeft gezien om zich te onthouden van het plegen van een misdrijf en dat het misdrijf ernstig is omdat eiser bij het begaan van dit misdrijf het risico heeft genomen om meer leed te veroorzaken, maar verweerder niet bij de belangenafweging heeft betrokken dat aan eiser een geringe straf is opgelegd door de strafrechter, voldoet de besluitvorming niet aan de eisen van zorgvuldigheid en motivering die het recht daaraan stelt. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat verweerder, zoals hij ter zitting heeft betoogd, weliswaar in het besluit in primo het tijdsverloop vanaf de pleegdatum van het misdrijf bij de belangenafweging heeft betrokken, maar in het bestreden besluit dit tijdsverloop niet meer heeft benoemd, terwijl het tijdsverloop sinds het misdrijf met bijna tien maanden was toegenomen.

8 Gelet op het vorenstaande verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. Hetgeen overigens in beroep is aangevoerd behoeft thans geen beoordeling.

9 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 14 september 2011;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser van € 874,- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan de griffier betaalt;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter, en mr. A.P. Pereira Horta en mr. G.F. van der Linden- Burgers als leden, in aanwezigheid van

mr. S.J.T. van der Maarl-Pruijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

23 mei 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (nadere informatie www.raadvanstate.nl)


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature