< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Duur inreisverbod, artikel 11, tweede lid, Terugkeerrichtlijn, implementatie

Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (onder meer het arrest van 20 oktober 2005, nr. C 6/04, Commissie/Verenigd Koninkrijk, punten 21 en 22; www.curia.europa.eu) vereist de omzetting in nationaal recht van een richtlijn niet noodzakelijkerwijze dat de inhoud ervan formeel en letterlijk wordt overgenomen in een uitdrukkelijke en specifieke wettelijke bepaling. Afhankelijk van de inhoud van de richtlijnbepaling kan een algemene juridische context volstaan, wanneer deze daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze verzekert. In elk concreet geval moet de aard worden vastgesteld van de in de richtlijn opgenomen bepaling waarop het beroep wegens niet-nakoming betrekking heeft, om vast te stellen hoe ver de omzettingsplicht van de lidstaten gaat.

Het enkele feit dat artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn niet letterlijk is overgenomen in artikel 6.5 a, Vb, kan dus niet leiden tot de conclusie dat artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, niet volledig in de Nederlandse rechtsorde is ge ïmplementeerd. Immers, met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de volledige toepassing van artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, verzekerd. Als mocht blijken dat verweerder niet alle relevante omstandigheden van het individuele geval bij de beoordeling heeft betrokken, kan verzoeker dit in het kader van artikel 3:2 Awb in rechte aan de orde stellen. Bovendien heeft verzoeker de gelegenheid gehad om zelf omstandigheden naar voren te brengen op grond waarvan volgens hem de duur van het inreisverbod verkort moet worden. Hoewel verzoeker daarvoor in de zienswijze op het voornemen het inreisverbod op twee jaar vast te stellen, de gelegenheid heeft gehad, heeft verzoeker dit niet gedaan.

Uitspraak



RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Assen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaksnummer: AWB 12/2189 en AWB 12/2188

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 februari 2012

in de zaak tussen

[...],

geboren 1979,

van Iraakse nationaliteit,

IND-dossiernummer: [...],

V-nummer: [...],

verzoeker,

gemachtigde: mr. K.J. Meijer, advocaat te Sint Annaparochie,

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: dhr. R. Jonkman, ambtenaar bij de IND.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000), niet ingewilligd.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verzoeker is meegedeeld dat hij de behandeling van het beroepschrift niet in Nederland mag afwachten. Bij verzoekschrift van 20 januari 2012 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen totdat op het beroep wordt beslist.

Openbare behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 2 februari 2012. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Motivering

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen het besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Verzoeker is tijdig op deze bevoegdheid gewezen.

De voorzieningenrechter neemt de volgende feiten aan. Verzoeker heeft op 2 september 2009 voor de eerste keer een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 19 februari 2009 afgewezen. Bij uitspraak van 29 april 2011 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Den Bosch, is de afwijzing van de aanvraag onherroepelijk geworden. Met deze uitspraak is in rechte komen vast te staan dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van vluchtelingschap, zodat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. Verder is met deze uitspraak komen vast te staan dat verzoeker niet op grond van de algehele situatie in Irak, dan wel vanwege de situatie in Kirkuk, in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000.

Volgens vaste jurisprudentie moet de rechter, ter bepaling van de omvang van de door hem te verrichten beoordeling in dit geval, direct treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) – onder meer de uitspraak van 8 oktober 2007, LJN: BB5763 – volgt immers dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het door de Afdeling gehanteerde beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998, in de zaak Bahaddar tegen Nederland (LJN: AG8817), voordoen, staat voornoemd beoordelingskader evenmin in de weg aan een rechterlijke toetsing van het besluit als ware het een eerste afwijzing.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 Awb , moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat besluit rust.

Verzoeker heeft aan zijn op 19 december 2011 ingediende herhaalde aanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Irak nog steeds gevaar loopt om te worden vervolgd vanwege zijn Turkmeense afkomst. In juli 2011 is de winkel van verzoekers vader tot ontploffing gebracht. Dit is in Kirkuk op televisie geweest en verzoekers vader is geïnterviewd. Omstreeks oktober 2011 zijn verzoekers ouders en zus in Irak aangevallen in hun woonhuis. Daarbij heeft verzoekers vader ter verdediging geschoten. Verzoekers vader is gearresteerd en in de gevangenis gezet, omdat hij bij de beschieting iemand heeft gedood.

Verder heeft verzoeker aan de herhaalde aanvraag ten grondslag gelegd dat hij voor zijn gezondheidsklachten behandeling nodig heeft.

Ook heeft verzoeker een document van de Irakese ambassade overgelegd waaruit blijkt dat zijn aanvraag voor een Irakees paspoort is gestopt op verzoek van de Irakese autoriteiten.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat hetgeen door verzoeker is aangevoerd dan wel dat de door hem overgelegde documenten geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn in de zin van artikel 4:6 Awb . Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

De ontploffing van de winkel en de arrestatie van verzoekers vader zijn weliswaar aan te merken als feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het bestreden besluit, maar van deze feiten en omstandigheden is op voorhand uitgesloten dat ze kunnen afdoen aan het eerdere besluit. Verzoeker heeft deze feiten en omstandigheden niet met (authentieke) bewijsstukken aannemelijk gemaakt. Verzoeker heeft wel kopieën van foto’s overgelegd, maar daaruit valt niet af te leiden dat ze betrekking hebben op de gestelde gebeurtenissen. Evenmin heeft verzoeker deze gebeurtenissen door middel van zijn verklaringen aannemelijk gemaakt, omdat verzoeker niet weet op welke data de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden en ook niet weet door wie de aanvallen werden gepleegd. Ook heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat er, ondanks het tijdsverloop, een verband is tussen zijn vertrek uit Irak in 2003 en de gebeurtenissen in 2011.

Voor zover verzoeker met het beroep op zijn gezondheidsituatie wil betogen dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van het Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van een rechtens relevant novum, omdat verzoeker geen medische informatie heeft overgelegd. Alleen daarom al is op voorhand uitgesloten dat de medische situatie van verzoeker kan afdoen aan het eerdere besluit.

De verklaring van de Irakese ambassade waarin is vermeld dat de procedure rond de afgifte van een paspoort, is stopgezet, kan ook niet als een rechtens relevant novum worden aangemerkt. Deze verklaring kan niet afdoen aan het eerdere besluit.

Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden zijn gelegen en zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts niet is gebleken dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden, als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in zaak nr. 145/1996/764/965, Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45), is voor rechterlijke toetsing van het besluit van 20 januari 2012 geen plaats.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de aanvraag heeft af kunnen wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Daarom heeft verweerder de aanvraag terecht in het kader van de AA-procedure afgewezen.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat het terugkeerbesluit van 23 januari 2011, waartegen verzoeker afzonderlijk beroep heeft ingediend, geregistreerd onder kenmerk AWB 12/2821, als ingetrokken kan worden beschouwd omdat dit besluit geen rechtens relevant rechtsgevolg in het leven roept. Namens verzoeker is daarna het beroep ingetrokken, met het verzoek de in die procedure aangevoerde beroepsgronden aan te merken als gronden die in het kader van deze procedure zijn ingediend, met dien verstande dat verzoeker zich alleen nog beperkt tot de gronden die zien op de duur van het inreisverbod.

Verzoeker voert aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de duur van het aan hem opgelegde inreisverbod is bepaald op twee jaren. Niet is gebleken dat daarbij de individuele bijzonderheden van zijn zaak zijn meegewogen, terwijl dit wel had gemoeten volgens de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (Terugkeerrichtlijn). Verzoeker heeft in dit verband gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 24 januari 2012 (kenmerk Awb 12/723).

Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar het hoger beroepschrift dat tegen de uitspraak van 24 januari 2012 is ingediend, op het standpunt gesteld dat ernst van de aanleiding om tot het opleggen van een inreisverbod over te gaan, al in artikel 6.5 a, Vreemdelingenbesluit (Vb) is verdisconteerd. Daarom wordt, behoudens door de vreemdeling aangevoerde en nader onderbouwde bijzondere individuele omstandigheden, de maximale duur opgelegd zoals deze in de verschillende onderdelen van artikel 6.5 a Vb genoemd staan. Dat verweerder zou moeten motiveren waarom een inreisverbod voor de duur van twee jaar wordt opgelegd, volgt verweerder dan ook niet. Verzoeker heeft immers geen individuele omstandigheden naar voren gebracht die tot het verkorten van de duur van het inreisverbod hadden moeten leiden.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, voor zover hier van belang, wordt de duur van het inreisverbod volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval bepaald, en bedraagt de duur in principe niet meer dan vijf jaar.

Ingevolge artikel 6.5a, Vb bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren. In artikel 6.5a, tweede lid tot en met het zesde lid, Vb is bepaald onder welke omstandigheden van de duur van het inreisverbod van twee jaar wordt afgeweken.

Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (onder meer het arrest van 20 oktober 2005, nr. C 6/04, Commissie/Verenigd Koninkrijk, punten 21 en 22; www.curia.europa.eu) vereist de omzetting in nationaal recht van een richtlijn niet noodzakelijkerwijze dat de inhoud ervan formeel en letterlijk wordt overgenomen in een uitdrukkelijke en specifieke wettelijke bepaling. Afhankelijk van de inhoud van de richtlijnbepaling kan een algemene juridische context volstaan, wanneer deze daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze verzekert. In elk concreet geval moet de aard worden vastgesteld van de in de richtlijn opgenomen bepaling waarop het beroep wegens niet-nakoming betrekking heeft, om vast te stellen hoe ver de omzettingsplicht van de lidstaten gaat.

Het enkele feit dat artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn niet letterlijk is overgenomen in artikel 6.5 a, Vb, kan dus niet leiden tot de conclusie dat artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, niet volledig in de Nederlandse rechtsorde is ge ïmplementeerd. Immers, met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de volledige toepassing van artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, verzekerd. Als mocht blijken dat verweerder niet alle relevante omstandigheden van het individuele geval bij de beoordeling heeft betrokken, kan verzoeker dit in het kader van artikel 3:2 Awb in rechte aan de orde stellen. Bovendien heeft verzoeker de gelegenheid gehad om zelf omstandigheden naar voren te brengen op grond waarvan volgens hem de duur van het inreisverbod verkort moet worden. Hoewel verzoeker daarvoor in de zienswijze op het voornemen het inreisverbod op twee jaar vast te stellen, de gelegenheid heeft gehad, heeft verzoeker dit niet gedaan.

Uit het voorgaande volgt tevens dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in ongegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen.

Nu het beroep ongegrond dient te worden verklaard, wordt het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

-wijst het verzoek om een voorlopige voorziening bekend onder nummer Awb 12/2189 af;

-verklaart het beroep, bekend onder nummer Awb 12/2188, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Läkamp, rechter, bijgestaan door mr. C. van den Dool-van der Steeg, griffier.

C. van den Dool-van der Steeg mr. E. Läkamp

In het openbaar uitgesproken op 16 februari 2012

Tegen deze uitspraak ten aanzien van het gedeelte waarin ten aanzien van het beroep is beslist, kunnen partijen binnen één week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”,postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. De vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen, zijn opgenomen in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000 .

afschrift verzonden op:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature