< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing verzoek opheffing vrijheidsbeperkende maatregel (art. 56 Vw 2000).

Rechtbank is van oordeel dat bij belangenweging dient te worden meegewogen: zwaar gewicht komt toe aan de medische informatie (van na de vorige uitspraak); toegewezen vovo in reguliere verblijfsprocedure; en het door verweerder gedogen van het verblijf in andere gemeente totdat op het bezwaar in de reguliere procedure is beslist.

Opheffen vrijheidsbeperkende maatregel.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/29856

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2012 in de zaak tussen

[Eiseres], eiseres, V-nummer [nummer], en

haar minderjarige zoon, [A],

hierna samen te noemen eisers

(gemachtigde: mr. J. Klaas),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).

Procesverloop

Eiseres stelt te zijn geboren op [datum] 1985 en haar zoon op [datum] 2003. Zij stellen beiden de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben.

Bij besluit van 15 december 2011 heeft verweerder met toepassing van artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000) aan eisers de verplichting opgelegd met ingang van 4 januari 2012 te verblijven in de gemeente [gemeente].

Bij brief van 24 mei 2012 hebben eisers verweerder verzocht om opheffing van voornoemde vrijheidsbeperkende maatregel.

Bij besluit van 5 september 2012 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Eisers hebben bij brief van 18 september 2012 tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank en tevens verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2012. Eisers zijn vertegenwoordigd door mr. W.G. Fischer, namens hun gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1

In artikel 56, eerste lid, van de Vw 2000 is bepaald dat, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te geven regels, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, door Onze Minister de vrijheid van beweging kan worden beperkt van de vreemdeling die:    

a. geen rechtmatig verblijf heeft;

b. rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, met uitzondering van de

onderdelen b, d en e.

Ingevolge artikel 5.1 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 kan de maatregel van beperking van vrijheid van beweging, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw 2000 bestaan uit:

a. een verplichting zich bij verblijf in Nederland in een bepaald gedeelte van Nederland te bevinden, of  

b. een verplichting zich te houden aan een verbod om zich in een bepaald gedeelte of bepaalde gedeelten van Nederland te bevinden.

In paragraaf A6/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is het beleid neergelegd ten aanzien van het beperken van de bewegingsvrijheid op grond van artikel 56 van de Vw 2000.

Volgens het in paragraaf A6/4.3 van de Vc 2000 neergelegde beleid mogen de opgelegde beperkingen ex artikel 56 van de Vw 2000 niet zo verstrekkend zijn, dat zij het karakter van een vrijheidsontnemende maatregel hebben, noch dienen zij ertoe om de uitzetting van een vreemdeling te verzekeren. Alleen in uitzonderingsgevallen, met name indien de uitzetting (nog) niet kan plaatsvinden en de toepassing van een andere vrijheidsbeperkende maatregel niet in aanmerking komt, kan deze maatregel in het kader van de openbare orde of nationale veiligheid toegepast worden. Hoewel de maatregel niet aan een wettelijke termijn gebonden is, dienen ook hierbij de beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (kan een lichter middel toegepast worden) in acht genomen te worden. De vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 van de Vw 2000 - al dan niet in combinatie met een toezichtsmaatregel op grond van artikel 54, tweede lid, van de Vw 2000 - kan worden opgelegd in een daartoe bestemde vrijheidsbeperkende locatie.

Op grond van artikel 75, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de rechtbank tegen een beschikking die is gegeven op grond van artikel 56 van de Vw 2000.

2

Eisers stellen zich op het standpunt dat hun belangen zwaarder dienen te wegen dan die van verweerder. Vooral nu het belang van de verhuizing niet duidelijk is gemaakt door verweerder. Eisers beroepen zich op nieuwe medische informatie, dat onderbouwt welke risico’s het (vooruitzicht van) gedwongen vertrek uit Almere meebrengt, het feit dat inmiddels de voorlopige voorziening is toegewezen hangende het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 en eiseres dus rechtmatig verblijf heeft, en het wetsvoorstel van kamerlid Voordewind, dat hier gewortelde kinderen niet zullen worden uitgezet, hetgeen consequenties zal hebben voor haar zoon.

3

Verweerder is van mening dat de oplegging en voortduring van de vrijheidsbeperkende maatregel is geïndiceerd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eisers voor het opleggen van de maatregel in gemeentelijke noodopvang hebben verbleven, zich niet hebben gehouden aan hun vertrekplicht en Nederland aldus niet aantoonbaar hebben verlaten. De omstandigheden zoals ze golden ten tijde van de uitspraak van 9 januari 2012 van de rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, gelden onverkort.

4

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank overweegt dat de afwijzing van het verzoek om opheffing van de maatregel die is opgelegd op grond van artikel 56 van de Vw 2000 eveneens een beschikking is die is genomen op grond van artikel 56 van de Vw 2000, zodat hiertegen rechtstreeks beroep open staat. De rechtbank verwijst hierbij tevens naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, van 20 maart 2012 (LJN: BV9384). Het beroep is dan ook ontvankelijk.

De rechtbank overweegt dat een groot aantal van de door eisers aangedragen bijzondere omstandigheden reeds zijn meegewogen in de uitspraak van 9 januari 2012. Dit geldt evenwel niet voor de medische informatie van 30 januari 2012. In de uitspraak van 9 januari 2012 is overwogen dat uit de op dat moment beschikbare medische informatie niet blijkt welke gevolgen de reactivering van de klachten en een verblijf in de VBL – een plek die zij associeert met het AZC waar zij is verkracht – voor eiseres zullen hebben. In de brief van i-psy van 30 januari 2012, ondertekend door de huisarts, psycholoog en psychiater, is hieromtrent het volgende opgenomen:

Sinds de uitspraak waarin staat dat [Eiseres] naar [AZC] moet gaan is er een crisis ontstaan. Op dit moment verkeert [Eiseres] in een levensbedreigende toestand. (…). Zij vertelt dat zij goed moet nadenken over de manier waarop zij en [A] uit dit leven zullen weggaan, alle hoop is toch al verloren. (…) Suïcide/homocide kan niet worden uitgesloten.(…) [Eiseres] heeft op dit moment alle hoop verloren, zij verkeerd in een levensbedreigende toestand. Als er niet spoedig wordt ingegrepen is de kans zeer groot dat zij zichzelf of haar zoontje iets zal aandoen. Door de voortdurende bedreiging van haar veilige thuisbasis en de recente opdracht om naar een vrijheidsbeperkende locatie te gaan zijn de klachten verergerd en stagneert de behandeling. Nu dreigt het risico dat zij onomkeerbare schade zal oplopen of zelfs een einde aan haar leven zal maken.

Naar het oordeel van de rechtbank dient deze informatie zwaar mee te wegen bij de beantwoording van de vraag of het voortduren van de maatregel nog langer gerechtvaardigd is te achten.

Ook weegt de rechtbank mee dat naar aanleiding van de toegewezen voorlopige voorziening in de reguliere verblijfsprocedure eiseres rechtmatig verblijf heeft en verweerder ter zitting heeft aangegeven dat verweerder het verblijf van eiseres in Almere zal blijven gedogen totdat op het bezwaar in deze procedure is beslist.

Onder deze omstandigheden valt niet in te zien waarom verweerder de maatregel niet opheft, temeer nu het verweerder vrij staat op een later tijdstip een nieuwe maatregel op te leggen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd.

5

De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en draagt verweerder met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op de maatregel met onmiddellijke ingang te be ëindigen.

6

De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 5 september 2012;

- draagt verweerder op de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel van

15 december 2011 onmiddellijk op te heffen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 874,-- en bepaalt dat deze kosten aan de griffier worden betaald.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van J.J. Kip, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature