E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV2901
LJN BV2901, Rechtbank 's-Gravenhage, AWB 10/33733

Inhoudsindicatie:

MK - artikel 10 De finitierichtlijn - Iran - bekeerden - Algemeen Ambtsbericht Iran oktober 2010

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiser zich heeft bekeerd tot het christendom.

De rechtbank overweegt dat aldus uit het ambtsbericht blijkt dat de ‘nieuwe kerken’ in Iran, de enige kerken waarbij eiser zich als bekeerde christen kan aansluiten, bestaan uit evangeliserende kerken en huiskerken, dat evangeliserende kerken in de negatieve belangstelling staan van de Iraanse autoriteiten, dat sprake is van overheidstoezicht op die kerken en hun bezoekers en dat bijeenkomsten buiten hun kerkgebouw verboden zijn. Uit het ambtsbericht blijkt voorts dat het in de verslagperiode geregeld voorkwam dat bekeerde christenen werden gearresteerd na een inval in huiskerken en dat sommigen zich nog in detentie bevinden. Voorts komt uit het rapport van CSW van 25 januari 2011 naar voren dat christenen die na een inval in huiskerken zijn gearresteerd pas zijn vrijgelaten nadat zij een verklaring hebben ondertekend dat zij zich zullen onthouden van (huis)kerbezoek.

Het beeld zoals dat blijkt uit voornoemd ambtsbericht ter zake van het risico dat de bekeerde christenen lopen in Iran, wordt, zo overweegt de rechtbank, bevestigd in de door eiser overgelegde recente rapporten en (nieuws)berichten.

De rechtbank is van oordeel dat voormelde informatie het betoog van eiser ondersteunt dat het voor hem als bekeerde christen, vanwege het reële risico op ernstige repercussies van de zijde van de Iraanse overheid, zoals arrestatie, niet mogelijk is om zonder vrees in Iran deel te nemen aan formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer.

Anders dan verweerder heeft betoogd, oordeelt de rechtbank, dat een dergelijke beperking in het recht op het bijwonen van kerkdiensten is aan te merken als een daad van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

Hieraan doet niet af de verwijzing door verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 januari 2011 (LJN BP2541) waarin hij verwijst naar het arrest van 28 februari 2006 van het Europees Hof van de Rechten van de Mens waaruit kan worden afgeleid dat het in artikel 9 van het EVRM neergelegde recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst de Verdragsstaten niet verplicht vreemdelingen bescherming te bieden reeds omdat dezen hun godsdienst in hun land van herkomst niet op gelijke wijze kunnen uitoefenen als in de Verdragstaat waar om toelating is verzocht. Voornoemd arrest heeft betrekking op de beschermingsomvang van artikel 9 van het EVRM , terwijl eiser (primair) gemotiveerd heeft betoogd dat hij bij terugkeer naar Iran een vervolging vreest door de Iraanse autoriteiten in de zin van het Vluchtelingenverdrag en als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, aanhef en onder b, van het VV .

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie