E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU6573
LJN BU6573, Rechtbank 's-Gravenhage, AWB 10/9149 AW

Inhoudsindicatie:

Tussen eiser en een wijkbewoonster is een (buitenechtelijke) relatie ontstaan, welke na 8 juli 2009 is beëindigd. Eiser heeft de relatie pas bij zijn leidinggevende gemeld op het moment dat er problemen zijn ontstaan. De rechtbank overweegt dat, hoewel de kwestie niet in de publiciteit is gekomen, wel sprake is van laakbaar gedrag. Door het aangaan van een relatie met een vrouw die zich tot de politie heeft gewend met diverse hulpvragen en het feit dat eiser zijn relatie met betrokkene pas in een zeer laat stadium heeft gemeld, heeft hij zichzelf in een positie gebracht waarbij het aanzien van de politieorganisatie kon worden geschaad. Dat sprake was van een relatie tussen twee volwassenen, welke was gebaseerd op wederkerigheid, doet hier niet aan af.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het gedrag van eiser een bijzonder geval mocht zien als bedoeld in artikel 64 van het Barp , waarin het belang van de dienst tewerkstelling op een andere plaats vorderde. Verweerder was derhalve bevoegd om eiser over te plaatsen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de toegewezen functie passend heeft kunnen achten. Derhalve kan niet worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid op grond van artikel 64 van het Barp gebruik heeft kunnen maken.

Tussen de onder de punten 3 en 4 tegengeworpen gedragingen bestaat nauwe samenhang. De rechtbank acht deze gedragingen, welke, zoals is overwogen bij rechtsoverweging 5.2, als bijvangst kunnen worden beschouwd en waarvoor een plausibele verklaring is gegeven door eiser, niet zo zwaar dat deze als relevant onderdeel van het plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt. De rechtbank acht de gedragingen zoals vermeld in de samenhangende punten 1 en 2 welvoldoende deugdelijk vastgesteld. Verweerder heeft dan ook terecht vastgesteld dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Niet is gebleken dat de gedragingen niet aan eiser kunnen worden toegerekend. Verweerder heeft zich op grond van dit plichtsverzuim terecht bevoegd geacht om eiser disciplinair te bestraffen.

Nu één van de verwijten, die eiser werden gemaakt, geheel is weggevallen en een ander verwijt niet als relevant onderdeel van het plichtsverzuim kan worden aangemerkt, is het plichtsverzuim niet zodanig ernstig, dat de straf van voorwaardelijk ontslag daaraan evenredig kan worden geacht. De rechtbank neemt nog in aanmerking dat de proeftijd die is verbonden aan de disciplinaire straf inmiddels is verstreken en dat eiser deze proeftijd goed heeft doorstaan. Verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat eiser op korte termijn eenzelfde functie zal worden toegewezen als waaruit hij is ontheven. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het beroep, voor zover het de disciplinaire bestraffing betreft, gegrond dient te worden verklaard. Het bestreden besluit dient derhalve op dit punt te worden vernietigd en verweerder dient op dit punt een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank overweegt dat het opleggen van de lichtste vorm van disciplinaire bestraffing in dit geval de rechterlijke toetsing wel zal kunnen doorstaan.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie