< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Er bestaat geen grond voor het oordeel dat geen sprake is van het ontbreken van een uitzicht op verwijdering van eiser naar China binnen een redelijke termijn. De rechtbank betrekt in haar oordeel dat het diplomatieke overleg tussen de Nederlandse en Chinese autoriteiten kennelijk nog steeds gaande is en dat dit jaar inmiddels 20 Chinese vreemdelingen zijn uitgezet. Voorts acht de rechtbank van belang dat eiser heeft verklaard in het bezit te zijn geweest van een identiteitskaart. Het ligt op de weg van eiser inspanningen te verrichten om in het bezit te komen van die identiteitskaart dan wel van een kopie daarvan. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2011, meer in het bijzonder de rechtsoverwegingen 2.2.1 en 2.2.2, is de rechtbank van oordeel dat thans niet gezegd kan worden dat niet langer sprake is van zicht op verwijdering van eiser naar China binnen een redelijke termijn.

Uitspraak



RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/19942

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2011

inzake

[eiser],

geboren op [datum] 1968,

nationaliteit Chinese,

verblijvende te Zeist in het detentiecentrum,

eiser,

gemachtigde mr. H.G.A.M. Halfers,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. S.H.F. Pols.

Procesverloop

Op 16 maart 2011 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000) in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van de rechtbank, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, van 26 april 2011, is zijn eerdere beroep, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 16 juni 2011 beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder op 17 juni 2011 een voortgangsrapportage ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hierop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, gereageerd bij schrijven van 20 juni 2011.

De zaak is behandeld op de zitting van 28 juni 2011, waar eiser niet is verschenen en is vertegenwoordigd door een kantoorgenoot van zijn gemachtigde, mr. P.H. van Akenborgh. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Namens eiser is – kort weergegeven – aangevoerd dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat binnen een redelijke termijn. Niet te verwachten valt dat de Chinese autoriteiten binnen afzienbare tijd een laissez passer zullen afgeven. Hiertoe verwijst eiser naar een drietal uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, LJN: BQ7083, nevenzittingsplaats Zwolle, LJN: BQ3102 en nevenzittingsplaats Assen, LJN: BP9523. Verweerder kan niet aannemelijk maken dat, ondanks de laatste overleggen die hebben plaatsgevonden tussen de Nederlandse en Chinese autoriteiten, deze overleggen resulteren in concrete aanknopingspunten dat er een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat.

2. Verweerder heeft – samengevat – naar voren gebracht dat er inspanningen worden verricht om de Chinese autoriteiten te bewegen om op geregelde basis over te gaan tot afgifte van laissez passers. Dit heeft tot nu toe geresulteerd in een persoonlijk onderhoud tussen de autoriteiten, hetgeen heeft plaatsgevonden op 4 mei 2011. Tijdens dit onderhoud is de duidelijke intentie tussen beide partijen uitgesproken om aan het overleg een vervolg te geven. Verder heeft een Chinese delegatie, op eigen initiatief, op 8 juni 2011 het detentiecentrum in Zeist bezocht. Hieruit valt te concluderen dat de Chinese autoriteiten het wederzijdse (diplomatieke) contact van belang achten en in gesprek zijn en blijven met de Nederlandse autoriteiten. Voorts heeft verweerder ter zitting aangevoerd dat er dit jaar al 20 Chinese vreemdelingen, dus op meer dan incidentele basis, naar China zijn uitgezet met (een kopie van) een identiteitskaart en/of paspoort. Sinds maart 2011 kunnen Chinese vreemdelingen met een EU-staat worden uitgezet, mits zij minimaal beschikken over een kopie van een identiteitsdocument. Verweerder heeft voorts verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 6 juni 2011, geregistreerd onder zaaknummer 201104848/1/V3. Tenslotte heeft verweerder aangevoerd dat eiser, zoals blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 10 mei 2011, heeft verklaard dat hij een identiteitskaart in zijn bezit heeft gehad. Deze nieuwe ontwikkeling vraagt om nader onderzoek van verweerder. Tevens brengt dit met zich mee dat eiser inspanningen dient te verrichten om (een kopie van) de desbetreffende identiteitskaart aan verweerder over te leggen.

3. De rechtbank overweegt dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat geen sprake is van het ontbreken van een uitzicht op verwijdering van eiser naar China binnen een redelijke termijn. De rechtbank betrekt in haar oordeel dat, zoals hierboven in rechtsoverweging 2 is weergegeven, het diplomatieke overleg tussen de Nederlandse en Chinese autoriteiten kennelijk nog steeds gaande is en dat dit jaar inmiddels 20 Chinese vreemdelingen zijn uitgezet. Voorts acht de rechtbank van belang dat eiser heeft verklaard in het bezit te zijn geweest van een identiteitskaart. Het ligt op de weg van eiser inspanningen te verrichten om in het bezit te komen van die identiteitskaart dan wel van een kopie daarvan. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2011, meer in het bijzonder de rechtsoverwegingen 2.2.1 en 2.2.2, is de rechtbank van oordeel dat thans niet gezegd kan worden dat niet langer sprake is van zicht op verwijdering van eiser naar China binnen een redelijke termijn.

4. Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, dat het voortduren van de bewaring niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

5. Het beroep zal mitsdien ongegrond worden verklaard. Het namens eiser ingediende verzoek tot schadevergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu zich geen omstandigheden voordoen als omschreven in artikel 106 van de Vw 2000. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslist wordt als volgt

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond;

- wijst het verzoek om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. J. van Berchum als rechter in tegenwoordigheid van W.S. Hooijmans-Gottschalk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2011.

&lt;HR&gt;

&lt;i&gt;Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.&lt;/i&gt;

Afschriften verzonden:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature