E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ8436
LJN BQ8436, Rechtbank 's-Gravenhage, AWB 10/5339 WASCHB

Inhoudsindicatie:

Partijen strijden over de vraag of een achttal van de eiser in eigendom toebehorende percelen grasland, welke begrepen zijn in de heffing ongebouwd van de aanslagen watersysteemheffing 1010, terecht niet als natuurterreinen in de zin van de Waterschapswet is aangemerkt. Eiser heeft subsidie aangevraagd op grond van de Provinciale Subsidieregeling Natuurbeheer (PSN), welke regeling gericht is op de bevordering van duurzame ontwikkeling en instandhouding van bossen en natuurterreinen. De aanvraag, voor zover betrekking hebbend op deze acht percelen, is ten volle is gehonoreerd door toekenning van zowel een inrichtingssubsidie als een functieveranderingssubsidie. Om voor deze subsidie in aanmerking te komen heeft eiser de hem eerder toegekende provinciale subsidie voor "agrarisch" natuurbeheer, moeten terugbetalen.

Samenhangend met en als uitvloeisel van de toekenning van de PSN-subsidie is eiser op 13 november 2008 met de provincie Zuid-Holland een notarieel verleden overeenkomst aangegaan waarin hij een kwalitatieve verplichting op zich heeft genomen (en moeten nemen) om de betreffende landbouwgrond niet langer te gebruiken ten behoeve van landbouw en datgene na te laten wat de ontwikkeling of instandhouding van het betrokken natuurdoelpakket in gevaar brengt of verstoort. Daarbij is in artikel 3, onder d, van de overeenkomst bepaald dat de beheerder het terrein niet gebruikt voor andere doeleinden dan voor de ontwikkeling dan wel instandhouding van het natuurdoelpakket waarvoor subsidie wordt of is verleend op grond van de Subsidieregeling Natuurbeheer Zuid-Holland. Onder c van hetzelfde artikel voorziet slechts in de mogelijkheid van afwijkend gebruik indien en voor zover dit in overeenstemming is met de ontwikkeling dan wel instandhouding van het natuurdoelpakket waarvoor de subsidie wordt of is verleend op grond van de regeling.

De rechtbank stelt vast dat verweerder ten onrechte met de subsidie- en contractuele voorwaarden geen rekening houdt. Evenzeer wordt voorbijgegaan aan eisers gemotiveerde betoog dat het gebruik van de percelen voor zover het gaat om agrarische activiteiten, volledig ten dienste staat van het belang van de natuurbescherming en die activiteiten er slechts op gericht zijn verschraling van het grasland tegen te gaan. Ook overigens treft het betoog van verweerder geen doel. Het beroep is gegrond. De aanslagen worden verminderd tot een tarief van € 4 per hectare, geldend voor natuurterreinen.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie