E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ0643
LJN BQ0643, Rechtbank 's-Gravenhage, AWB 10/13422 BEPTDN

Inhoudsindicatie:

Een Turkse werknemer stelt dat hem ten onrechte de verleende verblijfsvergunning met een geldigheidsduur van slechts één jaar is verleend omdat dit in strijd is met artikel 9 van de Associatieovereenkomst EEG en Turkije en de artikelen 10 en 13 van Besluit nr. 1 /80 met verwijzing naar recente rechtspraak van het EHvJ vanwege het elk jaar opnieuw een verlengingsaanvraag moeten indienen en aldus elk jaar voor die aanvraag opnieuw moeite moeten doen en leges moeten betalen.

In dit geval vergt het jaarlijks verlengen van een verblijfsvergunning jaarlijks kosten en moeite die eiser als Turkse werknemer moet maken in tegenstelling tot een gemeenschapsburger. Immers, uit de richtlijn 2004/38/EG volgt dat burgers van de Unie een verklaring van inschrijving dan wel een verblijfskaart kosteloos kunnen verkrijgen dan wel tegen een bedrag (eenmalig) dat het voor de afgifte van soortgelijke documenten van eigen onderdanen verlangde bedrag niet te boven gaat. De geldigheidsduur van dergelijke documenten bedraagt vijf jaar vanaf de datum van afgifte of is gelijk aan de voorgenomen periode van verblijf van de burger van de Unie, indien deze minder dan vijf jaar bedraagt. Volgens verweerder is de rechtvaardiging voor het hiervoor weergegeven verschil tussen de Turkse werknemer en de gemeenschapsburger gelegen in de in de gedachtestrepen van artikel 6 van Besluit nr. 1 /80 besloten systematiek van een geleidelijke opbouw van steeds sterkere verblijfsrechten.

De rechtbank ziet niet in waarom de in de gedachtestrepen van artikel 6 van Besluit nr. 1 /80 neergelegde systematiek voor verweerder de noodzaak vormt voor jaarlijkse toetsing aan die gedachtestrepen in voormeld artikel. (...) Niet valt in te zien dat verweerder niet aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met een geldigheidsduur van vijf jaar heeft verleend met in achtneming van artikel 6, eerste lid, eerste gedachtestreep, van Besluit nr. 1 /80 door een arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument te plaatsen inhoudende dat een tewerkstellingsvergunning niet is vereist en arbeid in loondienst is toegestaan bij de op het verblijfsdocument vermelde werkgever. Zolang eiser werkt bij dezelfde werkgever, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, eerste gedachtestreep, van Besluit nr. 1 /80 is het voor eiser niet nodig om opnieuw een aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning in te dienen, waardoor eiser niet voor extra kosten komt te staan. Indien eiser bij een andere werkgever arbeid wil gaan verrichten, dan wel indien eiser door afgifte van een verblijfsvergunning een bevestiging van het recht op verblijf van de aan artikel 6 van Besluit nr. 1 /80 ontleende en opgebouwde rechten wenst, zal hij een wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning moeten aanvragen met de daarbij behorende moeite en kosten aan leges.

Dienaangaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder noch in zijn verweerschrift noch in antwoord op de hem ter terechtzitting gestelde vragen enig relevant argument te berde heeft gebracht dat het grote verschil in behandeling van Turkse staatsburgers op wie artikel

13 van Besluit nr. 1/80 van toepassing is ten opzichte van gemeenschapsburgers kan rechtvaardigen. Derhalve heeft verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verplichting van een één- of meerjaarlijkse verlenging met de daarbij voor eiser behorende moeite en kosten aan leges niet onevenredig is en geen beperking is met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid en aldus niet een maatregel die tevens in strijd is met de standstillbepaling van artikel 13 van Besluit nr. 1 /80. Beroep gegrond.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie