< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Naar het oordeel van de rechtbank vormen de artikelen 9 en 50 van de Vw 2000 , artikel 4.21 van het Vb 2000 alsmede artikel 3.3. van het VV 2000 in onderlinge samenhang bezien de wettelijke grondslag voor verweerders bevoegdheid tot afgifte van een W2-document. Uit deze bepalingen blijkt dat voor afgifte van een W2-document is vereist dat de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Verweerder is dus alleen bevoegd tot afgifte van een W2-document indien sprake is van rechtmatig verblijf. Anders dan verweerder in zijn besluiten heeft aangegeven en door eiser onder verwijzing naar meergenoemde uitspraak van de rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, is aangenomen, komt verweerder niet de bevoegdheid toe – ook niet in zeer bijzondere omstandigheden – een W2-document af te geven indien geen sprake is van rechtmatig verblijf.

Uit WBV 2007/44 zelf noch uit de toelichting erop kan worden afgeleid dat de aanwezigheid van zeer bijzondere omstandigheden in geval van overige/andere vreemdelingen, dat wil zeggen vreemdelingen die geen vergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 hebben ingediend, los moet worden gezien van het vereiste van rechtmatig verblijf. Daar komt bij dat een andere opvatting in strijd is met de terzake bestaande bevoegdheid van verweerder een W2-document af te geven en met de bedoeling van de afgifte van een W2-document, namelijk dat vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben en die niet beschikken over een document voor grensoverschrijding hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie kunnen aantonen.

Uitspraak



RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/27054

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 april 2011

inzake

[eiser],

geboren op [datum] 1983,

nationaliteit: Sierra Leoonse,

verblijvende te [plaats],

eiser,

gemachtigde: mr. R.C. van den Berg,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde: mr. T. Boekholt.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2010 heeft verweerder eisers aanvraag van 19 maart 2010 tot afgifte van een W2-document afgewezen.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 15 juli 2010 ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 30 juli 2010 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 24 maart 2011, waar eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is of verweerders weigering eiser een W2-document te verstrekken, in rechte stand kan houden.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3. Op 12 december 2008 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de weigering hem ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet (Ranov). Verweerder heeft vervolgens bij brief van 16 januari 2009 de beslisminuut toegezonden. Bij brief van 23 januari 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de beslisminuut van 16 januari 2009. Bij besluit van 29 april 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser van 12 december 2008 ongegrond verklaard. Eiser heeft op 26 mei 2009 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld.

4. Op 19 februari 2010 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 23 januari 2009. Bij uitspraak van 19 mei 2010 heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 23 januari 2009 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat bij besluit van 29 april 2009 reeds op het bezwaar van 23 januari 2009 was beslist. Bij uitspraak van 28 september 2010 heeft de rechtbank het hiertegen door eiser gedane verzet ongegrond verklaard.

5. Bij uitspraak van 8 juli 2010 heeft de rechtbank het beroep van eiser van 26 mei 2009, gericht tegen het besluit van 29 april 2009, ongegrond verklaard.

6. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder zich – kort weergegeven – op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor het verzochte W2-document, omdat hij niet behoort tot de categorieën vreemdelingen die in aanmerking komen voor de verstrekking van dat document. Eiser behoort volgens verweerder niet tot categorie 5, omdat hij geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000). Eiser is immers niet in afwachting van een beslissing op een bezwaar- of beroepschrift, terwijl bij of krachtens de Vw 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaar- of beroepschrift is beslist. Evenmin behoort eiser tot categorie 6, omdat niet is gebleken van zeer bijzondere omstandigheden om eiser een W2-document te verstrekken.

7. Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft hiertegen – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. Het verblijf tijdens het beroep niet tijdig beslissen ten tijde van de aanvraag van een W2-document dient te worden aangemerkt als rechtmatig verblijf. Het beroep richt zich immers tegen de weigering een besluit te nemen op het bezwaarschrift. Het bezwaarschrift heeft schorsende werking en eiser had derhalve rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 . Het feit dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen nadien kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard doet daar niet aan af. Volgens eiser kan ook in de situatie dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden een W2-document worden afgegeven. Eiser wijst in dit verband op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, van 18 november 2010 (LJN: &lt;a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BO6821" target="_blank"&gt;BO6821&lt;/a&gt;). Eiser meent dat in zijn geval sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden, omdat hij zich in verband met zijn kinderen regelmatig moet legitimeren. Dat de moeder een verblijfsvergunning heeft maakt dit niet anders. Op dit punt ontbeert het bestreden besluit volgens eiser een deugdelijke motivering. Ten slotte is ten onrechte afgezien van het horen in bezwaar.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

9. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 verschaft Onze Minister aan de vreemdeling, die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder a tot en met d, f tot en met h en j tot en met l, en aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, onder e, sub 2 º, 4º, en 6º, een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

10. Ingevolge artikel 50, eerste lid, laatste volzin, van de Vw 2000 worden bij algemene maatregel van bestuur de documenten aangewezen waarover een vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

11. Ingevolge artikel 4.21, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) worden als documenten in de zin van artikel 50, eerste lid, laatste volzin, van de Wet, aangewezen voor vreemdelingen, anders dan bedoeld onder c, die rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder f, g, h, j, k, of m, van de Wet hebben en die niet beschikken over een ingevolge de Wet vereist geldig document voor grensoverschrijding: een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document, waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling, dat is voorzien van een inlegvel als bedoeld in artikel 4.29, derde lid, waarop de verblijfsrechtelijke positie is aangetekend.

12. Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) zijn als document waaruit het rechtmatig verblijf bedoeld in artikel 8, onder f tot en met h, van de Vw 2000 blijkt, - voor zover hier van belang – aangewezen de volgende documenten en verklaringen, waarbij het vastgestelde model van dat document of die verklaring wordt aangegeven:

c. voor vreemdelingen die in afwachting zijn van een besluit of rechterlijke uitspraak omtrent een aanvraag tot verlening, verlenging van de geldigheidsduur of wijziging van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 en die rechtmatig verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, g, of h, van de Wet en in het verleden een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 hebben ingediend: het document W2 van het model dat als bijlage 7f2 bij deze regeling is gevoegd;

d. voor overige vreemdelingen die in afwachting zijn van een besluit of een rechterlijke uitspraak omtrent een aanvraag tot verlening, verlenging van de geldigheidsduur of wijziging van een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 14 en 20 van de Vw 2000 en die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, g, of h van de Vw 2000 hebben en waarbij naar oordeel van de Minister sprake is van zeer bijzondere omstandigheden: het document W2 van het model dat als bijlage 7f2 bij deze regeling is gevoegd.

13. In het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 20 december 2007, nr. 2007/44, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: WBV 2007/44) (Stcrt. 2008, nr. 3) staat het volgende:

“Andere vreemdelingen

Voor andere vreemdelingen is als identiteitsdocument aangewezen een ingevolge de Vw voor het hebben van toegang tot Nederland vereist geldig document voor grensoverschrijding, dan wel een geldig document voor grensoverschrijding waarin een geldig visum is aangetekend. De voor het hebben van toegang tot Nederland vereiste documenten voor grensoverschrijding zijn aangewezen bij artikel 2.3 Vb . Deze bepaling is niet alleen van toepassing op vreemdelingen aan wie gedurende de vrije termijn verblijf is toegestaan, maar ook op vreemdelingen die illegaal in ons land verblijven. Enkel in zeer bijzondere omstandigheden, waarbij met name gedacht moet worden aan het feit dat betrokkene al is vrijgesteld van het paspoortvereiste, kan aanleiding bestaan alsnog een W2-document te verstrekken.”

14. In de toelichting op WBV 2007/44 staat het volgende:

“Algemeen

Artikel 4.21, eerste lid, onderdeel d, van het Vreemdelingenbesluit 2000 schept de mogelijkheid om bij ministeri ële regeling een model vast te stellen voor een document waarmee vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben in de zin van artikel 8 onder f, g, h, j of k van de Vreemdelingenwet 2000 en die niet beschikken over een document voor grensoverschrijding hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie kunnen aantonen. Het artikel schept geen verplichting om aan iedere vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8 onder f, g, h, j of k van de Vreemdelingenwet 2000 , al dan niet desgevraagd, een dergelijk document te verstrekken. Aan de volgende vier categorieën vreemdelingen werd reeds een W2-document verstrekt: (…)

Met de wijziging van artikel 3.3 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 is een vijfde categorie vreemdelingen toegevoegd. Het betreft vreemdelingen die in het verleden een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben ingediend en die thans in afwachting zijn van een besluit of rechtelijke uitspraak omtrent een aanvraag om verlening, verlenging van de geldigheidsduur of wijziging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Uitdrukkelijk geldt ook hier dat het bezit van een W2-document niet met zich meebrengt dat de vreemdeling wordt vrijgesteld van het vereiste om te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding. (…)

Naast deze vijf categorieën kan uitsluitend in zeer bijzondere omstandigheden, waarbij met name gedacht moet worden aan het feit dat betrokkene al is vrijgesteld van het paspoortvereiste, aanleiding bestaan alsnog een W2-document te verstrekken.”

15. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen in onderlinge samenhang bezien de wettelijke grondslag voor verweerders bevoegdheid tot afgifte van een W2-document. Uit deze bepalingen blijkt dat voor afgifte van een W2-document is vereist dat de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Verweerder is dus alleen bevoegd tot afgifte van een W2-document indien sprake is van rechtmatig verblijf. Anders dan verweerder in zijn besluiten heeft aangegeven en door eiser onder verwijzing naar meergenoemde uitspraak van de rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, is aangenomen, komt verweerder niet de bevoegdheid toe – ook niet in zeer bijzondere omstandigheden – een W2-document af te geven indien geen sprake is van rechtmatig verblijf.

16. Uit WBV 2007/44 zelf noch uit de toelichting erop kan worden afgeleid dat de aanwezigheid van zeer bijzondere omstandigheden in geval van overige/andere vreemdelingen, dat wil zeggen vreemdelingen die geen vergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 hebben ingediend, los moet worden gezien van het vereiste van rechtmatig verblijf. Daar komt bij dat een andere opvatting in strijd is met de terzake bestaande bevoegdheid van verweerder een W2-document af te geven en met de bedoeling van de afgifte van een W2-document, namelijk dat vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben en die niet beschikken over een document voor grensoverschrijding hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie kunnen aantonen.

17. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank zich nog louter voor de vraag geplaatst of eiser op het moment van de bestuurlijke besluitvorming rechtmatig in Nederland verbleef. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

18. Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat ten tijde van de aanvraag tot afgifte van een W2-document en in de nadien gevolgde besluitvormingsfase geen bezwaar meer aanhangig was dat schorsende werking had en op basis waarvan eiser rechtmatig verblijf had als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 . Voorts is gesteld noch gebleken dat eiser rechtmatig verblijf had op een andere grond van artikel 8, eerste lid, van de Vw 2000 . Het feit dat eiser op 28 januari 2011 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft ingediend, kan vanwege de ex-tunc toetsing in beroep bij de onderhavige beoordeling geen rol spelen.

19. Nu eiser ten tijde van de bestuurlijke besluitvorming met betrekking tot de afgifte van het verzochte W2-document geen rechtmatig verblijf had, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geweigerd eiser een W2-document te verstrekken.

20. Eiser heeft tot slot gesteld dat de hoorplicht zoals neergelegd in artikel 7:2 van de Awb is geschonden. Verweerder heeft gesteld dat de hoorplicht in dit geval niet van toepassing is ingevolge het bepaalde in artikel 7:3, onder b, van de Awb. Van de in artikel 7:2 van de Awb vervatte algemene hoorplicht kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat van een dergelijke situatie in het onderhavige geval sprake is, zodat verweerder van het horen van eiser heeft kunnen afzien.

21. Het besluit van 15 juli 2010 kan dus in rechte standhouden.

22. Het beroep is ongegrond.

23. Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.

24. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A. Venekamp als rechter in tegenwoordigheid van mr. L.J.T. van Es als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2011.

&lt;HR&gt;

&lt;i&gt;Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt &lt;b&gt;vier weken&lt;/b&gt; na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. &lt;/i&gt;

Afschriften verzonden:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature