< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank heeft oog voor het feit dat verweerders beleid inhoudt dat omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreffen niet worden betrokken bij het beoordelen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking medische behandeling. Echter, verweerder werpt eiseres tegen dat de vraag of eiseres mantelzorg behoeft niet langer aan de orde is omdat zowel in Armenië en Georgië zorg aanwezig is in een instelling en in de vorm van thuiszorg. De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn beleid terzake mantelzorg (B8/4 van de Vc 2000) de vreemdeling uitdrukkelijk in de gelegenheid stelt om aan te geven of er personen aanwezig zijn in het land van herkomst die in staat moeten worden geacht mantelzorg te verlenen. Nu eiseres is aangewezen op mantelzorg en duidelijk is dat eiseres in Georgië geen reële kans heeft op de voor haar benodigde zorg in een instelling of in de vorm van thuiszorg, komt het beleid inzake feitelijke toegankelijkheid van medische zorg geen betekenis toe. Verweerder erkent immers dat eiseres is aangewezen om mantelzorg, maar dat daarin kan worden voorzien door opname in een instelling of in de vorm van thuiszorg. Nu het beleid inzake mantelzorg de feitelijke beschikbaarheid in het land van herkomst wél relevant acht, kan verweerder, nu verweerder als alternatief voor de mantelzorg opname in een instelling of thuiszorg voorstelt, vervolgens niet met succes een beroep doen op zijn beleid inzake feitelijke toegankelijkheid

Uitspraak



RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/38872

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2011

inzake

[eiseres],

geboren op [datum] 1940,

nationaliteit Burger van Armenië,

verblijvende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde mr. J.M.E. van der Haar,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. Mommers.

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met "medische behandeling " afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv).

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 3 november 2010 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft op 9 november 2010 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2011, waar zowel eiseres als verweerder zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of de weigering om eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met "medische behandeling" te verlenen, in rechte stand kan houden.

2. Eiseres is Nederland ingereisd in verband met familiebezoek bij haar Nederlandse zoon en dochter. Zij was daarbij in het bezit van een visum voor kort verblijf met een geldigheidsduur van 28 december 2008 tot 27 maart 2009. De geldigheidsduur van dit visum is getuige de sticker in het paspoort van eiseres verlengd tot 25 mei 2009. Op 14 mei 2009 heeft eiseres onderhavige aanvraag ingediend.

3. Verweerder heeft in het kader van voormelde aanvraag het advies ingewonnen van het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA). Op 2 december 2009 heeft het BMA ten aanzien van de gezondheidstoestand van eiseres -kort samengevat- aangegeven dat uitblijven van behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. De vraag of de behandeling in algemeen medisch-technische zin op enige plaats in Armenië aanwezig is heeft het BMA bevestigend beantwoord. In het BMA-advies is voorts ten aanzien van mantelzorg aangegeven dat bij eiseres ook met gebruik van een rollator sprake is van een valneiging en dat in het kader van de AWBZ voor eiseres een indicatie voor persoonlijke verzorging is vastgesteld voor 4 tot 6,9 uur per week. De vraag of mantelzorg aanwezig is in het land van herkomst laat het BMA onbeantwoord omdat een onderzoek hiernaar buiten de compententie van de medisch adviseur valt. Ten aanzien van de mogelijkheid van eiseres om te reizen geeft het advies aan dat er enige medische voorzieningen voor tijdens, of direct na de reis noodzakelijk zijn, namelijk dat eiseres over haar medicatie en rollator kan beschikken, dat zij begeleid wordt door een persoon die haar bij het lopen en staan kan ondersteunen en dat er een schriftelijke overdracht van de medische gegevens plaatsvindt.

4. In de bezwaarfase heeft verweerder een aanvullend medisch advies bij het BMA ingewonnen met betrekking tot de behandelmogelijkheden in Georgië, alwaar de diplomatieke vertegenwoordiging van Nederland is gevestigd waar eiseres een mvv zou moeten aanvragen. Op 9 april 2010 is dit aanvullend advies uitgebracht. Vervolgens is op 29 juli 2010 wederom een aanvullend advies door het BMA uitgebracht. In het advies is -kort samengevat- aangegeven dat uitblijven van behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. In dit verband is overwogen dat een medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht zolang de spieraandoening van eiseres nog niet genezen is. Verslechtering van het beeld wordt verwacht als de dexamethason wordt gestaakt. Gezien de actuele noodzaak tot hulp bij ADL-handelingen en het feit dat eiseres zich niet alleen kan verplaatsen is een medische noodsituatie niet uitgesloten. Dit omdat met betrekking tot de drank- en voedselopname problemen te verwachten zijn als eiseres niet voor zichzelf kan zorgen en niet voldoende mobiel is. Met betrekking tot mantelzorg wordt aangegeven dat eiseres nog afhankelijk is van anderen voor hulp bij de huishouding en het doen van boodschappen alsmede het verzorgen van de maaltijden. Voorts onderschrijft de BMA-arts dat de huisarts voor eiseres een indicatie in een verpleeginrichting heeft gesteld. Volgens het BMA-advies is behandeling zowel in Armenië als in Georgië beschikbaar. Ten aanzien van de mogelijkheid van eiseres om te reizen geeft het advies aan dat eiseres dient begeleid te worden door een begeleider die haar de medicatie kan geven, haar kan helpen bij de persoonlijke verzorging en haar rolstoel kan duwen. Daarnaast dient de begeleider eiseres over te dragen aan een thuishulpmedewerker of verzorgingshuis in het land van uitwijzing. Eiseres dient te beschikken over een rolstoel waarmee ze naar en van het vervoersmiddel verplaatst kan worden.

5. Op 27 oktober 2010 is ten slotte een laatste BMA-advies uitgebracht met betrekking tot de beschikbaarheid van de medicijnen omeprazol en furosemide in Armenië. In dit advies wordt aangegeven dat beide medicijnen in Armenië beschikbaar zijn.

6. Op grond van het BMA-advies van 29 juli 2010 is verweerder in het bestreden besluit tot de conclusie gekomen dat eiseres met inachtneming van de reisvoorwaarden in staat moet worden geacht te reizen en derhalve niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 17, eerste lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 . Evenmin is verweerder van mening dat artikel 8 van het EVRM ertoe noopt dat eiseres op grond van artikel 3. 71, tweede lid, onder l van het Vreemdelingenbesluit 2000 moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Ten slotte is verweerder van mening dat er geen aanleiding bestaat om toepassing te geven aan de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 . In dit verband heeft verweerder aangegeven dat er behandelmogelijkheden zijn in zowel Armenië als in Georgië ter voorkoming van het ontstaan van een medische noodsituatie. De vraag of eiseres mantelzorg behoeft is volgens verweerder niet langer aan de orde is omdat uit het BMA-advies blijkt dat zowel in Armenië als in Georgië zorg aanwezig is in instellingen en in de vorm van thuiszorg.

7. Met betrekking tot de ingebrachte gronden van beroep overweegt de rechtbank als volgt.

Eiseres stelt zich allereerst op het standpunt dat verweerder ten onrechte pas op het moment dat daadwerkelijk wordt uitgezet beoordeelt of daadwerkelijk aan de noodzakelijke reisvoorwaarden kan worden voldaan. Aldus stelt verweerder volgens eiseres het vergewissen ten onrechte uit tot het moment van daadwerkelijk vertrek. Ten aanzien van deze beroepsgrond is de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 december 2010, LJN &lt;a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BO6324" target="_blank" &gt;BO6324&lt;/a&gt;, van oordeel dat verweerder zich ervan moet vergewissen dat het mogelijk is dat bij de daadwerkelijke verwijdering aan die voorwaarden wordt voldaan en dat niet kan uitstellen tot het moment waarop daadwerkelijk tot verwijdering wordt overgegaan. Gelet hierop is de rechtbank, anders dan eiseres van oordeel, dat de vergewisplicht niet zover strekt dat op dit moment beoordeeld moet worden dat daadwerkelijk aan de reisvoorwaarden wordt voldaan op het moment van uitzetting, doch slechts of het mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in zoverre in algemene zin wel de juiste toets heeft aangelegd. De vraag is echter of het in het geval van eiseres op voorhand voor onmogelijk moet worden gehouden dat op moment van uitzetting aan de reisvoorwaarden wordt voldaan. Eiseres voert in dit verband aan dat haar dochter alle in het BMA-advies genoemde instellingen heeft gebeld en dat geen van de genoemde instellingen individuele verzorging of thuiszorg leveren en dat er geen mensen van het vliegveld worden afgehaald. Voor wat betreft Georgië, alwaar eiseres haar mvv zou moeten aanvragen, wijst eiseres erop dat in het BMA-advies staat dat de zorg bestaande uit ‘personal care’ en ‘housekeeping’ mogelijk is, maar zeer duur en voor de gemiddelde Georgiër amper betaalbaar. Ten aanzien van verpleeghuizen in Georgië wordt in het BMA-advies aangegeven dat het zeer moeilijk is om er een plek te krijgen gelet op plaatsgebrek en dat de focus ligt op medische zorg in plaats van persoonlijke zorg.

8. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres zich niet zelfstandig kan redden. Zij is voor alle dagelijkse levensverrichtingen, waaronder ook eten en drinken, aangewezen op hulp van derden. Tegen de achtergrond van het feit dat eiseres naar Georgië zal moeten reizen om een mvv te verkrijgen en uit het BMA-advies blijkt dat de ADL-zorg die eiseres nodig heeft in Georgië zeer moeilijk beschikbaar is, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in zijn besluit ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om op voorhand te concluderen dat eiseres niet aan een medewerker zou kunnen worden overgedragen. Waar de zorg die eiseres behoeft, kennelijk zo schaars is, valt niet zonder nader onderzoek in te zien dat die schaarse zorg juist aan eiseres zal worden geleverd in het kader van de overdracht. In ieder geval heeft eiseres verweerders stelling dat niet op voorhand voor onmogelijk moet worden gehouden dat op moment van uitzetting aan de reisvoorwaarden zal worden voldaan, ten aanzien van Georgië in voldoende mate in twijfel getrokken. Het besluit dient om die reden dan ook vernietigd te worden. Voor wat betreft Armenië heeft eiseres evenzeer aangevoerd dat genoemde instellingen geen mensen van het vliegveld halen. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat het enkele stellen dat telefonisch informatie is ingewonnen bij de door verweerder aangehaalde instellingen onvoldoende is om aan te nemen dat het op voorhand onmogelijk is om aan te nemen dat aan de reisvoorwaarden kan worden voldaan, is de rechtbank tevens van oordeel dat de reisvoorwaarden in dit geval niet los kunnen worden gezien van hetgeen verweerder ten aanzien van de hardheidsclausule heeft overwogen. De rechtbank zal dit in rechtsoverweging 12 nader toelichten.

9. De rechtbank stelt ten aanzien van de hardheidsclausule vast dat tussen partijen niet in geschil is dat voor eiseres een medische noodsituatie op korte termijn optreedt als zij niet behandeld en verzorgd wordt. Zowel de medicatie als ook de hulp die zij krijgt bij de ADL-verrichtingen zijn voor eiseres onontbeerlijk. Verweerder stelt zich evenwel op het standpunt dat zowel de medicatie als de ADL-ondersteuning in zowel Armenië als in Georgië beschikbaar is. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet afdoende heeft betwist dat de medicatie die zij gebruikt zowel in Armenië als in Georgië beschikbaar is. Het enkele -ter zitting- stellen dat het vreemd is dat omeprazol en furosemide blijkens het BMA-advies van 27 oktober 2010 wel beschikbaar is, terwijl dat eerder niet het geval was is onvoldoende. Ten aanzien van de stelling dat flixonase niet in Georgië beschikbaar is, merkt de rechtbank op dat uit de onderliggende stukken bij het BMA-advies van 29 juli 2010 -in onderlinge samenhang bezien- blijkt dat Flucticason in Georgië beschikbaar is en dat dit gelijk is aan flixonase.

10. Voor wat betreft de ADL-ondersteuning die eiseres nodig heeft, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit het BMA-advies blijkt dat dergelijke zorg ook in Armenië en in Georgië beschikbaar is. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in het bestreden besluit heeft aangegeven dat de vraag of eiseres mantelzorg behoeft niet langer aan de orde is omdat uit het BMA-advies blijkt dat zowel in Armenië als in Georgië zorg aanwezig is in instellingen en in de vorm van thuiszorg. Eiseres heeft betwist dat dergelijke zorg daadwerkelijk voor haar beschikbaar is in Armenië en in Georgië. Ter zitting heeft verweerder daaromtrent aangegeven dat het betoog dat eiseres hierbij voert ziet op de feitelijke toegankelijkheid en derhalve niet bij de beoordeling kan worden getrokken. Dit standpunt van verweerder kan in dit geval niet worden aanvaard.

11. De rechtbank heeft oog voor het feit dat verweerders beleid inhoudt dat omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreffen niet worden betrokken bij het beoordelen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking medische behandeling. Echter, verweerder werpt eiseres tegen dat de vraag of eiseres mantelzorg behoeft niet langer aan de orde is omdat zowel in Armenië en Georgië zorg aanwezig is in een instelling en in de vorm van thuiszorg. De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn beleid terzake mantelzorg (B8/4 van de Vc 2000) de vreemdeling uitdrukkelijk in de gelegenheid stelt om aan te geven of er personen aanwezig zijn in het land van herkomst die in staat moeten worden geacht mantelzorg te verlenen. Nu eiseres is aangewezen op mantelzorg en duidelijk is dat eiseres in Georgië geen reële kans heeft om de voor haar benodigde zorg in een instelling of in de vorm van thuiszorg, komt het beleid inzake feitelijke toegankelijkheid van medische zorg geen betekenis toe. Verweerder erkent immers dat eiseres is aangewezen om mantelzorg, maar dat daarin kan worden voorzien door opname in een instelling of in de vorm van thuiszorg. Nu het beleid inzake mantelzorg de feitelijke beschikbaarheid in het land van herkomst wél relevant acht, kan verweerder, nu verweerder als alternatief voor de mantelzorg opname in een instelling of thuiszorg voorstelt, vervolgens niet met succes een beroep doen op zijn beleid inzake feitelijke toegankelijkheid.

12. Naar het oordeel van de rechtbank dient derhalve in het onderhavige geval hetzij eiseres in de gelegenheid te worden gesteld om aan te geven of er personen in Armenië dan wel Georgië zijn die in staat moeten worden geacht de mantelzorg te geven die eiseres behoeft en het eventuele ontbreken daarvan aan te tonen, dan wel dient verweerder verdergaand te onderzoeken of eiseres daadwerkelijk in aanmerking komt voor plaatsing in een verpleeghuis in Georgië dan wel Armenië zoals thans in Nederland het geval is. Verweerder kan derhalve niet volstaan met de verwijzing in het BMA-advies naar de algemene beschikbaarheid van deze zorg. Voor zover verweerder van mening zou zijn dat op eiseres- gelijk bij mantelzorg- de plicht rust om aan te tonen dat zij niet in een verpleeghuis in Georgië dan wel Armenië kan worden opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat waar verweerder mantelzorg uitruilt voor opname in een instituut het ook aan verweerder is om de individuele beschikbaarheid daarvan aan te tonen. Ook om deze reden dient het bestreden besluit vernietigd te worden. Zoals de rechtbank hiervoor in rechtsoverweging 8 heeft aangegeven, zal verweerder daarom ook in het kader van de reisvoorwaarden niet kunnen volstaan met het terughoudende onderzoek dat verweerder ten aanzien van Armenië heeft verricht en dient de beschikbaarheid van de zorg voor eiseres ook in het kader van de overdracht vast komen te staan.

13. Met betrekking tot het beroep op artikel 8 EVRM overweegt de rechtbank ten slotte als volgt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van more than the normal emotional ties. Verweerder voert hierbij aan dat de kinderen zich reeds in het land van herkomst los hebben gemaakt uit de familie en zich zelfstandig elders hebben gevestigd. Volgens verweerder blijkt niet dat sprake is van een overstijgende bijzondere afhankelijkheid. Evenmin is gebleken dat eiseres zodanig afhankelijk is van haar kinderen.

Volgens verweerder blijkt uit het eerdergenoemde BMA-advies dat eiseres zorg behoeft, maar dat opvangmogelijkheden in de vorm van thuiszorg en verzorgingstehuizen in Armenië aanwezig zijn en dat de kinderen hun moeder regelmatig kunnen bezoeken. Eiseres brengt hiertegen in dat eiseres weduwe is, en dat haar enige zoon inmiddels in Duitsland woont en haar enige dochter in Nederland. Deze feiten zijn evenwel naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om enkel op grond daarvan ‘more than the normal emotional ties’ aan te nemen en eiseres verblijf bij haar dochter in Nederland toe te staan. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

14. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard en dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het voorgaande. Voor toepassing van de bestuurlijke lus ziet de rechtbank gelet op de aard van de geconstateerde gebreken geen aanleiding.

15. De rechtbank heeft in de overwegingen van deze uitspraak één of meer beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Als eiseres niet wil berusten in de verwerping van één of meer van de beroepsgronden, is het nodig dat zij tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep instelt. Als zij dit nalaat, bestaat namelijk de mogelijkheid dat de bestuursrechter in een eventueel vervolg van deze procedure zal uitgaan van de juistheid van het oordeel van de rechtbank over de hier verworpen beroepsgrond of -gronden.

16. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

17. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ad € 150,00 dient te worden vergoed.

18. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast verweerder aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ad € 150,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. drs. M.M.L. Wijnen als rechter in tegenwoordigheid van mr. P.W.T. Landman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2011.

&lt;HR&gt;

&lt;i&gt;Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt &lt;b&gt;vier weken&lt;/b&gt; na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. &lt;/i&gt;

Afschriften verzonden:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature