< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Aanvraag, asiel, vrouwenbesnijdenis, Egypte, bescherming autoriteiten, motiveringsplicht tav 3 EVRM

1De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat het partijen gaat om de vraag of eiseres in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 vanwege de vrees van eiseres dat zij bij terugkeer naar Egypte besneden zal worden. De rechtbank stelt ook vast dat verweerder deze vrees niet onaannemelijk acht gelet op de eerdere mislukte pogingen van de oom van eiseres om eiseres te laten besnijden.

De vraag die partijen echter verdeeld houdt is of eiseres met succes de bescherming van de Egyptische autoriteiten kan inroepen tegen genitale verminking.

2 De rechtbank overweegt dat eiseres ter zitting gedocumenteerd heeft onderbouwd dat vrouwenbesnijdenis nog steeds op grote schaal voorkomt in Egypte. Uit het door eiseres overgelegde rapport van Unicef van oktober 2010 blijkt dat volgens onderzoeksgegevens uit 2008 91% van de vrouwen in Egypte is besneden. Verweerder heeft niet gesteld dat dit percentage thans veel lager ligt. Uit dit rapport blijkt verder dat de Egyptische autoriteiten wel bescherming willen bieden maar dat voor het daadwerkelijk kunnen uitbannen van de praktijk aan vrouwenbesnijdenis brede maatschappelijke steun noodzakelijk is. Dat is er thans niet, aldus het rapport. Gelet op deze aangevoerde informatie is het naar het oordeel van de rechtbank aan verweerder om te onderbouwen dat de Egyptische autoriteiten effectief bescherming bieden tegen vrouwenbesnijdenis. Verweerder heeft ter zitting bij gebrek aan een recent ambtsbericht een nieuwsbericht afkomstig van de website www.huffingtonpost.com van 13 augustus 2009 ingebracht waaruit blijkt dat in 2009 een man strafrechtelijk is vervolgd vanwege het besnijden van een 11-jarig meisje. Hieruit blijkt volgens verweerder dat de Egyptische autoriteiten strafrechtelijk optreden tegen vrouwenbesnijdenis op grond van een ministerieel decreet van 7 juni 2008 dat vrouwenbesnijdenis in zijn algeheelheid verbiedt.

De rechtbank overweegt dat in Egypte sinds juni 2008 een algeheel verbod op vrouwenbesnijdenis geldt. Desondanks heeft verweerder niet betwist dat voornoemde hoge percentages uit 2008 nog immer actueel zijn. In dat licht acht de rechtbank het feit dat verweerder na twee jaar gelding van het algeheel verbod slechts kan verwijzen naar één strafrechtelijke vervolging weinig geruststellend. Temeer nu het ging om een uitzonderlijk geval, omdat het meisje na haar besnijdenis als gevolg van hevige bloedingen in een ziekenhuis moest worden opgenomen.

3 Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd dat de Egyptische autoriteiten eiseres daadwerkelijk kunnen beschermen tegen vrouwenbesnijdenis. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Egypte een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, ook al heeft eiseres voor haar vertrek uit Egypte de bescherming van de autoriteiten niet ingeroepen. Dit laatste is immers niet relevant indien vastgesteld moet worden dat de Egyptische autoriteiten geen bescherming kunnen bieden.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Regnr.: AWB 10/3809 BEPTDN

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[A], eiseres, V-nummer [nummer], woonplaats kiezende ten kantore van haar gemachtigde, mr. R.S. Sedajal, advocaat te Zoetermeer,

en

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1991 en de Egyptische nationaliteit te hebben. Zij verblijft als vreemdeling in Nederland.

Bij besluit van 22 januari 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet ( Vw ) 2000 afgewezen.

Eiseres heeft tegen dit besluit op 27 januari 2010 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2010. Eiseres is verschenen en is bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Thissen, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Tevens waren ter zitting namens Vluchtelingenwerk Delft aanwezig M.V. Sternis en R. Jagdew.

II OVERWEGINGEN

1Eiseres heeft ter onderbouwing van haar aanvraag aangevoerd dat zij na de dood van haar opa bij haar tante [B] en diens man is gaan wonen. Deze man heeft bij afwezigheid van haar tante eiseres proberen te verkrachten. Haar tante geloofde dit echter niet en heeft eiseres naar haar oom [C] gebracht, die vervolgens eiseres heeft mishandeld (hij heeft o.a. het been van eiseres gebroken en haar op straat met stokken geslagen) en getracht heeft haar te laten besnijden. Met behulp van haar oudste tante is eiseres uit Egypte gevlucht.

2 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 heeft verweerder beleid neergelegd met betrekking tot genitale verminking. Ingevolge onderdeel C3.2.1 wordt genitale verminking door de Nederlandse overheid beschouwd als een zeer ernstige schending van de integriteit van het menselijk lichaam.

Ingevolge onderdeel C2/3.2.2 kan sprake zijn van een reëel risico van schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM), indien een meisje in haar land van herkomst een risico loopt op genitale verminking. Gelet hierop kan zij op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Ingevolge onderdeel C2/3.2.3 van de Vc 2000 gelden de volgende voorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid en onder b, van de Vw 2000 :

a. er bestaat een risico van genitale verminking én;

b. de autoriteiten van het land van herkomst kunnen of willen geen bescherming

bieden aan personen die zich verzetten tegen een dreigende genitale verminking én;

c. er wordt geen vestigingsalternatief in het land van herkomstaanwezig geacht.

Bij de beoordeling of de autoriteiten van het land van herkomst bescherming bieden tegen genitale verminking is het in de eerste plaats aan betrokkene om aannemelijk te maken dat zij al dan niet genoemde bescherming kan krijgen. Betrokkene zal derhalve moeten aangeven of zij de bescherming van de autoriteiten heeft ingeroepen en wat de reactie van de autoriteiten hierop is geweest. Indien betrokkene niet de bescherming van de autoriteiten heeft ingeroepen, dient zij aan te geven om welke reden zij dit heeft nagelaten.

Indien uit algemene informatie, zoals uit een algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken, bekend is dat de autoriteiten van het land van herkomst bescherming bieden aan personen die zich verzetten tegen een dreigende genitale verminking, wordt geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Daarbij is niet van belang of vrouwen verzoeken om dergelijke bescherming, maar of de autoriteiten bereid zijn de bescherming te verlenen, als daarom zou worden verzocht.

3 Verweerder heeft met verwijzing naar artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 de aanvraag afgewezen. Daartoe heeft verweerder het volgende overwogen.

Met betrekking tot de poging tot verkrachting

Verweerder acht de poging tot verkrachting door de echtgenoot van de tante van eiseres niet aannemelijk omdat eiseres hiervan geen aangifte heeft gedaan terwijl eiseres nadat zij naar oom [C] is gebracht op een later moment de mogelijkheid had om aangifte te doen en een poging tot verkrachting in Egypte strafbaar is.

Met betrekking tot de gestelde mishandelingen

Met betrekking tot de gestelde mishandelingen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze evenmin aannemelijk zijn omdat eiseres een brief van een Nederlandse huisarts heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij haar beide benen heeft onderzocht doch geen duidelijke afwijkingen heeft gezien en geen tekenen van een fractuur zijn aangetroffen. De door eiseres overgelegde foto's van haar gezicht die haar verwondingen in haar gezicht zouden moeten weergeven zijn te onduidelijk.

Met betrekking tot de poging tot besnijdenis

Verweerder acht het niet onaannemelijk dat haar oom [C] pogingen heeft ondernomen om eiseres te laten besnijden. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat vrouwenbesnijdenis in Egypte strafbaar is en de Egyptische overheid hiertegen actief optreedt. Eiseres had derhalve de bescherming van de Egyptische autoriteiten moeten inroepen. De door eiseres geuite vrees dat zij bij terugkeer door haar oom [C] zal worden vermoord berust op een vermoeden aangezien haar oom dit nooit daadwerkelijk heeft gezegd en wordt derhalve ook onaannemelijk geacht.

4 In beroep heeft eiseres - samengevat - het volgende aangevoerd. Eiseres beroept zich op artikel 3 van het EVRM omdat zij bij terugkeer naar Egypte vreest voor een gedwongen besnijdenis. De bescherming van de zijde van de Egyptische autoriteiten is niet effectief. In dit verband wijst eiseres op het onderzoek van Demographic and Health Survey waaruit blijkt dat ondank een wettelijk verbod op vrouwenbesnijdenis, 97% van de gehuwde vrouwen in de leeftijdscategorie van 15 tot 49 jaar en 78% van hun dochters in de leeftijdscategorie van 11 tot 19 jaar zijn besneden. Ook beroept eiseres zich op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 9 juni 2009 (LJN: BJ2325), de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, van 7 juni 2008 (AWB 07/24358) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over Benin van 2 oktober 2009 (LJN: BJ9914). Het besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen en niet danwel onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.

5 De rechtbank overweegt het volgende.

5.1 De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat het partijen gaat om de vraag of eiseres in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 vanwege de vrees van eiseres dat zij bij terugkeer naar Egypte besneden zal worden. De rechtbank stelt ook vast dat verweerder deze vrees niet onaannemelijk acht gelet op de eerdere mislukte pogingen van de oom van eiseres om eiseres te laten besnijden.

De vraag die partijen echter verdeeld houdt is of eiseres met succes de bescherming van de Egyptische autoriteiten kan inroepen tegen genitale verminking.

5.2 Uit jurisprudentie van de AbRvS, onder meer de uitspraak van 1 juli 2010

(LJN: BN1161) volgt dat indien en voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat de door een vreemdeling in zijn asielrelaas gestelde feiten en omstandigheden met inbegrip van diens eventuele vermoedens door verweerder thans in het beleid veronderstellingen genoemd (WBV 2010/10, thans paragraaf C14/2.1. van de Vc 2000) die deel uitmaken van gebeurtenissen die volgens het asielrelaas hebben plaatsgevonden geloofwaardig worden geacht, en in zoverre als vaststaande feiten en omstandigheden moeten worden aangenomen, het vervolgens aan verweerder is om te beoordelen of deze feiten en omstandigheden kwalificeren als rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. In het kader van die beoordeling vindt, zoals volgt uit de uitspraak van 21 juli 2009 (LJN: BJ3621), de beoordeling plaats van de plausibiliteit van de vermoedens van die vreemdeling over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat. Van die beoordeling maakt voorts deel uit de beantwoording van de vraag of, indien en voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat de vermoedens van die vreemdeling over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat plausibel worden geacht, deze voldoende zwaarwegend zijn voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning. De rechter toetst deze beoordeling van verweerder vol.

5.3 De rechtbank overweegt dat eiseres ter zitting gedocumenteerd heeft onderbouwd dat vrouwenbesnijdenis nog steeds op grote schaal voorkomt in Egypte. Uit het door eiseres overgelegde rapport van Unicef van oktober 2010 blijkt dat volgens onderzoeksgegevens uit 2008 91% van de vrouwen in Egypte is besneden. Verweerder heeft niet gesteld dat dit percentage thans veel lager ligt. Uit dit rapport blijkt verder dat de Egyptische autoriteiten wel bescherming willen bieden maar dat voor het daadwerkelijk kunnen uitbannen van de praktijk aan vrouwenbesnijdenis brede maatschappelijke steun noodzakelijk is. Dat is er thans niet, aldus het rapport.

Gelet op deze aangevoerde informatie is het naar het oordeel van de rechtbank aan verweerder om te onderbouwen dat de Egyptische autoriteiten effectief bescherming bieden tegen vrouwenbesnijdenis. Verweerder heeft ter zitting bij gebrek aan een recent ambtsbericht een nieuwsbericht afkomstig van de website www.huffingtonpost.com van

13 augustus 2009 ingebracht waaruit blijkt dat in 2009 een man strafrechtelijk is vervolgd vanwege het besnijden van een 11-jarig meisje. Hieruit blijkt volgens verweerder dat de Egyptische autoriteiten strafrechtelijk optreden tegen vrouwenbesnijdenis op grond van een ministerieel decreet van 7 juni 2008 dat vrouwenbesnijdenis in zijn algeheelheid verbiedt.

De rechtbank overweegt dat in Egypte sinds juni 2008 een algeheel verbod op vrouwenbesnijdenis geldt. Desondanks heeft verweerder niet betwist dat voornoemde hoge percentages uit 2008 nog immer actueel zijn. In dat licht acht de rechtbank het feit dat verweerder na twee jaar gelding van het algeheel verbod slechts kan verwijzen naar één strafrechtelijke vervolging weinig geruststellend. Temeer nu het ging om een uitzonderlijk geval, omdat het meisje na haar besnijdenis als gevolg van hevige bloedingen in een ziekenhuis moest worden opgenomen.

5.4 Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd dat de Egyptische autoriteiten eiseres daadwerkelijk kunnen beschermen tegen vrouwenbesnijdenis. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Egypte een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, ook al heeft eiseres voor haar vertrek uit Egypte de bescherming van de autoriteiten niet ingeroepen. Dit laatste is immers niet relevant indien vastgesteld moet worden dat de Egyptische autoriteiten geen bescherming kunnen bieden.

De rechtbank acht zich in haar oordeel gesteund door de uitspraak van de AbRS van

2 oktober 2009 (LJN: BJ9914) en de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 9 juli 2009 (LJN: BJ2325), die overigens in hoger beroep (LJN: BK8678) op een geheel ander punt is vernietigd.

5.5 De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb en vernietigt het bestreden besluit.

5.6 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietig het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 874,- die verweerder aan eiseres dient te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Erkan.

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature