< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Eisers zijn afkomstig uit de Russische deelrepubliek Dagestan.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat in Dagestan geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Verweerder heeft zich daarbij kunnen baseren op de algemene ambtsberichten van juli 2008 en april 2010. Deze ambtsberichten omvatten een verslagperiode van maart 2007 tot maart 2010. De informatie uit de producties die eiser heeft overgelegd, omvat grosso modo dezelfde verslagperiode en is meegewogen in de ambtsberichten. Weliswaar blijkt uit de informatie dat er geweldsincidenten zijn geweest waarbij willekeurige burgerslachtoffers zijn gevallen, maar de informatie geeft verder onvoldoende handvatten voor de stelling dat burgers in Dagestan het reële gevaar lopen het slachtoffer van geweld te worden reeds door hun enkele aanwezigheid aldaar. Uit de overgelegde stukken valt veeleer de conclusie te trekken dat het geweld in Dagestan zich voornamelijk richt tegen leger-, politie- en andere overheidsfunctionarissen, dan wel tegen opstandelingen. Verder geven de stukken er geen blijk van dat binnen of vanuit Dagestan sprake is van vluchtelingenstromen of dat zich in Dagestan een humanitaire noodsituatie voordoet.

Uitspraak



ECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer AWB 10/28990

Uitspraak van de meervoudige kamer van 11 januari 2011

inzake

[eiseres],

geboren op [datum] 1939,

eiseres,

van Russische nationaliteit

verblijvende te [plaats],

gemachtigde mr. P.M. van der Roest,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. F.S. Schoot.

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000) afgewezen.

Eiseres heeft op 17 augustus 2010 tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende de beroepsprocedure een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening en het beroep is behandeld op de zitting van 28 september 2010. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde J.M. van Leeuwe-Hokke.

Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunten met betrekking tot het geschilpunt aangaande artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004 /83/EG van de Europese Raad van 29 april 2004 (de Definitierichtlijn, hierna: DRi) nader schriftelijk uiteen te zetten. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Bij uitspraak van 26 oktober 2010, zaaknummer AWB 10/28991, heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen, in dier voege dat het verweerder is verboden om eiseres uit Nederland te verwijderen zolang niet op haar beroepschrift is beslist.

De rechtbank heeft het beroep ter verdere behandeling verwezen naar een meervoudige kamer.

De behandeling van het beroep is voortgezet ter zitting van de meervoudige kamer van 30 november 2010. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft - kort samengevat - aangevoerd dat zij afkomstig is uit de Russische deelrepubliek Dagestan. Eind april 2010 heeft haar schoonzoon, [schoonzoon], verteld dat hij was benaderd door de wahabisten die hem wilden rekruteren. Op 13 mei 2010 is [schoonzoon] niet meer thuisgekomen. Eiseres is op 14 mei 2010 naar het politiebureau gegaan om aangifte te doen van vermissing. Zij kreeg te horen dat de politie bij een vermissing pas na drie dagen onderzoek instelt. Eiseres is op 16 mei 2010, op voorstel van de politie, naar het mortuarium gegaan. Daar heeft zij het stoffelijk overschot van [schoonzoon] met schotwonden aangetroffen. Het bleek dat [schoonzoon] op 15 mei 2010 was gevonden in de bossen van [...]. Op 26 juni 2010 zijn drie gewapende mannen naar de woning van eiseres gekomen. Zij waren op zoek naar [kleinzoon], de kleinzoon van eiseres en de zoon van [schoonzoon]. Toen eiseres de mannen beschuldigde van de moord op [schoonzoon], verklaarden de mannen dat het zijn eigen schuld was, omdat hij niet wilde samenwerken en hij naar de politie was gegaan. Verder zeiden de mannen dat [kleinzoon] met hen moest samenwerken en tegen beloning opdrachten voor hen moest uitvoeren. De mannen hebben alle documenten van eiseres meegenomen om te zorgen dat zij en [kleinzoon] het land niet konden verlaten. Eiseres is door de mannen in een politieauto meegenomen naar het bos, waar zij een executie van vijf of zes mensen heeft moeten aanschouwen. Zij werd met eenzelfde lot bedreigd als [kleinzoon] zich niet bij de mannen zou aansluiten. Na deze gebeurtenis is eiseres gevlucht naar haar vriendin, [vriendin], waar ook [kleinzoon] verbleef. De volgende dag heeft eiseres ontdekt dat haar woning overhoop was gehaald. Eiseres is naar het politiebureau gegaan om aangifte te doen. De politie gaf aan niets voor haar te kunnen betekenen. Een dag later is eiseres met [kleinzoon] voor aangifte naar het Openbaar Ministerie (OM) gegaan. Daar kregen zij te horen dat het OM niet veel voor hen kon doen, omdat het OM zelf het doelwit was van terroristen. Vervolgens zijn eiseres en [kleinzoon] ondergedoken in de woning van [vriendin]. De zoon van [vriendin] heeft geregeld dat zij op 11 juli 2010 Dagestan konden verlaten. Volgens eiseres kunnen zij zich niet elders in Rusland vestigen, omdat zij dan vanwege hun afkomst door Russische nationalisten zullen worden vermoord.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning vormt. Die afwijzing is gebaseerd op het bepaalde in het eerste lid in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van artikel 31 van de Vw 2000.

3. Verweerder heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat eiseres er niet in is geslaagd haar gestelde reisroute door middel van haar verklaringen aannemelijk te maken. Eiseres heeft verklaard dat zij achtereenvolgens per minibus, vrachtauto en auto uiteindelijk in Ter Apel is aangekomen. Niet aannemelijk is dat zij geen vertrekplaatsen kan noemen en dat zij evenmin in staat is gebleken om te vertellen langs welke plaatsen en door welke landen zij is gereisd. Dat zij in de minibus de meeste tijd heeft gelegen en dat zij voornamelijk in de laadruimte van de vrachtwagen heeft verbleven, ontslaat haar niet van haar verantwoordelijkheid om ten minste een paar plaatsen te noemen. Voorts heeft eiseres geen beschrijving kunnen geven van de binnenzijde van de vrachtwagen.

4. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiseres geen enkel document heeft overgelegd dat haar asielrelaas zou kunnen onderbouwen. Niet aannemelijk wordt geacht dat eiseres niet in het bezit heeft kunnen geraken van bijvoorbeeld een verklaring van het mortuarium, een overlijdensakte of een document dat ziet op het gerechtelijk vooronderzoek dat volgens eiseres was opgestart.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende steekhoudende argumenten heeft aangevoerd ter onderbouwing van het standpunt dat eiseres toerekenbaar onvoldoende medewerking heeft verleend aan het vaststellen van haar reisroute en dat zij toerekenbaar geen documenten ter staving van haar asielrelaas heeft overgelegd. Onder deze omstandigheden dient van het relaas een positieve overtuigingskracht uit te gaan.

6. Verweerder heeft het relaas van eiseres vanwege het ontbreken aan positieve overtuigingskracht ongeloofwaardig geacht. Hiertoe heeft verweerder aangevoerd dat het bevreemding wekt dat eiseres na de aangifte van de vermissing van [schoonzoon] op 14 mei 2010 enkele dagen thuis heeft gezeten en niets heeft ondernomen om te achterhalen wat het lot van [schoonzoon] was. Met betrekking tot hetgeen de politie eiseres zou hebben meegedeeld op 16 mei 2010 heeft eiseres van [kleinzoon] afwijkende verklaringen afgelegd. Zo heeft eiseres verklaard dat de politie haar meedeelde niet te weten wat er met [schoonzoon] gebeurd was. [kleinzoon] daarentegen heeft verklaard dat de politie vertelde dat [schoonzoon] door wahabisten was gedood. Eiseres heeft evenwel ontkend dat de politie haar zou hebben meegedeeld dat en door wie [schoonzoon] gedood was. Geconfronteerd met deze en andere tegenstrijdigheden in dit verband heeft eiseres verklaard “het niet meer te weten”. Verweerder beschouwt dit als niet afdoende. Volgens verweerder valt verder niet in te zien dat niet is geregistreerd en dat de medewerker van het mortuarium niet heeft kunnen aangeven door wie het stoffelijk overschot van [schoonzoon] was gebracht. Daarbij wekt het bevreemding dat eiseres het stoffelijk overschot heeft mogen meenemen, zonder dat dit werd geverifieerd en geregistreerd. Voorts wekt het volgens verweerder bevreemding dat eiseres op 16 mei 2010 geen aangifte heeft gedaan van de moord op [schoonzoon]. Dat zij kapot was van verdriet, zich geen raad wist en het gevoel had dat de politie iets wilde verbergen, overtuigt in dit verband niet. Eerder was zij immers nog wel naar de politie gegaan en ook in een later stadium heeft zij zich alsnog tot de politie gewend. Dat dergelijke registraties in Dagestan niet worden verricht, acht verweerder niet onderbouwd. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het onwaarschijnlijk is dat, indien de wahabisten [kleinzoon] daadwerkelijk wilden rekruteren, zij hem en eiseres in de periode van 20 mei 2010 tot 26 juni 2010 met rust hebben gelaten. Dat de wahabisten volgens eiseres hebben gewacht om eiseres en [kleinzoon] op adem te laten komen en dat zij [kleinzoon]] thuis wilden aantreffen, is in dit verband niet aannemelijk. Eiseres heeft geen eenduidige verklaring kunnen afleggen over de kleding van de drie mannen die op 26 juni 2010 naar haar huis zijn gekomen, terwijl zij voor de geconstateerde afwijkingen geen afdoende toelichting heeft kunnen geven. Verder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de drie mannen tot de wahabisten behoorden. Dat zij baarden droegen en op dreigende toon spraken, overtuigt in dit verband niet. Evenmin heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat [schoonzoon] door wahabisten is gedood. Volgens verweerder geven de gang van zaken tijdens het nader gehoor en het medisch advies van 29 juli 2010 geen aanknopingspunten voor de stelling dat eiseres psychisch niet in staat zou zijn geweest om haar relaas te doen.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op basis van het vorenstaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het relaas van eiseres positieve overtuigingskracht ontbeert. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij psychisch onvoldoende in staat is geweest om haar relaas goed te doen. Op basis van het medisch advies van 29 juli 2010 en het nader gehoor van 10 augustus 2010 is er voor verweerder geen aanleiding geweest om onderzoek te doen naar de psychische gesteldheid van eiseres. Eiseres heeft haar stelling omtrent haar psychische gesteldheid verder niet onderbouwd. Door met haar op 10 augustus 2010 een nader gehoor te voeren, heeft verweerder geen zorgvuldigheidsnorm geschonden. Verweerder heeft op goede gronden aan eiseres een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 onthouden.

8. Nu verweerder het relaas van eiseres ongeloofwaardig heeft mogen achten, heeft verweerder zich tevens terecht op het standpunt gesteld dat zij bij terugkeer niet heeft te vrezen voor een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

9. Ter onderbouwing van haar stelling dat zich in Dagestan ten tijde van het bestreden besluit een situatie heeft voorgedaan -en nog steeds voordoet- als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de DRi, heeft eiseres de volgende producties overgelegd:

- het rapport van het Center For Strategic & International Studies (CSIS), Violence in the North Caucasus, Summer 2010: not just a Chechen Conflict;

- het rapport van de Jamestown Foundation, Violence Reported Across the North Caucasus, gepubliceerd door de UNHCR op 6 augustus 2010;

- het artikel van de website Today ’s Zaman, Dagestan - an overlooked hot spot, van 17 maart 2010;

- het World Report 2010 Russia van Human Rights Watch;

- het rapport Human Rights in Russia Hearing May 6, 2010 van Human Rights Watch;

- het internetartikel Dagesta n 's Security Situation is Becoming Hopeless, van Eurasia Daily Monitor van 10 juni 2010;

- het rapport Russia's Dagestan: Conflict Causes, van de International Crisis Group van 3 juni 2008;

- het artikel Russia: Investigate Beating of Human Rights Lawyer, van Human Rights Watch van 21 april 2010;

- het internetartikel Use of Force in the Caucasus is not successful, van de Expertclub van 14 januari 2010;

- het internetartikel Makhachkal a 's police chief killed in Dagestan, van 6 februari 2010;

- het internetartikel Four militants killed in Russia 's Dagestan, van 29 augustus 2010;

- een uitdraai van de eerste pagina en verwijzing naar 145 artikelen over aanslagen in Dagestan op de internetsite CNN.com;

- het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van september 2010 inzake Dagestan;

- de landinformatie over Dagestan uit Wikipedia;

- het rapport Islam, Islamism and Politics in Eurasia Report no 25, van Monterey Terrorism Research and Education Programm van 29 september 2010;

- een overzicht van geweldsincidenten in Dagestan van Caucasian Knot;

- een deel uit het rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH) Nordkaukasus: Sicherheits- und Menschenrechtslage, Tschetschenien, Inguschetien und Dagestan van 25 november 2009;

- een deel uit het Bulletin of the Memorial Human rights Center Situation in the North Caucasus conflict zone: analysis trom the human rights perspective, spring 2009;

- de brief van de Helpdesk van Vluchtelingenwerk Nederland van 4 oktober 2010, met bijlagen.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat in Dagestan geen sprake is van een uitzonderlijke situatie, waarin er een dermate hoog risico is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat burgers die naar die deelrepubliek terugkeren louter door hun aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen op schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de DRi. Verweerder heeft zich daarbij kunnen baseren op de algemene ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van juli 2008 en april 2010. Deze ambtsberichten omvatten een verslagperiode van maart 2007 tot maart 2010. De informatie uit de producties die eiser heeft overgelegd, omvat grosso modo dezelfde verslagperiode en is meegewogen in de ambtsberichten. Weliswaar blijkt uit de informatie dat er geweldsincidenten zijn geweest waarbij willekeurige burgerslachtoffers zijn gevallen, maar de informatie geeft verder onvoldoende handvatten voor de stelling dat burgers in Dagestan het reële gevaar lopen het slachtoffer van geweld te worden reeds door hun enkele aanwezigheid aldaar. Uit de overgelegde stukken valt veeleer de conclusie te trekken dat het geweld in Dagestan zich voornamelijk richt tegen leger-, politie- en andere overheidsfunctionarissen, dan wel tegen opstandelingen. Verder geven de stukken er geen blijk van dat binnen of vanuit Dagestan sprake is van vluchtelingenstromen of dat zich in Dagestan een humanitaire noodsituatie voordoet. Het negatieve reisadvies is opgesteld in het kader van consulaire hulpverlening, opdat Nederlandse reizigers zich beter kunnen voorbereiden op veiligheidsrisico's verbonden aan een verblijf in Dagestan. De doelgroep van een dergelijk reisadvies betreft dus enkel de Nederlandse reiziger en is niet zonder meer van toepassing op inwoners van Dagestan die naar die deelrepubliek reizen.

11. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 8 en 10 is overwogen, heeft verweerder op goede gronden aan eiseres een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 onthouden.

12. Verweerder voert een niet onredelijk traumatabeleid, waarin limitatief is opgesomd onder welke omstandigheden eiseres in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning op grond van dit beleid. Een criterium is - kort samengevat - dat eiseres aannemelijk moet maken dat de gestelde gebeurtenissen hebben geleid tot een traumatische ervaring. Doordat verweerder in redelijkheid geen geloof heeft hoeven hechten aan het asielrelaas van eiseres, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiseres niet aan de criteria van dit beleid voldoet. Mitsdien heeft verweerder eiseres in redelijkheid een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kunnen onthouden.

13. Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard.

14. Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. R.J.A. Schaaf als voorzitter en mr. C.F.E. van Olden-Smit en mr. T. van de Woestijne als leden in tegenwoordigheid van mr. F.C. Meulemans als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2011.

&lt;HR&gt;

&lt;i&gt;Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt &lt;b&gt;vier weken&lt;/b&gt; na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. &lt;/i&gt;

Afschriften verzonden:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature