< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Eiser heeft zijn bekering tot het christendom niet aannemelijk gemaakt. Niet valt in te zien dat eiser niet in de eerdere procedure op enigerlei wijze – hoe summier ook – gewag heeft gemaakt van zijn interesse voor het christendom, te meer nu hij in die procedure heeft verklaard in zijn land van herkomst problemen te hebben ondervonden vanwege de bekering van zijn broer tot het christendom. Van belang is ook dat eiser tijdens zijn nova-gehoor heeft verklaard dat hij al in Afghanistan interesse had in het christendom. Verder blijkt uit dit gehoor dat eiser zich bewust was van het feit dat zijn interesse voor het christendom van belang kon zijn voor zijn eerste asielprocedure. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij zich na aankomst in Nederland op 6 mei 2010 tot september 2010 niet met het christendom heeft beziggehouden.

Daarnaast zijn tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Eiser heeft immers aanvankelijk verklaard dat hij geen contact meer heeft gehad met zijn familie in Afghanistan, terwijl hij later heeft verklaard dat hij na aankomst in Nederland door zijn tot het christendom bekeerde broer is geadviseerd om zich te laten informeren over het christendom.

Gelet op voorgaande kan het overgelegde doopcertificaat niet worden aangemerkt als een novum. Hoewel het een originele doopakte betreft, kan hieraan niet de waarde worden gehecht die eiser daaraan gehecht wil zien. De doopakte betekent niet dat eiser zich ook daadwerkelijk heeft bekeerd en dat sprake is van de daarmee gepaard gaande innerlijke geloofsovertuiging. Het bewijs van de gestelde bekering kan voorts niet louter worden gebaseerd op gedetailleerde en uitgebreide antwoorden op (feitelijke) vragen over het christelijke geloof en de geloofspraktijk. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat iemand zich dergelijke zaken eigen kan maken door middel van zelfstudie, zonder dat van een daadwerkelijke onderliggende innerlijke overtuiging sprake is. Mede dient in aanmerking te worden genomen dat het proces dat aan de bekering is voorafgegaan, hoe iemand tot de keuze voor het geloof is gekomen en hoe hij dit heeft ervaren. De rechtbank vermag derhalve, zonder nader verklaring ter zake, niet in te zien dat eiser binnen een periode van twee weken na het bestuderen van de Bijbel en na het voeren van een eenmalig gesprek met een Iraanse bekeerling, zich abrupt heeft kunnen bekeren.

Eiser heeft nagelaten gedetailleerde en uitgebreide verklaringen te geven wat zijn beweegredenen zijn om zich tot het christendom te bekeren.

Uitspraak



RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/43428

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 januari 2011

inzake

[eiser],

geboren op [datum] 1987,

nationaliteit Afghaanse,

verblijvende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. Z.M. Alaca,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder mr. E. Sweerts.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000) afgewezen.

Eiser heeft op 17 december 2010 tegen dit besluit beroep ingesteld.

Tevens heeft eiser op die datum het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoekschrift is geregistreerd onder nummer AWB10/43429.

Het beroep is behandeld op de zitting van 28 december 2010, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is of het bestreden besluit, dat is genomen in de algemene asielprocedure, in rechte stand kan houden.

2. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten. Eiser is naar eigen zeggen op 6 mei 2009 Nederland binnen gekomen en heeft reeds eerder, te weten op 10 mei 2009, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. In het kader van die eerste aanvraag heeft eiser - kort samengevat - het volgende aangevoerd. Eiser is uit Afghanistan gevlucht als gevolg van het feit dat hij twee maal is gearresteerd vanwege het drinken van alcohol. Dat was op 26 of 27 maart 2009. Hij is uit zijn detentie ontsnapt. Ook heeft hij problemen ondervonden met een Pashtun-familie vanwege de bekering van zijn halfbroer en omdat zijn zus niet met de zoon van deze familie wilde trouwen.

3. Bij besluit van 14 december 2009 heeft verweerder deze eerste aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Voor zover eiser stelt dat hij problemen heeft ondervonden vanwege het drinken van alcohol, heeft verweerder daarbij gesteld dat dit relaas positieve overtuigingskracht ontbeert en derhalve niet geloofwaardig is te achten. Verweerder heeft de feitelijke gebeurtenissen met betrekking tot de bekering van eisers broer tot het christendom geloofwaardig geacht. De vrees van eiser om bij terugkeer gedood te worden door dorpsgenoten mist volgens verweerder realiteitsgehalte omdat eiser heeft gesteld dat hij vanwege de gebeurtenissen met betrekking tot zijn broer geen problemen heeft ondervonden. Ook de gestelde feitelijke gebeurtenissen omtrent de problemen die eisers zus heeft ondervonden, worden geloofwaardig geacht, maar de gestelde vrees van eiser bij terugkeer te worden gedood door de Pashtun-familie heeft verweerder niet aannemelijk geacht. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en deze rechtbank, nevenzittingsplaats Maastricht, heeft op 3 september 2010 (AWB 10/816) het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt mocht stellen dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 zich voordoet en dat verweerder het asielrelaas ongeloofwaardig mocht achten. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat verweerders besluit om eiser niet in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning als genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 de rechterlijke toets kan doorstaan en dat verweerder op goede gronden heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat juist hij door de gebeurtenissen omtrent de problemen van zijn zus en broer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Eiser heeft tegen dit besluit hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Op dit ogenblik is door de Afdeling nog geen uitspraak gedaan.

4. Ingevolge artikel 4:6 van de Awb is, indien na een geheel of deels afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten onder andere worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of feiten en omstandigheden van vóór dat eerdere besluit die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een inhoudelijke rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd, kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust. Slechts op grond van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan noodzaak bestaan om deze in het nationale recht neergelegde procedureregels niet tegen te werpen (arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998, in de zaak Bahaddar tegen Nederland, JV 1998/45).

6. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een voor eisers relevante wijziging van het recht. Aan de orde is derhalve of de verklaringen en de overgelegde documenten van eiser in de huidige asielprocedure kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven tot een ander oordeel dan het oordeel dat in rechte is komen vast te staan na de vorige asielprocedure.

7. Bij de indiening van de onderhavige (tweede) aanvraag heeft eiser aangevoerd dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst vreest voor de autoriteiten, omdat hij in Nederland is bekeerd tot het christendom. Ter ondersteuning hiervan heeft eiser de volgende documenten overgelegd:

1. een doopcertificaat van de Perzische Kores Kerk van 26 september 2010;

2. een nieuwsbrief van de kerk;

3. een aantal treinkaartjes, waaruit volgens eiser blijkt dat hij naar de kerk is geweest;

4. een verklaring van [A], waarin staat dat deze zich door eiser heeft laten overtuigen om zich te bekeren tot het christendom;

5. een afsprakenkaartje van het Gezonheidscentrum asielzoekers, waaruit blijkt dat eiser op 7 december 2010 een afspraak heeft;

Voorts heeft eiser tijdens zijn gehoor inzake nieuwe feiten en omstandigheden van 9 december 2009 aangegeven hoe hij geïnteresseerd is geraakt in het christendom en waarom hij zich heeft bekeerd. Verder heeft eiser bij die gelegenheid informatie gegeven over het christelijk geloof. Eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan als moslim die bekeerd is tot het christendom gevaar loopt op een onmenselijke behandeling als verboden bij artikel 3 van het EVRM . Daarnaast heeft eiser ten aanzien van de situatie in Afghanistan een beroep gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004 /83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 (hierna: de Definitierichtlijn). Ter zitting heeft eiser betoogd dat zowel naar Herat, waar eiser vandaan komt, als naar de veiligheidssituatie in Kabul gekeken dient te worden. Eiser heeft gesteld dat zijn uitzetting via Kabul zal plaatsvinden. In dit kader heeft eiser verwezen naar het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van juli 2010, een tweetal artikelen (“Opstandelingen doden dertien Afghaanse militairen” en “Burgerslachtoffers bij zelfmoordaanslag Afghanistan”) en naar drie pagina’s uit de UNHCR Eligibility Guidelines for assessing the international protection needs of asylum-seekers from Afghanistan van 17 december 2010.

8. De rechtbank overweegt dat eiser zijn verklaringen omtrent zijn bekering tot het christendom niet aannemelijk heeft gemaakt. Daartoe overweegt de rechtbank dat niet valt in te zien dat eiser niet in de eerdere procedure op enigerlei wijze – hoe summier ook – gewag heeft gemaakt van zijn interesse voor het christendom, te meer nu hij tijdens zijn eerdere asielprocedure heeft verklaard in zijn land van herkomst problemen te hebben ondervonden vanwege de bekering van zijn broer tot het christendom. In dit verband is ook van belang dat eiser tijdens het gehoor nieuwe feiten en omstandigheden heeft verklaard dat hij al in Afghanistan interesse had in het christendom. Voorts blijkt uit pagina 8 van dit gehoor dat eiser zich bewust was van het feit dat zijn interesse voor het christendom van belang kon zijn voor zijn eerste asielprocedure. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij zich na zijn aankomst in Nederland op 6 mei 2010 tot september 2010 niet met het christendom heeft bezig gehouden. Daarnaast heeft eiser tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Hij heeft immers aanvankelijk verklaard dat hij geen contact meer heeft gehad met zijn familie in Afghanistan, terwijl hij later heeft verklaard dat hij na aankomst in Nederland door zijn tot het christendom bekeerde broer is geadviseerd om zich te laten informeren over het christendom. Gelet op het voorgaande kan het door eiser overgelegde doopcertificaat van de Perzische Kores Kerk van 26 september 2010 naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een nieuw feit en omstandigheid. Met het enkele overleggen van een doopakte heeft eiser niet overtuigend kunnen aantonen dat in zijn geval sprake is van een daadwerkelijke bekering tot het christendom. Hoewel een originele doopakte is overgelegd, waarvan de echtheid niet is betwist, kan hieraan niet de waarde worden gehecht die eiser daaraan gehecht wil zien. Het in het bezit zijn van zodanige doopakte betekent immers niet dat eiser zich ook daadwerkelijk heeft bekeerd en dat sprake is van de daarmee gepaard gaande innerlijke geloofsovertuiging. Het bewijs van de gestelde bekering kan naar het oordeel van de rechtbank voorts niet louter worden gebaseerd op gedetailleerde en uitgebreide antwoorden op (feitelijke) vragen met betrekking tot het christelijke geloof en de geloofspraktijk. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat iemand, die een ander wil overtuigen van zijn gestelde bekering, zich dergelijke zaken eigen kan maken door middel van zelfstudie, zonder dat van een daadwerkelijke onderliggende innerlijke overtuiging sprake is. Mede in aanmerking dient te worden genomen het proces dat aan de bekering is voorafgegaan, hoe iemand tot de keuze voor het geloof is gekomen en hoe hij dit heeft ervaren. De rechtbank vermag derhalve, zonder nadere verklaring ter zake, niet in te zien dat eiser zich binnen een periode van twee weken na het bestuderen van de Bijbel en na het voeren van een eenmalig gesprek met een Iraanse bekeerling, zich abrupt heeft kunnen bekeren. Eiser heeft nagelaten gedetailleerde en uitgebreide verklaringen te geven wat zijn beweegredenen zijn om zich tot het christendom te bekeren.

9. Met de verklaring zoals genoemd in rechtsoverweging 7 onder punt 4, waarin door [A] is verklaard dat hij zich door eiser heeft laten overtuigen om zich te bekeren tot het christendom, heeft eiser evenmin zijn gestelde bekering aannemelijk gemaakt, nu deze verklaring niet als objectieve bron van informatie kan worden beschouwd. De rechtbank ziet voorts niet in hoe de overige documenten zoals genoemd onder rechtsoverweging 7 onder punt 2, 3, en 5 ter ondersteuning van eisers bekering zouden kunnen dienen. Immers, de overgelegde treinkaartjes, nieuwsbrief en een afsprakenkaartje kunnen niet aangemerkt worden als nova, nu zij niets kunnen zeggen over de innerlijke geloofovertuiging van eiser.

10. Ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn overweegt de rechtbank dat in dit verband sprake kan zijn van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, indien de vreemdeling aantoont dat ten tijde van de totstandkoming van het bestreden besluit de algemene veiligheidssituatie in zijn land van herkomst zodanig is verslechterd dat niet op voorhand uitgesloten is dat deze verslechterde situatie kan afdoen aan het eerdere besluit.

11. Uit hetgeen door eiser is aangevoerd, volgt niet dat de situatie in Afghanistan, in het bijzonder de provincie Herat, ten opzichte van de situatie ten tijde van het besluit in de eerdere procedure zodanig is verslechterd, dat er thans sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Ter ondersteuning van dit standpunt verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2010 (LJN: BL8114). Uit het algemeen ambtsbericht over Afghanistan van juli 2010 volgt weliswaar dat het aantal veiligheidsincidenten over de verslagperiode van april 2009 tot en met juni 2010 in West-Afghanistan (waaronder Herat) is toegenomen, maar de rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat thans sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De door eiser overgelegde fragmenten uit de UNHCR Guidelines hebben betrekking op het eerste halfjaar van 2010. Deze periode behelst dezelfde maanden als de verslagperiode uit het algemeen ambtsbericht van juli 2010 en maakt derhalve het oordeel hieromtrent niet anders. De stelling van eiser dat hij gevaar loopt om blootgesteld te worden aan een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling omdat hij via Kabul zal worden uitgezet, is louter gebaseerd op een vermoeden en op geen enkele wijze nader geconcretiseerd en onderbouwd. Daar komt bij dat uit de door eiser overgelegde stukken niet blijkt dat er in Kabul sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

12. Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden zijn gelegen die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en niet is aangetoond dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 5, gaat de rechtbank niet over tot een inhoudelijke beoordeling van het thans voorliggende besluit. Het beroep zal, onder verwijzing naar de inmiddels rechtens onaantastbare besluit van 14 december 2009, ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J.M.H. Rijken-Lie als rechter in tegenwoordigheid van mr. P. Mermer-Vardar als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2011.

&lt;i&gt;Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger verzoek instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger verzoek vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een verzoekschrift bedraagt &lt;b&gt;een week&lt;/b&gt; na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het verzoekschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het verzoekschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. &lt;/i&gt;

Afschriften verzonden:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature