< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Eerwaak. Irak. De rechtbank is van oordeel dat stelt vast dat in het onderhavige geval geen sprake is van de situatie waarin aan een asielzoeker die een geloofwaardig asielrelaas heeft, wordt tegengeworpen dat hij geen bescherming in eigen land heeft gezocht. Eisers asielrelaas is door verweerder immers niet aannemelijk geacht. In dit geval werpt verweerder het niet zoeken van die bescherming bij de eigen stam of familie tegen teneinde te onderbouwen dát het asielrelaas ongeloofwaardig is. In hetzelfde verband is eiser tegengeworpen dat hij niet meer moeite heeft gedaan om de politie te bewegen tot actie over te gaan. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat eiser met recht aanvoert, dat ook bij tegenwerping van het niet zoeken van bescherming – althans het niet verder aandringen op bescherming – in dit (geloofwaardigheids)verband, te gelden heeft dat verweerder die tegenwerping niet kan doen zonder eerst te onderzoeken of in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. In die zin vindt de vaste jurisprudentie ten aanzien van het beschermingsvraagstuk bij een geloofwaardig asielrelaas (zie onder andere de uitspraken van de Afdeling van 5 augustus 2008, LJN: BD9606 en van 12 februari 2010, LJN: BL4567) ook in dit verband toepassing.

De rechtbank oordeelt, marginaal toetsend, dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht ontbeert. Wanneer de door verweerder genoemde argumenten in onderlinge samenhang worden bezien, valt, gelet op hetgeen daaromtrent door de rechtbank is overwogen, in redelijkheid niet in te zien waarom eisers asielrelaas door verweerder ongeloofwaardig wordt geacht.

Volgt vernietiging van het bestreden besluit en de opdracht tot het nemen van een nieuw besluit.

Uitspraak



RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/2051

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2010

inzake

[eiser],

geboren op [datum] 1967,

nationaliteit Iraakse,

verblijvende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. A.F.J. Lemmens,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. S. Mommers.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000) afgewezen.

Eiser heeft op 15 januari 2010 tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 21 oktober 2010, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

&lt;u&gt;Feiten en stellingen van partijen&lt;/u&gt;

1. Bij besluit van 29 maart 2005 is aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vw 2000. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder deze vergunning ingetrokken op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, omdat de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, was komen te vervallen. De intrekking houdt verband met het feit dat het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Centraal-Irak door verweerder inmiddels is beëindigd. Nu in het besluit van 29 maart 2005 niet kenbaar is gemaakt om welke reden eiser op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c niet in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning, heeft verweerder dit in het bestreden besluit, waarin het voornemen is geïncorporeerd, alsnog geformuleerd.

2. Het asielrelaas van eiser komt, zakelijk weergegeven, op het volgende neer. Eiser, afkomstig uit Bagdad, is Shi’itisch en is verliefd geworden op een Soennitische vrouw. De familie van deze vrouw was tegen deze relatie. Eiser is vervolgens met zijn aanstaande echtgenote in een leegstaande woning van een oom van eiser getrokken, waarna zij op 25 augustus 2004 op traditionele wijze met elkaar zijn gehuwd. Volgens eisers vrouw zou haar familie na het sluiten van een huwelijk geconfronteerd worden met een voldongen feit en zouden zij als gevolg daarvan wel bijdraaien. De schoonfamilie van eiser heeft vervolgens de ouderlijke woning van eiser beschoten. Drie maanden later was eisers vrouw zwanger. Haar familie is op 29 november 2004 de woning van eiser en zijn echtgenote binnengevallen en heeft eisers vrouw om het leven gebracht. Eiser was op dat moment in de winkel van zijn oom aan het werk. Na de moord is een broer van eisers vrouw in aanwezigheid van twee andere personen naar de winkel gegaan, waarna op eiser is geschoten. Eiser heeft weten te vluchten en heeft zich de volgende dag tot de politie gewend, maar die vertelden hem dat ze geen tijd hadden voor familieproblemen en kletspraat. Eiser vreest bij terugkeer te worden gedood vanwege eerwraak. Volgens hem worden de familieleden van zijn echtgenote af en toe in de wijk gezien en worden er vragen gesteld of hij daar nog steeds is.

3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning vormen. Die afwijzing is gebaseerd op het bepaalde in het eerste lid in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van artikel 31 van de Vw 2000.

4. Aan eiser is tegengeworpen dat hij toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd om zijn nationaliteit, identiteit, reisroute en asielrelaas te onderbouwen. Blijkens het bestreden besluit wordt daarin het ontbreken van documenten die de identiteit onderbouwen niet langer aan eiser tegengeworpen. Verweerder handhaaft zijn standpunt dat eiser geen documenten heeft overgelegd die zijn reisverhaal onderbouwen. Volgens verweerder is het niet aannemelijk dat eiser geen enkel indicatief bewijs van de reis kan overleggen, noch in staat is om gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute te geven. Zo heeft eiser zijn reis niet met documenten onderbouwd en bovendien heeft hij geen informatie kunnen verschaffen over eenvoudige zaken als de kleur en het kenteken van de vrachtwagen, of hij is gecontroleerd bij grenscontroles, hoe vaak hij onderweg is gestopt en door welke landen hij is gereisd. Gelet op hoofdstuk C4/3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 stelt verweerder zich op het standpunt dat verklaringen die inhouden dat een asielzoeker geen documenten heeft én niets meer weet van de reis, niet geloofwaardig zijn. Voorts heeft verweerder eiser tegengeworpen geen documenten te hebben overgelegd ter onderbouwing van zijn asielrelaas. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van een persoon die stelt problemen te hebben ondervonden als gevolg van zijn huwelijk, mag worden verwacht dat hij zijn verklaringen omtrent dit huwelijk kan onderbouwen met de huwelijksakte. Ook mocht van eiser worden verwacht dat hij zijn verklaringen omtrent de dood van zijn echtgenote kan onderbouwen met de overlijdensakte. Na het voornemen heeft eiser – door tussenkomst van een neef – een overlijdensakte overgelegd. Omdat eiser echter nog immer geen huwelijksakte of een ander document, waaruit blijkt dat hij met de overleden persoon was gehuwd, heeft overgelegd, heeft verweerder het standpunt dat eiser geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn asielrelaas, gehandhaafd. In beroep heeft eiser een kopie van een huwelijksakte en een vertaling daarvan overgelegd, en zijn gemachtigde heeft daarbij medegedeeld dat hij in het bezit is van het origineel. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder hierover gezegd dat het overleggen van de huwelijksakte niet leidt tot de conclusie dat eiser zijn asielrelaas heeft onderbouwd met documenten, nu daaruit niet blijkt dat eiser en zijn echtgenote een verschillende religieuze achtergrond hebben, terwijl dit essentieel is voor de door eiser gestelde problematiek.

5. In het in het bestreden besluit geïncorporeerde voornemen heeft verweerder overwogen dat eisers asielrelaas de vereiste positieve overtuigingskracht ontbeert. Verweerder acht het zeer bevreemdend dat een vrouw in een land als Irak zou voorstellen om tegen de zin van haar familie in traditioneel met eiser te trouwen. De verklaring dat haar familie na het sluiten van een huwelijk met een voldongen feit zou worden geconfronteerd en niets meer zou kunnen weigeren, acht verweerder bevreemdend en onlogisch. Dat eiser vervolgens genoegen nam met de verklaring van zijn vrouw, dat hij eventuele problemen maar aan haar moest overlaten, is eveneens bevreemdend, aldus verweerder. Verweerder overweegt voorts dat de genoemde bevreemdingwekkendheden in het relaas ieder apart bezien wellicht niet zouden leiden tot ongeloofwaardigheid, maar dat deze tezamen genomen leiden tot de conclusie dat het relaas niet geloofwaardig is. Verder overweegt verweerder dat ook afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het relaas door het feit dat eiser zich niet heeft ingespannen om in zijn eigen land om bescherming te vragen. Van een persoon die stelt dat zijn vrouw is vermoord en die voor zijn eigen leven vreest, mag worden verwacht dat hij probeert de hulp van zijn stam of familie in te schakelen. Dat heeft eiser niet eens geprobeerd. Gezien de ernst van het voorval is eveneens bevreemdend dat de politie tegen eiser zou hebben gezegd dat ze geen tijd hadden voor kletspraat en dat eiser daarmee genoegen heeft genomen. Van hem mag worden verwacht dat hij zich in eigen land had ingespannen om bescherming te krijgen. Dit alles leidt verweerder tot de conclusie dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is.

6. In de zienswijze is door eisers gemachtigde onder meer aangevoerd dat het geenszins bevreemdingwekkend is dat eisers vrouw traditioneel wilde trouwen, aangezien in Irak een huwelijk een elegante oplossing kan zijn voor een zwangerschap die buiten het huwelijk om is ontstaan. Van die mogelijkheid wilde de vrouw van eiser gebruik maken, aldus eisers gemachtigde.

7. Naar aanleiding van het in de besluitvormingsfase overleggen van de overlijdensakte van zijn echtgenote, is eiser vervolgens aanvullend gehoord. Bij de aanvang van dat gehoor heeft eisers gemachtigde opgemerkt dat hij in de zienswijze een fout had gemaakt, aangezien hij tijdens het opstellen van die zienswijze ervan uit was gegaan dat eisers vrouw voorafgaand aan het huwelijk zwanger was, hetgeen niet het geval was; zij is pas na het in het huwelijk treden zwanger geraakt en het huwelijk is dus niet gesloten, omdat de vrouw zwanger was. Eisers gemachtigde had de zaak niet met eiser doorgesproken, als gevolg waarvan deze fout volgens de gemachtigde was ontstaan.

8. In het bestreden besluit heeft verweerder ten aanzien van de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas als volgt overwogen. Het blijft volgens verweerder bevreemdingwekkend dat eisers vrouw aan hem zou hebben voorgesteld om te trouwen. De verklaring die eisers gemachtigde daarvoor in de zienswijze aanvankelijk heeft gegeven, is tijdens het aanvullend gehoor weer ingetrokken, dus die verklaring kan niet worden gevolgd. Er is nog altijd geen verklaring gegeven waarom eisers vrouw voorstelde om te gaan trouwen. Herhaald wordt dat het bevreemdingwekkend is dat eiser niet heeft geprobeerd om bescherming te zoeken bij zijn stam, en eisers stelling dat eermoorden sociaal geaccepteerd zijn en het om die reden geen zin heeft om bescherming te zoeken bij zijn stam, wordt niet geaccepteerd, omdat een verwijzing naar de algemene situatie niet voldoende is. Tot slot herhaalt verweerder het standpunt, dat het bevreemdingwekkend is dat de politie hem niet van dienst zou hebben willen zijn.

9. Op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, zal hierna – voor zover van belang – in de beoordeling worden ingegaan.

&lt;u&gt;De beoordeling&lt;/u&gt;

10. De rechtbank dient in zaken, waarin een op grond van het categoriaal beschermingsbeleid verleende vergunning wordt ingetrokken, eerst te beoordelen of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de grond waarop de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, te weten artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 is komen te vervallen. Ter zitting heeft eisers gemachtigde het beroep hierop echter laten vallen, zodat deze beroepsgrond geen verdere bespreking hoeft.

11. Vervolgens is aan de orde de vraag of, beoordeeld naar eisers situatie ten tijde van de verleende vergunning en die naar zijn huidige situatie, verweerder zich tevens op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor een vergunning op één van de andere gronden van artikel 29 van de Vw 2000.

12. Voorop wordt gesteld dat op basis van de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van 14 februari 2008, 27 juni 2008 en 29 mei 2009 niet kan worden geoordeeld dat de algehele situatie in Irak niet zodanig was of is dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit Irak in het algemeen en die behoren tot de Arabische bevolkingsgroep in het bijzonder zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Het enkele feit dat een vreemdeling afkomstig is uit Bagdad vormt evenmin voldoende grond om hem reeds om die reden als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag (hierna: het Verdrag) aan te merken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ook een vreemdeling die uit Bagdad afkomstig is, aannemelijk dient te maken dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

13. Gelet op de daaraan ten grondslag gelegde en in rechtsoverweging 4 weergegeven motivering is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van documenten die zijn reisroute onderbouwen hem niet kan worden toegerekend. Hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het aan verweerder is om te bepalen welke documenten noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag en verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2003, JV 2003, 552.

14. Op grond van de hierboven in rechtsoverweging 13 genoemde uitspraak geldt voorts, dat indien wordt vastgesteld dat ten aanzien van één van de elementen identiteit, nationaliteit, reisroute of asielrelaas documenten ontbreken en dat dit is toe te rekenen aan de asielzoeker, dit reeds voldoende is voor de algemene conclusie dat sprake is van het toerekenbaar ontbreken van documenten.

15. Indien, zoals in casu het geval is, sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, geldt volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dat in het asielrelaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden mogen voorkomen. Van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan om geloofwaardig geacht te worden. Verweerder komt bij de toepassing van het beleid ten aanzien van de geloofwaardigheid van het asielrelaas in een concreet geval beoordelingsruimte toe en de rechter dient die beoordeling terughoudend te toetsen.

16. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder aan de conclusie, dat eisers asielrelaas positieve overtuigingskracht mist, in het bestreden besluit (en het daarin geïncorporeerde voornemen) een drietal argumenten ten grondslag heeft gelegd, te weten: 1) het feit dat het niet logisch is, dat een vrouw in een land als Irak zou voorstellen om tegen de wens van haar familie in te trouwen, 2) het feit dat eiser geen bescherming heeft gezocht bij zijn stam en 3) het feit dat het niet geloofwaardig is dat de politie eiser zou hebben weggestuurd met de opmerking dat zij voor familieproblemen geen tijd hadden. Voor het overige zijn door verweerder in het bestreden besluit en het voornemen geen vaagheden, summierheden of tegenstrijdigheden tegengeworpen.

17. Eiser heeft in beroep ten aanzien van het eerstgenoemde argument aangevoerd, dat het helemaal zo bevreemdingwekkend niet is, dat eisers vrouw wilde trouwen. Eiser en zijn vrouw waren verliefd en zij hoopten dat de familie bij zou kunnen draaien. De tegenwerping van verweerder komt erop neer dat eiser en zijn vrouw met hun huwelijk een te groot risico namen; een risico dat te groot is om geloofwaardig te kunnen worden geacht. Die tegenwerping is niet redelijk, aldus eiser.

18. De rechtbank volgt eiser hierin. De essentie van eerwraak is immers gelegen in de omstandigheid, dat daaraan een bepaalde handeling vooraf is gegaan, die door de familie van de betrokkene(n) niet wordt geaccepteerd en die in de visie van die familie dient te worden bestraft met eerwraak. Om die reden is het &lt;u&gt;in het kader van de geloofwaardigheid&lt;/u&gt; tegenwerpen, dat de handeling in weerwil van wat ‘verstandig’ zou zijn geweest, en in weerwil van de wens van de familie, toch is verricht, in redelijkheid niet houdbaar. Zoals eiser terecht heeft aangevoerd, zou een dergelijke tegenwerping, die er inderdaad op neer komt dat het genomen risico te groot is om geloofwaardig te worden geacht, ieder eerwraakrelaas bij voorbaat op dat punt ongeloofwaardig maken, nu daaraan immers inherent is dat een bepaald risico is genomen. Dat verweerder van mening is dat het genomen risico te groot was, leidt de rechtbank ook af uit het verweerschrift, waarin is opgenomen: &lt;i&gt;“Verweerder merkt […] op dat verliefd zijn en de hoop c.q. de verwachting hebben dat een en ander een positieve uitwerking zal hebben, niet getuigt van het maken van een goede keuze, gelet op de culturele achtergrond van eiser en zijn overleden echtgenote.”&lt;/i&gt; Verweerder kon, om te motiveren dat de gestelde, aan de eerwraak ten grondslag liggende handeling niet geloofwaardig was (en daarmee de eerwraak evenmin), naar het oordeel van de rechtbank niet volstaan met de overweging dat het verrichten van de handeling geen verstandige keuze zou zijn geweest. Immers, wat er ook zij van verweerders oordeel omtrent die keuze, dat oordeel staat los van het – van algemene bekendheid zijnde – feit dat dergelijke keuzes nu eenmaal door mensen worden gemaakt, en waarvan eerwraak in bepaalde gevallen het gevolg is. Dat eiser stelt deze keuze desalniettemin gemaakt te hebben, kan derhalve in redelijkheid niet leiden tot het oordeel dat deze keuze reeds daardoor ongeloofwaardig is.

19. Ten aanzien van het tweede en derde argument heeft eiser in beroep aangevoerd dat hij niet op bescherming kan rekenen van zijn stam, omdat eerwraak in ruime mate sociaal aanvaard is in Irak en de code, die hij overtrad, ook een overtreding was van de code van zijn stam. Vanwege die sociale acceptatie wil de politie evenmin bescherming bieden. Eiser beroept zich ter onderbouwing van deze standpunten op het algemeen ambtsbericht inzake Irak van mei 2009 en de UNHCR Guidelines van april 2009. In de Guidelines is op pagina 195 vermeld: &lt;i&gt;“Women in all parts of Iraq may be at risk of “honour killing” at the hands of their families for perceived shameful behaviour. “Honour killings” are most frequently committed with impunity given the high level of social acceptance vis-à-vis this type of crimes, including among law enforcement officials. On the rare occasions where perpetrators are arrested and charged, they are given lenient punishments. As a result, women and girls are reluctant to even report sexual attacks for fear of being ostracized or even killed by their family.”&lt;/i&gt; Verder beroept eiser zich op de ambtsberichten van januari 2010, juni 2007, 2006 en januari 2004 en wijst hij erop dat op de in de Terms of Reference voor het ambtsbericht van januari 2010 gestelde vragen omtrent bescherming in eerwraakkwesties, geen antwoord is gegeven (Terms of Reference, 16 september 2009). Voorts heeft eiser in beroep betoogd dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of bescherming in Irak in het algemeen wordt geboden.

20. De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval geen sprake is van de situatie waarin aan een asielzoeker die een geloofwaardig asielrelaas heeft, wordt tegengeworpen dat hij geen bescherming in eigen land heeft gezocht. Eisers asielrelaas is door verweerder immers niet aannemelijk geacht. In dit geval werpt verweerder het niet zoeken van die bescherming bij de eigen stam of familie tegen teneinde te onderbouwen dát het asielrelaas ongeloofwaardig is. In hetzelfde verband is eiser tegengeworpen dat hij niet meer moeite heeft gedaan om de politie te bewegen tot actie over te gaan. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat eiser met recht aanvoert, dat ook bij tegenwerping van het niet zoeken van bescherming – althans het niet verder aandringen op bescherming – in dit (geloofwaardigheids)verband, te gelden heeft dat verweerder die tegenwerping niet kan doen zonder eerst te onderzoeken of in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. In die zin vindt de vaste jurisprudentie ten aanzien van het beschermingsvraagstuk bij een geloofwaardig asielrelaas (zie onder andere de uitspraken van de Afdeling van 5 augustus 2008, LJN: &lt;a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BD9606" target="_blank" &gt;BD9606&lt;/a&gt; en van 12 februari 2010, LJN: &lt;a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BL4567" target="_blank" &gt;BL4567&lt;/a&gt;) ook in dit verband toepassing. De rechtbank stelt vast dat verweerder zodanig onderzoek niet (kenbaar) heeft verricht. Daartegenover staat dat eiser onder verwijzing naar algemene ambtsberichten en hierboven genoemde andere bronnen, uitgebreid heeft gemotiveerd dat en waarom volgens hem van bescherming geen sprake is. Verweerder heeft dit slechts weersproken met de opmerking dat een verwijzing naar algemene bronnen onvoldoende is.

21. In het verweerschrift en ter zitting is namens verweerder voorts betoogd dat in het bestreden besluit is overwogen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de zwangerschap van zijn echtgenote. Dat standpunt van verweerder berust naar het oordeel van de rechtbank echter op een onjuiste lezing van het bestreden besluit. Daarin is immers niet tegengeworpen dat eiser over de zwangerschap van zijn vrouw tegenstrijdig heeft verklaard. Wel is daarin overwogen hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 8 is weergegeven, te weten dat de door de gemachtigde in de zienswijze gepresenteerde reden voor het huwelijk van eiser en zijn vrouw, inmiddels weer was ingetrokken tijdens het aanvullend gehoor, en dat de door de gemachtigde gegeven uitleg om die reden niet wordt gevolgd. Er is dus niets overwogen over enige tegenstrijdigheid; dat er tegenstrijdig over (het moment van) de zwangerschap van eisers vrouw zou zijn verklaard, is pas voor het eerst in het verweerschrift en later ter zitting naar voren gebracht. Het maakt derhalve geen onderdeel uit van het bestreden besluit en reeds om die reden kan het niet dienen ter onderbouwing van verweerders stelling, dat eisers asielrelaas positieve overtuigingskracht mist. Overigens heeft eisers gemachtigde naar het oordeel van de rechtbank met diens verklaring in het aanvullend gehoor en ter zitting, dat hij de zaak onvoldoende had doorgesproken met eiser en om die reden zelfstandig de bewuste overweging in het voornemen had opgenomen, duidelijk gemaakt dat de tegenstrijdigheid niet aan eiser, maar aan hem te wijten is geweest.

22. Verder stelt de rechtbank vast, dat pas voor het eerst in het verweerschrift aan eiser &lt;u&gt;in het kader van de geloofwaardigheid&lt;/u&gt; wordt tegengeworpen, dat hij met de door hem in beroep overgelegde huwelijksakte niet heeft onderbouwd dat hij en zijn vrouw een verschillende geloofsachtergrond hadden. In het voornemen en het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat eiser zijn gestelde huwelijk niet heeft onderbouwd door middel van een huwelijksakte, zodat hem in het kader van artikel 31, tweede lid en onder f, van de Vw 2000 is tegengeworpen dat hij zijn asielrelaas niet met documenten had onderbouwd. Het niet kunnen overleggen van die huwelijksakte is hem noch in het voornemen, noch in het bestreden besluit tegengeworpen in het kader van de (on)geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. Nadat eiser de huwelijksakte in de beroepsfase alsnog heeft overgelegd, heeft verweerder zich – in het verweerschrift en ter zitting – op het standpunt gesteld, dat die huwelijksakte (toch, zo begrijpt de rechtbank) geen onderbouwing vormt voor de gestelde problemen, omdat daaruit niet blijkt dat eiser en zijn vrouw verschillende geloofsachtergronden hadden. Deze tegenwerping heeft verweerder aldaar (dus voor het eerst in het verweerschrift) gedaan zowel in het kader van artikel 31, tweede lid en onder f, van de Vw 2000 als in het kader van de geloofwaardigheid. Ook hier heeft dus te gelden, dat nu de tegenwerping in het kader van de geloofwaardigheid klaarblijkelijk geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, deze reeds om die reden niet kan dienen ter onderbouwing van verweerders stelling, dat eisers asielrelaas positieve overtuigingskracht mist.

23. Gelet op het voorgaande is de rechtbank, marginaal toetsend, van oordeel dat verweerder zich met het aanhalen van (slechts) de hierboven genoemde argumenten in het bestreden besluit, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht ontbeert. Daarbij neemt de rechtbank uitdrukkelijk in aanmerking dat verweerder, buiten de hierboven in rechtsoverweging 16 genoemde drie argumenten, geen andere hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden aan eiser heeft tegengeworpen. Wanneer de door verweerder wel genoemde argumenten in onderlinge samenhang worden bezien, valt, gelet op hetgeen daaromtrent hiervoor door de rechtbank is overwogen, in redelijkheid niet in te zien waarom eisers asielrelaas door verweerder ongeloofwaardig wordt geacht.

24. Gelet op het voorgaande dient het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel te worden vernietigd. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard. Hetgeen overigens is aangevoerd, kan onbesproken blijven. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

25. Ter voorlichting van partijen wijst de rechtbank erop dat in de overwegingen van deze uitspraak één of meer beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. Als eiser niet wil berusten in de verwerping van één of meer van de beroepsgronden, is het nodig dat hij tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep instelt. Als hij dit nalaat, bestaat namelijk de mogelijkheid dat de bestuursrechter in een eventueel vervolg van deze procedure zal uitgaan van de juistheid van het oordeel van de rechtbank over de hier verworpen beroepsgronden.

26. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

27. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. J.M.H. Rijken-Lie als rechter in tegenwoordigheid van G.C.A. Dingemans Wierts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2010.

&lt;HR&gt;

&lt;i&gt;Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt &lt;b&gt;vier weken&lt;/b&gt; na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. &lt;/i&gt;

Afschriften verzonden:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature