< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Dublin-zaak / overdrachtstermijn artikel 19, derde lid, van Vo 343 /2003 / interim measure President EHRM 3 juni 2010 / Opschortende werking?

Het aantekenen van bezwaar of beroep, zo volgt uit de tekst van artikel 19, tweede lid, van Vo 343 /2003, schort de overdrachtstermijn als bedoeld in het derde lid niet op, tenzij in een nationale wettelijke voorziening anders is bepaald. In het gestelde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000, dan wel in enige meer algemene rechtsregel, is niet bepaald dat het treffen van een interim measure als hier aan de orde de overdrachtstermijn opschort. Bovendien is de bewuste interim measure niet getroffen op verzoek van, dan wel ten aanzien van verzoeker. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de overdrachtstermijn niet is opgeschort door de interim measure van 3 juni 2010.

Uitspraak



RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/37367 (voorlopige voorziening)

AWB 10/36993 (beroep)

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 december 2010

inzake

[verzoeker],

geboren op [datum] 1988,

nationaliteit Somalische,

verzoeker,

gemachtigde mr. M. Pals,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. D.P.A. van Laarhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2010 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Tegen dit besluit heeft verzoeker op 27 oktober 2010 beroep ingesteld, hetgeen is geregistreerd onder zaaknummer AWB 10/36993.

Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende het beroep een voorlopige voorziening te treffen, geregistreerd onder zaaknummer AWB 10/37367.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 19 november 2010, waar verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De voorzieningenrechter oordeelt dat wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb . De voorzieningenrechter zal toetsen of het bezwaar redelijke kans van slagen heeft en of bij de afweging van de betrokken belangen uitzetting van verzoeker in afwachting van de beslissing op bezwaar moet worden verboden.

3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoeker heeft op 8 oktober 2009 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 . Bij besluit van 17 maart 2010 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker afgewezen, omdat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan op grond van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (Vo 343/2003). Tegen dit besluit heeft verzoeker op 17 maart 2010 beroep ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 4 juni 2010, zaaknummers AWB 10/10151 en AWB 10/10150, is het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker op 8 juni 2010 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Hierop is thans nog niet beslist.

4. Verzoeker heeft op 12 oktober 2010 onderhavige (herhaalde) asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 20 oktober 2010 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker afgewezen omdat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden zoals bedoeld inartikel 4:6 van de Awb .

5. Ingevolge artikel 4:6 van de Awb is, indien na een geheel of deels afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

6. Onder nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden moet onder andere worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of feiten en omstandigheden van vóór dat eerdere besluit die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een inhoudelijke rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd, kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust. Slechts op grond van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan noodzaak bestaan om de bovengenoemde in het nationale recht neergelegde procedureregels niet tegen te werpen, zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland, JV 1998/45.

7. Verzoeker heeft aangevoerd dat Griekenland op grond van Vo 343/2003 niet langer verantwoordelijk kan worden geacht voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Verzoeker heeft gesteld dat de termijn van zes maanden om verzoeker over te dragen aan de Griekse autoriteiten als bedoeld in artikel 19, derde lid, van Vo 343 /2003 is verstreken. De door de President van het EHRM op 3 juni 2010 getroffen interim measure (zaaknummer 30383/10) heeft deze termijn niet opgeschort. Daarbij heeft verzoeker verwezen naar de noot van prof. mr. H. Battjes bij de interim measure van 3 juni 2010, JV 2010/268. Verzoeker is van mening dat er gelet op het voorgaande sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden en dat Nederland verantwoordelijk is geworden voor de inhoudelijke behandeling van de onderhavige asielaanvraag van verzoeker.

8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

9. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van Vo 343 /2003 wordt de in het eerste lid bedoelde beslissing gemotiveerd. In de kennisgeving wordt vermeld binnen welke termijn de overdracht zal plaatsvinden en, indien de asielzoeker zich op eigen gelegenheid naar de verantwoordelijke lidstaat begeeft, waar en wanneer hij zich in die lidstaat moet melden. Tegen deze beslissing kan beroep of bezwaar worden aangetekend. Dit heeft geen opschortende werking voor de overdracht, tenzij het gerecht of de bevoegde instantie, indien de nationale wetgeving daarin voorziet, naar gelang van het geval een andersluidende beslissing neemt.

10. Ingevolge artikel 19, derde lid, van Vo 343 /2003, voor zover hier relevant, wordt de asielzoeker overeenkomstig de nationale wetgeving door de lidstaat waar het verzoek is ingediend, na overleg tussen de betrokken lidstaten overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of vanaf de beslissing op het beroep of op het verzoek tot herziening wanneer dit opschortende werking heeft.

11. Ingevolge artikel 19, vierde lid, van Vo 343 /2003 berust, indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verantwoordelijkheid bij de lidstaat waar het asielverzoek is ingediend. Indien de overdracht wegens detentie van de asielzoeker niet kon worden uitgevoerd, kan deze termijn tot maximaal één jaar worden verlengd of tot maximaal 18 maanden indien de asielzoeker onderduikt.

12. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn als bedoeld in artikel 19, derde lid, van Vo 343 /2003 (hierna: de overdrachtstermijn) is aangevangen op 8 maart 2010, zijnde de datum waarop de Griekse autoriteiten fictief hebben ingestemd met het overnameverzoek.

13. Het aantekenen van bezwaar of beroep, zo volgt uit de tekst van artikel 19, tweede lid, van Vo 343 /2003, schort de overdrachtstermijn niet op, tenzij in een nationale wettelijke voorziening anders is bepaald. In het gestelde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000, dan wel in enige meer algemene rechtsregel, is niet bepaald dat het treffen van een interim measure als hier aan de orde de overdrachtstermijn opschort. Bovendien is de bewuste interim measure niet getroffen op verzoek van, dan wel ten aanzien van verzoeker. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de overdrachtstermijn niet is opgeschort door de interim measure van 3 juni 2010. De voorzieningenrechter laat daarbij nog in het midden of een verzoek tot het treffen van een interim measure kan worden aangemerkt als het aantekenen van beroep of bezwaar als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van Vo 343 /2003.

14. Het standpunt van verweerder dat er algemene consequenties dienen te worden getrokken uit de interim measure en dat de interim measure een bevriezingsmaatregel betreft waarvan de gevolgen voor de overdrachtstermijn overeenkomstig dienen te zijn aan het treffen van een (nationaalrechtelijke) voorlopige voorziening wordt blijkens het vorenoverwogene niet gevolgd. Dit standpunt komt erop neer dat de voorzieningenrechter het bepaalde in artikel 19, tweede lid, en/of artikel 19, derde lid, van Vo 343 /2003 analoog zou dienen toe te passen. Hiervoor acht de voorzieningenrechter gelet op de niet voor misverstand vatbare bewoordingen van genoemde artikelonderdelen geen termen aanwezig, waarbij is meegewogen dat uit de bewoordingen van het tweede lid volgt dat de hoofdregel is dat de bewuste termijn niet wordt opgeschort en slechts als er een (nationale) wettelijke voorziening is getroffen opschorting plaatsvindt. Indien het wenselijk zou worden geacht dat een interim measure als hier aan de orde opschortende werking heeft, is het aan de wetgever om een wettelijke voorziening met die strekking te treffen.

15. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de interim measure van 3 juni 2010 de overdrachtstermijn als bedoeld in artikel 19, derde lid, van Vo 343 /2003 niet heeft opgeschort. Van omstandigheden waardoor de termijn op grond van het bepaalde in artikel 19, vierde lid, van Vo 343 /2003 is verlengd is voorts eveneens niet gebleken. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, derde lid, van Vo 343 /2003 is de overdrachtstermijn daarom in dit geval geëindigd na ommekomst van zes maanden vanaf 8 maart 2010, derhalve op 8 september 2010.

16. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het verstrijken van de overdrachtstermijn als hiervoor geconstateerd kan afdoen aan het eerdere besluit van 17 maart 2010 en daarmee voor de vraag of verweerder terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb . De voorzieningenrechter oordeelt dat de overdrachtstermijn is verstreken na dit eerdere besluit en dat het verstrijken van deze termijn, gelet op het bepaalde in artikel 19, vierde lid, van Vo 343 /2003, een feit of omstandigheid is die aan dit eerdere besluit kan afdoen. Derhalve is sprake van een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb . De verwijzing door verweerder naar de uitspraken van de Afdeling van 6 januari 2006, JV 2006/189, en van 24 maart 2005, JV 2005/192, leiden niet tot een ander oordeel, nu - in afwijking van die twee uitspraken - in dit geval niet het treffen van een interim measure, maar het verstrijken van de overdrachtstermijn als novum is aangevoerd, dan wel aan de orde is.

17. Uit het voorgaande volgt dat verweerder bij de beoordeling van de onderhavige aanvraag ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb . Het bestreden besluit kan reeds daarom niet in stand blijven.

18. Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting zal de voorzieningenrechter het bestreden besluit inhoudelijk beoordelen. Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in rechtsoverwegingen 12 tot en met 15 oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerder ten gevolge van het verstrijken van de overdrachtstermijn op de voet van artikel 19, vierde lid, van Vo 343 /2003 verantwoordelijk is geworden voor de inhoudelijke behandeling van onderhavige asielaanvraag van verzoeker. Dit betekent dat verweerder thans over dient te gaan tot een inhoudelijke behandeling van deze asielaanvraag. Verweerder heeft dit miskend.

19. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Voor een bespreking van hetgeen overigens is aangevoerd bestaat geen aanleiding.

20. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.

21. Nu het beroep gegrond zal worden verklaard, acht de voorzieningenrechter termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

22. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 20 oktober 2010;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. T. van de Woestijne als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van M.J.A. van Bree als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2010.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover daarbij in de hoofdzaak is beslist, hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt &lt;b&gt;één week&lt;/b&gt; na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. &lt;/i&gt;

Afschriften verzonden:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature