E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO5308
LJN BO5308, Rechtbank 's-Gravenhage, AWB 09-32317 en AWB 10-17577

Inhoudsindicatie:

Naar het oordeel van de rechtbank kan in asielzaken waarin verweerder ambtshalve besluit tot intrekking van een verblijfsvergunning asiel over te gaan, de redelijke termijn nooit door verweerder worden overschreden.

Anders dan bij vernietigingen van besluiten op een asielaanvraag, brengt vernietiging van dergelijke ambtshalve besluiten door de rechtbank en/of de Afdeling niet met zich dat op verweerder de verplichting rust een nieuw besluit te nemen. Dit kan worden afgeleid uit de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2010, LJN: BL3929. Als een dergelijk besluit is vernietigd, zoals in het onderhavige geval, dan blijft de vreemdeling in het bezit van de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel. Verweerder kan dan beslissen om opnieuw tot intrekking over te gaan, maar is hiertoe niet verplicht. Anders dan voor beslissingen op een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel, geldt voor het nemen van dergelijke beslissingen geen termijn. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesteund door de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2003, LJN: AO2152. De berekening van de redelijke termijn wordt dan gestuit bij een einduitspraak van de (hogere) rechter. De tijd die verweerder er vervolgens over doet om nogmaals een besluit tot intrekking te nemen, maakt geen deel meer uit van de berekening van die termijn. Zodra de vreemdeling beroep instelt tegen een besluit waarbij wederom zijn verblijfsvergunning asiel wordt ingetrokken, gaat de redelijke termijn opnieuw lopen.

De rechtbank is dan ook op grond van het vorenstaande van oordeel dat de duur van de rechterlijke beoordeling van het hoger beroep en de hoger beroepen in de eerste procedure omtrent de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, niet voor rekening en risico van verweerder komt. Voorts is de redelijke termijn opnieuw gaan lopen op het moment waarop eiser beroep heeft ingesteld tegen het besluit waarbij verweerder andermaal zijn verblijfsvergunning heeft ingetrokken. Dat toen een ander geschil is aangevangen en daarmee een nieuwe redelijke termijn is gaan lopen, blijkt bovendien uit het feit dat eiser gehouden was nieuwe feiten en omstandigheden aan te voeren tegen het inmiddels in rechte vaststaande oordeel dat aan hem terecht artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie