< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Verweerder heeft zich met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt kunnen stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat Malta de refoulementverboden niet zal schenden. De stellingen, dat Malta zich niet houdt aan de Procedurerichtlijn en de Opvangrichtlijn en dat de (detentie)omstandigheden waaronder asielzoekers in Malta verblijven in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM , moeten in Malta worden ingebracht. Het ontbreken van een Dublingehoor is niet onzorgvuldig.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, meervoudige kamer

Regnr.: AWB 10/4255 BEPTDN

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht

in het geding tussen

[A], eiser, V-nummer [nummer], woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. [B], advocaat te [plaats],

en

de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1982 en de Somalische nationaliteit te bezitten. Hij verblijft naar eigen zeggen sedert 25 juli 2008 als vreemdeling in Nederland. Op 10 oktober 2008 heeft hij een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000). Bij besluit van 1 februari 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen omdat de Maltese autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de aanvraag.

Bij brief van 2 februari 2010 heeft eiser tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 april 2010.

Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. [C], kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. [D]. Tevens was ter zitting aanwezig [E], tolk in Somalische taal.

II OVERWEGINGEN

1Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de ze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Vo 343/2003).

2 Eiser heeft aangevoerd dat de Nederlandse autoriteiten het asielverzoek aan zich dienen te trekken op grond van artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 van Vo 343 /2003.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij bij terugkeer naar Malta het risico loopt in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en het Vluchtelingenverdrag door de Maltese autoriteiten zonder inhoudelijke beoordeling van zijn asielverzoek te worden teruggestuurd naar zijn land van herkomst. Verder stelt hij dat hem in Malta zelf een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM te wachten staat.

Eiser is daarnaast van mening dat de Maltese autoriteiten niet de internationale verplichtingen zullen nakomen die voortvloeien uit Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van

27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (hierna: Opvangrichtlijn) en Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (hierna: Procedurerichtlijn). Ter onderbouwing van zijn betoog heeft eiser verwezen naar het rapport van de UNHCR van 26 januari 2009, de resolutie van het Europees Parlement van 6 april 2006 over de situatie in Vluchtelingenkampen in Malta, het World Report 2009 van Human Rights Watch van 14 januari 2009 inzake Malta, het rapport van PACE van mei 2008 over detentieomstandigheden, het rapport van de UNHCR van juni 2007 "Persons of UNHCR Concern in Malta: Possibility of incidents of refoulement" en een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 4 januari 2010 (LJN BK 8213). Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door geen Dublingehoor te houden.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er concrete aanwijzingen zijn dat Malta de verplichtingen voortvloeiend uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM niet naleeft.

3 De rechtbank overweegt als volgt.

Blijkens de stukken hebben de Maltese autoriteiten op 4 oktober 2009 het terugnameverzoek op grond van artikel 20, eerste lid, onder e, van Vo 343 /2003 aanvaard. Sedert die datum staat dan ook de verantwoordelijkheid van Malta vast.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van Vo 343 /2003, voor zover thans van belang, kan, in afwijking van het eerste lid, verweerder een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Volgens paragraaf C3/2.3.6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) wordt ervan uitgegaan dat de lidstaten de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Daarbij wordt verwezen naar overwegingen 2 en 15 van de considerans van Vo 343/2003. Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van artikel 3, tweede lid, van Vo 343 /2003. Daarbij ligt het op de weg van de asielzoeker om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging van verdragspartijen bij het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM wordt weerlegd. Hiervan is sprake als de asielzoeker aannemelijk maakt dat in de asielprocedure van de verantwoordelijke lidstaat ten aanzien van hem niet zal worden onderzocht en vastgesteld of er sprake is van een schending van het Vluchtelingenverdrag of van artikel 3 van het EVRM .

Het is dan ook aan eiser om aan de hand van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat de tekortkomingen in de Maltese asielprocedure van dien aard zijn dat moet worden geconcludeerd dat ten aanzien van hem niet kan worden vastgesteld of hij de in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM genoemde risico's loopt, indien hij naar zijn land van herkomst moet terugkeren en hij daardoor het risico loopt dat Malta zijn verdragsverplichtingen inzake non-refoulement jegens hem niet zal nakomen. Eerst indien hij daarin is geslaagd, kan verweerder niet langer volstaan met een algemeen beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en is het aan hem om concreet te weerleggen dat eiser bedoelde risico's loopt.

De stukken waar eiser zich op beroept betreffen algemene stukken waarmee eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er ten aanzien van hem persoonlijk feiten en omstandigheden zijn op basis waarvan verweerder niet langer kon uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft zich dan ook met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt kunnen stellen, dat ervan kan worden uitgegaan dat Malta de refoulementverboden niet zal schenden. De omstandigheid dat het Europees Parlement andere lidstaten heeft opgeroepen hun verantwoordelijkheid te nemen en Malta te ontlasten, maakt dat niet anders, nu dit een politieke keuze is die niet uit het recht voortvloeit.

Voor zover eiser erop heeft gewezen dat de Maltese autoriteiten in december 2005 twee Turkse asielzoekers heeft uitgezet naar Turkije, overweegt de rechtbank als volgt. In het rapport van het UNHCR van juni 2007 staat vermeld dat in december 2005 twee Turkse asielzoekers, nadat zij onder Dublin II vanuit Duitsland aan Malta waren overgedragen, door Malta naar Turkije zijn uitgezet, zonder dat hun asielaanvraag was onderzocht. Voorts staat in het rapport dat het incident wordt onderzocht door de UNHCR en de Maltese autoriteiten. De rechtbank overweegt dat dit incident uit 2005, waarover geen nadere informatie door eiser is ingebracht en dat kennelijk ook de aandacht heeft - gehad - van de Maltese autoriteiten, onvoldoende is voor het oordeel dat in het onderhavige geval niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Malta zou mogen worden uitgegaan.

Het betoog dat Malta handelt in strijd met de Opvangrichtlijn, moet worden ingebracht en beoordeeld in Malta. Een mogelijk verschil tussen de opvang van asielzoekers in Nederland en de opvang in Malta behoeft voor verweerder geen aanleiding te zijn de behandeling van het asielverzoek aan zich te trekken. Voor zover eiser stelt dat Malta zich niet houdt aan de Procedurerichtlijn geldt evenzeer dat dit moet worden ingebracht en beoordeeld in Malta.

Het betoog dat de behandeling van asielzoekers door de Maltese autoriteiten en de omstandigheden waaronder zij (in detentie) in Malta verblijven op zichzelf reeds in strijd is met artikel 3 van het EVRM , faalt eveneens. Ook daaromtrent behoort te worden geklaagd bij de Maltese autoriteiten. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 2 december 2008 (JV 2009, 41). Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt niet dat de rechtsbescherming in Malta zodanig tekortschiet dat hij hiertoe geen gelegenheid zal hebben.

Volgens paragraaf C3/2.3.6.4 Vc 2000 kan verweerder eveneens in individuele gevallen gebruik maken van de bevoegdheid van artikel 3, tweede lid, Vo 343 /2003, indien de vreemdeling op basis van bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk maakt dat overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat in dit geval van een onevenredige hardheid getuigt.

Hetgeen eiser dienaangaande heeft aangevoerd, namelijk dat hij reeds op 26 mei 2008 zijn asielaanvraag heeft ingediend en dat het onredelijk is hem nu nog terug te sturen, is niet aan te merken als een zodanig bijzondere omstandigheid.

De stelling van eiser dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door geen Dublingehoor te houden wordt door de rechtbank niet gevolgd. Immers, eerst na het nader gehoor is gebleken dat eiser eerder asiel heeft aangevraagd in Malta en dat hij zelf daar geen melding van heeft gemaakt tijdens de gehouden gehoren.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder op 29 juli 2008 en

10 oktober 2008 vingerafdrukken van eiser heeft genomen die van een dusdanige kwaliteit waren dat daarmee geen onderzoek kon worden opgestart. Vervolgens zijn in juli 2009 wederom vingerafdrukken van de vreemdeling genomen die hebben geleid tot een resultaat in het Eurodac-systeem, te weten dat eiser op 2 september 2007 een asielaanvraag te Malta heeft gedaan. Gelet hierop kon verweerder niet eerder op de hoogte zijn van de (door eiser verzwegen) asielaanvraag in Malta. De rechtbank merkt in dit kader nog op dat eiser in de zienswijze heeft kunnen reageren op het voornemen om hem over te dragen aan Malta.

4 Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.

5 Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A.P. Pereira Horta, voorzitter en de leden

mrs. C. Fetter en C.I.H. Kerstens-Fockens, in tegenwoordigheid van de griffier J.J. Kip.

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2010.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



∧ naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature