< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

De vreemdeling is een Unieburger. Hij is in juni 2008 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren wegens het medeplegen van verkrachting en diefstal met braak. In juli 2008 is hij ongewenst verklaard. Op grond van het gemeenschapsrecht is verweerder gehouden om te beoordelen of, naast het feit waarvoor eiser is veroordeeld, het persoonlijke gedrag van eiser een actuele, werkelijk en ernstige bedreiging van de openbare orde vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder heeft bij zijn besluit tot ongewenstverklaring naast de hiervoor genoemde misdrijven tevens betrokken dat, blijkens het uittreksel van het Landelijke Strafregister van het Poolse ministerie van Justitie eiser in Polen meerdere malen veroordeeld is voor strafbare feiten die hij daar heeft gepleegd en dat hij nadien zijn criminele activiteiten in Nederland heeft voortgezet. Er is sprake van een lange reeks van delicten, oplopend in ernst. Daarbij heeft verweerder onder meer van belang kunnen achten dat de groepsverkrachting een ernstig en schokkerend zeden – en geweldsdelict betreft waarvan die dreiging die daarvan uitgaat voor zeer langere tijd actueel blijft. Tevens is van belang dat is gebleken dat eiser zich op 10 september 2005 schuldig heeft gemaakt aan groepsverkrachting en inbraak, maar eerst op 23 juli 2007 is aangehouden. Dat eiser na het plegen van het misdrijf op 10 september 2005 spijt heeft gekregen van zijn daden en zich bijvoorbeeld vrijwillig heeft gemeld bij de politie is aldus niet gebleken. Gelet op het voorgaande is derhalve, te rekenen vanaf het moment van aanhouding tot op heden, sprake van een relatief korte periode waaruit verweerder had moeten concluderen dat het persoonlijk gedrag van eiser na het plegen van de misdrijven en tijdens het verblijf in detentie in positieve zin is gewijzigd. Van dergelijke feiten en omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich geen feiten hebben voorgedaan die tot het oordeel leiden dat de actuele bedreiging die het gedrag van eiser voor de openbare orde vormt, is verdwenen of sterk is verminderd.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerders standpunt inzake de belangenafweging als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Richtlijn 2004 /38/EG de toetsing in rechte kan doorstaan. Beroep ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/791

Uitspraak van de meervoudige kamer van 18 maart 2010

inzake

[eiser],

geboren op [datum] 1982,

nationaliteit Poolse,

verblijvende te Alphen aan de Rijn in het detentiecentrum,

eiser,

gemachtigde mr. K. Yousef,

tegen

de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie,

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde mr. G.M.H. Hoogvliet.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2008 heeft verweerder het verblijfsrecht van eiser op grond van Richtlijn 2004/38/EG (hercodificatie personenverkeer) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: Richtlijn 2004/38/EG) beëindigd. Tevens heeft verweerder eiser bij dit besluit op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) ongewenst verklaard. Dit besluit is op 30 juli 2008 aan eiser in persoon uitgereikt. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt bij verweerder.

Eiser heeft bij brief van 13 augustus 2008 de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende de beslissing op bezwaar een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer AWB 08/29218.

Op 27 november 2008 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie.

Bij besluit van 8 januari 2009 heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij na zijn invrijheidstelling zelfstandig en onmiddellijk Nederland moet verlaten.

Eiser heeft op 8 januari 2009 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld. Het verzoek om een voorlopige voorziening van 13 augustus 2008 wordt ingevolge artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geacht een verzoek hangende beroep te zijn.

De zaak is behandeld op de zitting van 26 februari 2010, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is of het besluit van 8 januari 2009 in rechte stand kan houden.

2. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten. Eiser, van Poolse nationaliteit, is in mei 2004 Nederland binnengekomen. In de periode van mei 2004 tot juli 2006 heeft eiser bij verschillende bedrijven werkzaamheden verricht. Vanaf 7 juli 2006 heeft eiser met een tewerkstellingsvergunning en op grond van een arbeidsovereenkomst voor het uitzendbureau Edax Detachering BV te Vlaardingen gewerkt. Onder de gedingstukken bevindt zich onder meer een Uittreksel Justitiële Documentatie van de Justitiële Informatiedienst (hierna: het uittreksel) van 12 november 2008. Hieruit blijkt dat eiser, bij arrest van 19 juni 2008 van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch (hierna: het Gerechtshof), in hoger beroep onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren wegens het medeplegen van verkrachting en voor diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. Eiser had op de pleegdatum, te weten 10 september 2005, naar wordt aangenomen, rechtmatig verblijf op grond van Richtlijn 2004/38/EG van meer dan één, maar minder dan twee jaar. Gelet daarop overschrijdt het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf ruim de in casu geldende norm van drie maanden, zoals neergelegd in artikel 3:86, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Voorts blijkt uit het uittreksel dat eiser in 2005 en 2006 is veroordeeld voor winkeldiefstallen. De hiervoor genoemde en door eiser gepleegde misdrijven, in samenhang bezien met deze (winkel)diefstallen, zijn voor verweerder aanleiding geweest bij het primaire besluit het verblijfrecht van eiser op grond van Richtlijn 2004/38/EG te beëindigen en hem tevens op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 ongewenst te verklaren.

3. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zoals bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 6 juli 2006 (LJN: AY3849, JV 2006/347), 26 juli 2006 (LJN: AY5716), 19 juli 2007 (LJN: BB0912, JV 2006/352) en 28 februari 2008 (LJN: BC6624), zoals gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, belang bij toetsing in rechte van afwijzing van verblijfsaanspraken, bij samenloop daarvan met een besluit tot ongewenstverklaring, eerst aan de orde is indien dat laatste besluit, voor zover hier van belang, wordt vernietigd, ingetrokken dan wel opgeheven. De rechtbank zal derhalve eerst het besluit van 8 januari 2009 aan de orde stellen voor zover dat ziet op de ongewenstverklaring.

De ongewenstverklaring

4. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard, indien hij, voor zover hier van belang, bij een onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd.

5. Ingevolge artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 kan de ongewenst verklaarde vreemdeling in afwijking van artikel 8 van de Vw 2000 geen rechtmatig verblijf hebben.

6. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het EG-Verdrag), voor zover thans van belang, is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit burger van de Unie.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van het EG-Verdrag heeft iedere burger van de Unie het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het EG-Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

7. Op de ongewenstverklaring van een gemeenschapsonderdaan is het bepaalde in Richtlijn 2004/38/EG toepasselijk. In het eerste lid van artikel 27 van de ze Richtlijn is bepaald dat de lidstaten de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, kunnen beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Deze redenen mogen niet voor economische doeleinden worden aangevoerd.

Ingevolgde het tweede lid van dit artikel moeten de om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van betrokkene. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd.

8. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Richtlijn 2004 /38/EG neemt een gastland, alvorens een besluit tot verwijdering van het grondgebied om redenen van openbare orde of openbare veiligheid te nemen, de duur van het verblijf van de betrokkene op zijn grondgebied, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het gastland en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong in overweging.

9. Ingevolge artikel 8.7, eerste lid, van het Vb 2000, voor zover thans van belang, is paragraaf 2, van Afdeling 2, van Hoofdstuk 8 van het Vb 2000 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het EG-Verdrag en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

10. Ingevolge artikel 8.22, eerste lid, van het Vb 2000, kan Onze Minister het rechtmatig verblijf ontzeggen of beëindigen, om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

11. Niet in geschil is dat eiser de Poolse nationaliteit heeft. Polen is met ingang van 1 mei 2004 lid van de Europese Unie, zodat op grond van de artikelen 17 en 18 van het EG-verdrag eiser een burger van de Unie is. Om deze reden geldt voor eiser niet het nationaalrechtelijke openbare orde-criterium, maar is het communautaire openbare orde-criterium, zoals hierboven weergegeven, van toepassing.

12. Verweerder heeft zich, kort samengevat, met betrekking tot de ongewenstverklaring op het standpunt gesteld dat eiser, gelet op zijn persoonlijke gedrag, een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Daartoe heeft verweerder uitgebreid en gemotiveerd overwogen dat eiser een zeer ernstig misdrijf heeft begaan. In rechte staat vast dat eiser medepleger is geweest van een groepsverkrachting en dat hij in het huis van het slachtoffer tevens diefstal met braak heeft gepleegd. Tevens heeft verweerder van belang geacht dat, blijkens het uittreksel, eiser meerdere malen is veroordeeld voor (winkel)diefstallen die hij in Nederland heeft gepleegd, zowel voorafgaand als na voornoemde delicten. Voorts blijkt uit informatie van 2 december 2008, afkomstig uit het Landelijk Strafregister van het Poolse ministerie van Justitie, dat hij in Polen is veroordeeld voor een groot aantal misdrijven. Het persoonlijke gedrag van eiser vormt op zich een ernstige bedreiging voor de openbare orde. Gelet op de aard en de ernst van het misdrijf, evenals het moment waarop het is gepleegd, waarbij verweerder heeft betrokken dat eiser zijn criminele activiteiten die hij in Polen heeft aangevangen in Nederland heeft voortgezet, wordt een serieuze kans op herhaling aanwezig geacht. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat het persoonlijk gedrag van eiser na het plegen van het misdrijf en tijdens het verblijf in detentie in positieve zin is gewijzigd. Nu derhalve niet kan worden gezegd dat eiser niet langer een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt, moet in casu vooralsnog aan de bescherming van die openbare orde overwegende betekenis worden toegekend. Daarbij heeft verweerder tevens een belangenafweging gemaakt als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van Richtlijn 2004 /38/EG. Op basis van het voorgaande kon eiser ongewenst worden verklaard, aldus verweerder.

13. Eiser heeft in beroep, met verwijzing naar zijn bezwaargronden, aangevoerd dat verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte uitsluitend heeft volstaan met een verwijzing naar de strafrechtelijke veroordeling van eiser van vier jaar als motivering voor de ongewenstverklaring. De in Nederland gepleegde diefstallen zijn immers meegenomen in het arrest van 19 juni 2008 van het Gerechtshof. Met de verwijzing naar die strafrechtelijke veroordeling heeft verweerder niet gemotiveerd dat van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde uitgaat, zoals wel vereist is ingevolge de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg (hierna: HvJ EG), en als neergelegd in de relevante artikelen van Richtlijn 2004 /38/EG. Ter ondersteuning heeft eiser gewezen op de uitspraak van 28 december 2005 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam (AWB 05/22721, LJN: AU9576). Hiermee heeft eiser niet, zoals verweerder meent, een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, maar heeft hij willen aangeven dat, in het licht van deze uitspraak, zijn gedrag niet een ernstige bedreiging vormt voor de samenleving, als hiervoor bedoeld. Verder heeft eiser wel degelijk voldaan aan verweerders verzoek om uitleg te geven over de delictomschrijvingen van de door eiser in Polen gepleegde strafbare feiten. Eiser heeft immers aangegeven dat uit het uittreksel van het Landelijke Strafregister van het Poolse ministerie van Justitie kan worden opgemaakt dat hij niet door de Poolse overheid wordt gezocht, en ook dat hij niet gesignaleerd staat. Verweerder hanteert een ruim recidivegevaar door de recidive van diefstallen op te rekken tot verkrachtingsrecidive. Bovendien heeft eiser er op gewezen dat hij bij terugkeer naar Polen vanwege de geringe werkgelegenheid aldaar geen toekomst zal hebben en hij voor zijn familie niet meer welkom is. Op grond van het voorgaande heeft verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en niet draagkrachtig gemotiveerd.

14. De rechtbank overweegt als volgt.

15. Eiser is ongewenst verklaard met toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

16. In paragraaf A5/2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc 2000) is, voor zover hier van belang, onder ad b. het door verweerder in deze zaak toegepaste en relevante beleid met betrekking tot de gronden voor ongewenstverklaring nader uitgewerkt. Voorts is in deze paragraaf aangegeven dat bij de toepassing van de ongewenstverklaring de persoonlijke belangen van de vreemdeling zorgvuldig worden afgewogen tegen het algemene belang, dat uit een oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend. In de paragrafen A5/6 (EU/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden) en B10/7.2 (Actuele bedreiging van de openbare orde en veiligheid) van de Vc 2000 is door verweerder het communautaire orde begrip nader uiteengezet.

17. De rechtbank stelt voorop dat de wijze waarop verweerder in zijn beleid op dit onderdeel toepassing heeft gegeven aan het communautaire openbare orde-criterium in overeenstemming is met de vaste jurisprudentie van het HvJ EG op dit punt.

18. Onweersproken is dat eiser blijkens het uittreksel van 12 november 2008 bij onherroepelijk geworden arrest van 19 juni 2008 door het Gerechtshof ter zake gepleegde misdrijven is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar. Verder is gebleken uit het uittreksel van 12 november 2008 dat eiser in Nederland meerdere keren is veroordeeld voor diefstal. Tenslotte is gebleken uit het uittreksel van 2 december 2008 van het Landelijk Strafregister van het Poolse ministerie van Justitie, en de daarbij behorende vertaling, dat eiser in Polen voor een groot aantal delicten is veroordeeld. Eiser is onvoorwaardelijk veroordeeld voor meerdere geldboetes, gevangenisstraffen, ondertoezichtstellingen, een taakstraf en een verbod om voertuigen te besturen. Tevens blijkt uit dit uittreksel dat eiser voorwaardelijke straffen opgelegd heeft gekregen. Naar aanleiding van de informatie uit Polen heeft eiser, op verzoek van verweerder, weliswaar bij brief van 29 december 2008 gereageerd, maar eiser heeft op geen enkele wijze aangegeven welke delictomschrijvingen horen bij welke toepasselijke artikelen uit het Poolse Wetboek van Strafrecht. Evenmin is gebleken dat eiser op een later moment objectief verifieerbare stukken heeft ingebracht die tot de conclusie hadden moeten leiden dat voornoemd uittreksel van de Poolse autoriteiten niet volledig of (ten dele) onjuist zou zijn. Daarbij acht de rechtbank tevens van belang dat eiser ter zitting zelf heeft verklaard dat deze delicten voor het merendeel diefstallen betreffen.

19. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde.

20. Beoordeeld dient te worden of deze grond voor ongewenstverklaring in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het HvJ EG.

21. In het arrest van het HvJ EG van 27 oktober 1977 in zaak nr. 30/77 (Bouchereau, Jur. 1977, blz. 1999, RV 1977, 87) is overwogen dat het aan de nationale autoriteiten en eventueel aan de nationale rechterlijke instanties is om in elk afzonderlijk geval te oordelen over het bestaan van een persoonlijk gedrag dat een actuele bedreiging van de openbare orde vormt, gelet op de bijzondere rechtspositie van de onder het gemeenschapsrecht vallende personen en op het fundamentele karakter van het beginsel van het vrij verkeer van personen. De specifieke omstandigheden die een beroep op het begrip openbare orde zouden kunnen rechtvaardigen, kunnen naar land en tijd verschillen. Mitsdien moet ten deze aan de bevoegde nationale autoriteiten een beoordelingsmarge worden toegekend binnen de door het EG-Verdrag en de ter uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen gestelde grenzen. Uit dit arrest kan tevens worden afgeleid dat artikel 3, tweede lid, van Richtlijn 64 /221/EEG aldus moet worden uitgelegd dat het bestaan van strafrechtelijke veroordelingen slechts terzake doet voor zover uit de omstandigheden die tot deze veroordelingen hebben geleid blijkt van het bestaan van een persoonlijk gedrag dat een actuele bedreiging van de openbare orde vormt.

22. Artikel 3 van Richtlijn 64 /221/EEG bepaalde dat, voor zover hier van belang, maatregelen van openbare orde of openbare veiligheid uitsluitend moeten berusten op het persoonlijk gedrag van de betrokkene en dat het bestaan van strafrechtelijke veroordelingen op zichzelf geen motivering vormt voor deze maatregelen. Bij de inwerkingtreding van de Richtlijn 2004/38/EG op 30 april 2006 is onder meer Richtlijn 64/221/EEG ingetrokken. In artikel 27, tweede lid, van Richtlijn 2004 /38/EG is bestendige jurisprudentie van het HvJ EG inzake de uitleg van het begrip openbare orde, zoals verwoord in artikel 3 van Richtlijn 64 /221/EEG, vastgelegd.

23. Van belang is derhalve of eiser op het moment van het nemen van het besluit van 8 januari 2009 nog steeds een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de openbare orde opleverde in de zin van de rechtspraak van het HvJ EG (laatstelijk het arrest van 10 juli 2008, Jipa, in zaak nr. C-33/07, punt 23, LJN: BE8914, JV 2008/290). Rechtvaardigingsgronden die niet rechtstreeks verband houden met het betrokken individuele geval of die zijn ingegeven door overwegingen van algemene preventie kunnen niet worden aanvaard.

24. In het bestreden besluit is, onder verwijzing naar het arrest van 19 juni 2008 van het Gerechtshof, uitgebreid en gemotiveerd aangegeven dat eiser samen met anderen door middel van braak de woning van het slachtoffer is binnengedrongen. Eiser heeft samen met deze anderen een aantal goederen van het slachtoffer meegenomen en vervolgens het slachtoffer tegen haar wil meegenomen naar een afgelegen plek, alwaar zij op de achterbank van de auto op zeer geweldadige en gruwelijke wijze door meerdere personen is verkracht. Daarbij is opgemerkt dat uit het arrest is gebleken dat eiser vanaf het moment dat het slachtoffer uit haar woning is ontvoerd tot en met de groepsverkrachting aanwezig is geweest, dat eiser zijn mededaders op geen enkel moment heeft weerhouden van hun daden noch zich op enige wijze van hun handelen heeft gedistantieerd. Dit klemt te meer nu hij daartoe wel de gelegenheid had, mede gelet op de omstandigheid dat het slachtoffer eerst is overgebracht vanuit haar woning naar de plaats van de verkrachting en de tijd die is gemoeid met het plegen van dit delict door de mededaders. Eiser heeft willens en wetens aan het plegen van het delict meegewerkt. Gelet op de wijze waarop en de omstandigheden waaronder deze groepsverkrachting heeft plaatsgevonden heeft het Gerechtshof, alle door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden in aanmerking nemend, de door de rechtbank te Breda opgelegde gevangenisstraf van vier jaar een alleszins passende sanctie bevonden. Voorts is gemotiveerd aangegeven door verweerder dat deze door eiser gepleegde misdrijven, ook in samenhang bezien met de andere door hem gepleegde misdrijven, zeer ernstig van aard zijn, hetgeen tot uitdrukking is gebracht in de strafoplegging van het Gerechtshof.

25. Voor zover eiser heeft gesteld dat verweerder onvoldoende de omstandigheden in aanmerking heeft genomen waaronder de delicten zijn begaan, waarbij eiser met name heeft benadrukt dat hij bij de groepsverkrachting niet in staat was in te grijpen uit angst dat de medeplegers hem en zijn toenmalige vriendin dreigden iets aan te doen, heeft verweerder in redelijkheid kunnen stellen dat de omstandigheden, verband houdende met de gepleegde misdrijven, naar vaste jurisprudentie niet in een vreemdelingrechtelijke procedure kunnen worden betrokken nu de strafrechter deze reeds heeft betrokken bij diens beoordeling van de veroordeling en de strafmaat. Derhalve faalt deze grief.

26. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voornoemde gedraging van eiser een ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt.

27. Vervolgens dient te worden beoordeeld of sprake is van een actuele bedreiging voor de openbare orde.

28. Blijkens punt 77 van het arrest van het Hof van 29 april 2004 in zaaknummers C 482/01 en C 493/01 (Orfanopoulos en Oliveri, LJN: AP1162, JV 2004/227) moeten de bevoegde nationale autoriteiten, om te beslissen of een onderdaan van een andere lidstaat in het kader van de uitzondering wegens redenen van openbare orde mag worden uitgezet, in elk concreet geval bepalen of uit de maatregel of uit de omstandigheden die tot deze veroordeling hebben geleid, blijkt van het bestaan van een persoonlijk gedrag dat een actuele bedreiging voor de openbare orde vormt.

Uit punt 78 en volgende van voornoemd arrest volgt dat nationale rechterlijke instanties bij de rechtmatigheidstoetsing van de uitzetting van een vreemdeling rekening moeten kunnen houden met feiten die zich na het laatste overheidsbesluit hebben voorgedaan en die ertoe kunnen leiden dat de actuele bedreiging die het gedrag van betrokkene voor de openbare orde vormde, verdwijnt of sterk vermindert. Dit is vooral het geval indien er tussen de datum van het besluit tot uitzetting en de datum waarop de bevoegde rechter dit besluit toetst, een langere periode is verstreken.

29. Gelet op de aard en de ernst van het misdrijven, waarvan de strafrechtelijke veroordeling in rechte vaststaat, heeft verweerder terecht aangevoerd dat de dreiging die uitgaat van de groepsverkrachting voor langere tijd zeer actueel blijft. Hierbij heeft verweerder mede in aanmerking kunnen nemen dat, blijkens het uitreksel van het Landelijk strafregister van het Poolse ministerie van Justitie, eiser in Polen meerdere malen veroordeeld is voor strafbare feiten welke hij aldaar heeft gepleegd. Verweerder heeft in het bestreden besluit een uitvoerige opsomming gemaakt van alle gepleegde misdrijven en heeft geconcludeerd dat eiser, op basis van de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie, in Polen is veroordeeld tot onder meer gevangenisstraf. Ter zitting heeft eiser daarover zelf nog verklaard dat de op het voornoemde uitreksel voorkomende delicten hoofdzakelijk betrekking hadden op diefstallen van autoradio’s, autobanden en -velgen. Aansluitend heeft verweerder zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat eiser zijn criminele activiteiten in Nederland heeft voortgezet door het herhaaldelijk plegen van winkeldiefstallen, gevolgd door inbraak in een woning en dat eiser binnen dat kader zelfs medepleger is geworden van groepsverkrachting. Aldus is sprake van een lange reeks van delicten, oplopend in ernst. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder nader uiteengezet, onder verwijzing naar het bestreden besluit, dat het in de onderhavige situatie niet enkel gaat om het feit dat sprake is van ernstige strafrechtelijke veroordelingen, zoals eiser stelt, maar dat het ook en juist om het persoonlijke gedrag van eiser gaat dat tot die veroordelingen heeft geleid. Eiser is er meerdere malen niet voor teruggeschrokken de wet te overtreden en de rechten van anderen aan te tasten. Daarbij is mede van belang dat eiser zowel voorafgaand aan de groepsverkrachting als erna, blijkens het uittreksel van 12 november 2008, is doorgegaan met het plegen van (winkel)diefstallen. Aan de omstandigheid dat eiser tijdens zijn detentie naar zijn mening blijk heeft gegeven van goed gedrag en dat er geen sprake is van recidive met betrekking tot zedendelicten hoefde verweerder in dit verband geen doorslaggevende betekenis toe te kennen. Verweerder heeft daartoe allereerst aangegeven dat aan het bestrijden en voorkomen van geweld- en zedendelicten, als het onderhavige, over het algemeen een doorslaggevend belang dient toe te komen, terwijl reeds uit de aard van het delict voortvloeit dat een gevaar voor recidive bestaat. Bovendien betreft een groepsverkrachting een zodanig ernstig en schokkerend zeden- en geweldsdelict dat verweerder ingevolge zijn ter zake gevoerde beleid, als neergelegd in B1/5.3.6 van de Vc 2000, daaraan een zwaarder belang kan toekennen. Daar komt nog bij dat is gebleken dat eiser zich op 10 september 2005 schuldig heeft gemaakt aan groepsverkrachting en inbraak, maar eerst op 23 juli 2007, blijkens het proces-verbaal van aanhouding van 25 juli 2007, is aangehouden. Nadat de identiteit was gecontroleerd heeft de politie vastgesteld dat eiser gezocht werd in verband met de verkrachtingszaak. Dat eiser na het plegen van het misdrijf op 10 september 2005 spijt heeft gekregen van zijn daden en zich bijvoorbeeld vrijwillig heeft gemeld bij de politie is aldus niet gebleken. Gelet op het voorgaande is derhalve, te rekenen vanaf het moment van aanhouding tot op heden, sprake van een relatief korte periode waaruit verweerder had moeten concluderen dat het persoonlijk gedrag van eiser na het plegen van de misdrijven en tijdens het verblijf in detentie in positieve zin is gewijzigd. Van dergelijke feiten en omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. Dat eiser zich in de penitentiaire inrichting, naar eigen zeggen, goed gedraagt maakt vorenstaande niet anders. Daarbij heeft verweerder tevens van belang kunnen achten dat eiser tijdens de ambtelijke hoorzitting van 27 november 2008 heeft aangegeven voornemens te zijn om het slachtoffer een brief te sturen, doch niet gebleken is dat hij daadwerkelijk op enig moment nadien heeft getracht jegens zijn slachtoffer spijt te betuigen.

30. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich geen feiten hebben voorgedaan die tot het oordeel leiden dat de actuele bedreiging die het gedrag van eiser voor de openbare orde vormt, is verdwenen of sterk is verminderd.

31. Voor zover eiser in dit verband in beroep opnieuw heeft verwezen naar de uitspraak van 28 december 2005 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam leidt dat de rechtbank niet tot een andersluidend oordeel. Daargelaten of eiser met de verwijzing naar deze uitspraak een beroep heeft willen doen op het gelijkheidsbeginsel, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld, en ter zitting nader toegelicht, dat in die zaak sprake was van een partnermoord met brandstichting waarvoor de vreemdeling een gevangenisstraf van dertien jaar is opgelegd. Ofschoon de rechtbank in die zaak het door de vreemdeling begane misdrijf wel als een zeer ernstige inbreuk op de openbare orde heeft aangemerkt, heeft de rechtbank verder geoordeeld, blijkens rechtsoverweging 7 van de uitspraak van 28 december 2005, dat verweerder onvoldoende onderzoek had verricht naar de vraag of in het persoonlijke gedrag van de desbetreffende vreemdeling ten tijde van de behandeling van het beroep nog immer een actuele bedreiging van de openbare orde was gelegen. Daarbij achtte de rechtbank van belang dat volgens criminologische literatuur bij partnermoord een zeer kleine kans op recidive bestaat en de vreemdeling verder gedurende zijn langdurig verblijf voorafgaand aan het gepleegde misdrijf, en ook gedurende een periode van zes jaar na het plegen van het misdrijf tot aan zijn inhechtenisneming, nimmer een strafbaar feit heeft gepleegd. Om die redenen heeft de rechtbank in die zaak geoordeeld dat het bestreden besluit met betrekking tot de actuele bedreiging die uit zou gaan van de vreemdeling onvoldoende was voorbereid en een deugdelijke motivering ontbeerde. Anders dan eiser meent, valt uit deze uitspraak niet een zodanige norm af te leiden dat verweerder in onderhavige zaak daaraan toepassing had moeten geven en aldus ook in deze zaak niet dan wel niet afdoende heeft onderzocht of bij eiser van een actuele bedreiging sprake is. Verweerder heeft in het bestreden besluit, in samenhang bezien met het verweerschrift en de toelichting ter zitting, voldoende onderbouwd dat uit de reeks van delicten die eiser heeft gepleegd wel degelijk kan worden afgeleid dat sprake is van persoonlijk gedrag dat een actuele werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde. Ook als de meeste aan eiser opgelegde straffen, ieder op zichzelf bezien, in zwaarte slechts relatief hoog te noemen zijn.

32. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerders standpunt inzake de belangenafweging als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Richtlijn 2004 /38/EG de toetsing in rechte kan doorstaan. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder, mede onder verwijzing naar het primaire besluit, aangegeven geen zwaarwegende redenen te zien om af te zien van verwijdering van eiser op grond van openbare orde. Daartoe heeft verweerder uitvoerig gemotiveerd dat de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd met betrekking tot de duur van zijn verblijf in Nederland, zijn leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in Nederland en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn herkomstland in overweging heeft genomen alvorens over te gaan tot ongewenstverklaring van eiser. Verweerder heeft daarin, ook in samenhang bezien, geen zwaarwegende redenen gezien om af te zien van de ongewenstverklaring.

33. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in de gronden van beroep verweerders standpunt dienaangaande onvoldoende gemotiveerd weersproken. De enkele stelling in beroep dat de economische situatie in Polen weinig rooskleurig is, leidt niet tot de conclusie dat verweerder om die reden had moeten afzien van de ongewenstverklaring. Niet valt in te zien dat eiser, een gezonde en volwassen jongeman, niet in staat zou zijn zich in Polen te handhaven. De stelling dat hij niet meer welkom is bij zijn familie is verder niet nader geconcretiseerd, en kan evenmin afdoen aan het voorgaande. Voor zover eiser zich tenslotte nog heeft beroepen op artikel 16 van Richtlijn 2004 /38/EG kan deze stelling niet slagen, nu eiser miskent dat, nog afgezien van het feit dat onduidelijk is op welk moment eiser Nederland is binnengekomen en vanaf wanneer hij rechtmatig verblijf heeft verkregen, met de beschikking van 21 juli 2008 een einde is gekomen aan zijn rechtmatig verblijf op grond van voornoemde Richtlijn. Van een ononderbroken periode van vijf jaar legaal verblijf, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van Richtlijn 2004 /38/EG, is derhalve geen sprake, zodat artikel 8:18 van het Vb 2000, anders dan eiser meent, niet van toepassing is op de situatie van eiser.

34. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van al het voorgaande een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang van de openbare orde dan aan het persoonlijk belang van eiser. Hetgeen verweerder daaromtrent heeft overwogen kan de rechterlijke toetsing doorstaan. Derhalve heeft verweerder eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 ongewenst kunnen verklaren.

35. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor de conclusie dat in casu sprake is van schending van het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel, zoals eiser heeft gesteld.

36. Het vorenstaande brengt met zich dat het beroep in zoverre ongegrond dient te worden verklaard.

Beëindiging van het verblijfsrecht op grond van Richtlijn 2004/38/EG

37. Ten aanzien van de beëindiging van eisers verblijfsrecht op grond van Richtlijn 2004/38/EG ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of eiser in zoverre belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep, nu uit het voorgaande blijkt dat eiser op goede gronden ongewenst is verklaard en de ongewenstverklaring voortduurt. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

38. Ingevolge artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 kan een ongewenst verklaarde vreemdeling in afwijking van artikel 8 van de Vw 2000 geen rechtmatig verblijf hebben.

39. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling verbindt artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 aan de ongewenstverklaring het gevolg dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben, zolang die ongewenstverklaring voortduurt. Nu in het geval van eiser zijn ongewenstverklaring, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog immer voortduurt, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank thans in zoverre geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn verblijfsaanspraken op grond van Richtlijn 2004/38/EG. Daarbij overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar de in rechtsoverweging 3 genoemde jurisprudentie van de Afdeling, dat eiser, indien het besluit tot ongewenstverklaring wordt vernietigd, ingetrokken dan wel opgeheven, zich dan opnieuw kan beroepen op het verblijfsrecht op grond van Richtlijn 2004/38/EG, waarbij het algemene rechtsbeginsel dat eenzelfde geschil niet tweemaal aan de rechter kan worden voorgelegd, niet aan toetsing van het daarop te nemen besluit in de weg staat.

40. Het vorenstaande brengt mee dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

41. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de ongewenstverklaring, ongegrond;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de beëindiging van het verblijfsrecht op grond van Richtlijn 2004/38/EG, niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door mr. I.S. Peskens als voorzitter en mr. E.H.M. Druijf en mr. J.Y. van de Kraats als leden van de meervoudige kamer als rechter in tegenwoordigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2010.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Afschriften verzonden:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature