E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM1545
LJN BM1545, Rechtbank 's-Gravenhage, AWB 09/24601

Inhoudsindicatie:

Ingevolge artikel 3.86 lid 3 Vb 2000 dient bij een in het buitenland gepleegd of bestraft misdrijf een strafmaatvergelijking plaats te vinden met de strafmaat die in Nederland zou zijn opgelegd. Hiertoe vraagt verweerder advies aan de OvJ. Ten aanzien van dit advies overweegt de rechtbank, in navolging van de Afdeling (JV 2004), dat dit in beginsel kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder. Indien een zodanig advies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, mag verweerder van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval van dit laatste sprake.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voor de strafmaatvergelijking niet uitsluitend heeft mogen baseren op hetgeen de OvJ zou hebben geëist. De enkele eis van de OvJ acht de rechtbank onvoldoende voor de beoordeling of de in het buitenland opgelegde straf vergelijkbaar is met de strafmaat die in Nederland zou zijn opgelegd wanneer. De rechtbank is van oordeel dat het advies van de OvJ onvoldoende informatie bevat om tot een adequate strafmaatvergelijking te komen, nu uit dat advies niet blijkt of de OvJ bij zijn onderzoek zich heeft georiënteerd op bijvoorbeeld recente jurisprudentie waaruit blijkt welke straffen in soortgelijke gevallen als de onderhavige door de rechter zijn opgelegd of de zogenoemde oriëntatiepunten van straftoemeting en LOVS-afspraken. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder nader toegelicht dat verweerder bij de strafmaatvergelijking van in het buitenland gepleegde strafbare feiten niet anders kan dan aan het OM te vragen welke straf in Nederland zou zijn geëist. Dat daarbij wordt aangesloten bij de gepubliceerde richtlijnen van het OM met betrekking tot de eis van de OvJ acht de rechtbank echter onvoldoende. De rechtbank onderkent dat het voor een OvJ niet mogelijk zal zijn aan te geven welke straf uiteindelijk door de Nederlandse rechter zou zijn opgelegd. Het moet echter wel mogelijk worden geacht een, op jurisprudentie en oriëntatiepunten van straftoemeting gebaseerde, inschatting te geven van de in Nederland te verwachten straf. Thans is slechts de te verwachten eis van de OvJ bij de beoordeling door verweerder betrokken. Het staat de OvJ vrij om, om hem moverende redenen, een eis te formuleren die hoger ligt dan hetgeen gemiddeld genomen voor een dergelijk delict door de rechter wordt opgelegd. Hiermee wordt thans op geen enkele wijze rekening gehouden. De rechtbank acht dit onjuist, mede gelet op de ingrijpendheid van het besluit dat op het advies van de OvJ is gebaseerd. Voor zover in verweerders beleid (B1/5.3.6 Vc 2000) is bepaald dat voor de strafmaatvergelijking wordt aangesloten bij de gepubliceerde richtlijnen van het OM met betrekking tot de eis van de OvJ, verhoudt dit beleid zich niet (geheel) met artikel 3.86, derde lid, van het Vb 2000, zijnde een AVV waarvan niet bij beleidsregel kan worden afgeweken.

Verweerder heeft zich derhalve niet uitsluitend op de strafeis van de OvJ mogen baseren. Beroep gegrond.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie