< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Verdachte heeft op 18 november 2009 het slachtoffer, die hij al meer dan 20 jaar kende, vermoord. Verdachte heeft verklaard dat hij het delict heeft gepleegd omdat het slachtoffer hem en zijn familie bedreigde en beledigde. Verdachte heeft hierop door het slachtoffer van het leven te beroven buitengewoon egoïstisch en disproportioneel gereageerd. Gevangenisstraf van 14 jaar met aftrek.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/758807-09

Datum uitspraak: 17 maart 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1957 te [plaats] (Turkije),

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Midden Holland - HvB De Geniepoort" te Alphen aan den Rijn.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 3 maart 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.A.C. Banning en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. M.S.M. Dietz de Loos-Schrijver, advocaat te Wassenaar, en door verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 november 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen (van/op korte afstand) vier, althans een of meerdere kogel(s) in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 18 november 2009 en 19 november 2009 te 's-Gravenhage een wapen van categorie III, te weten een semi-automatisch vuurwapen (merk: FN, model: 1910/22, kaliber: 7.65 mm), en/of munitie van categorie III, te weten twee of meerdere (volmantel)patronen (merk: Sellier & Bellot, kaliber: 7.65 mm), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt, kort en feitelijk weergegeven, erop neer dat verdachte op 18 november 2009 te 's-Gravenhage [slachtoffer] heeft doodgeschoten. Onder feit 1 impliciet primair is dit ten laste gelegd als moord en onder feit 1 impliciet subsidiair is dit ten laste gelegd als doodslag. Daarnaast wordt verdachte verweten dat hij op 18 november 2009 en 19 november 2009 te 's-Gravenhage een semi-automatisch vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte feit 1 impliciet primair en feit 2 heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Het standpunt van de raadsvrouw komt, zakelijk weergegeven, erop neer dat verdachte het slachtoffer niet opzettelijk heeft gedood. Nu bij verdachte reeds het opzet op de dood van het slachtoffer [slachtoffer] ontbrak, kan evenmin sprake zijn van voorbedachte rade. De rechtbank begrijpt hetgeen de raadsvrouw in dit kader heeft aangevoerd aldus, dat verdachte heeft gehandeld vanuit een extreme en acute stresssituatie, waardoor hij - mogelijkerwijs mede opgewekt door zijn suikerziekte - een black-out heeft gekregen en zich niet meer bewust was van zijn handelen. Verdachte dient derhalve van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde (moord) alsmede het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde (doodslag) te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

Het wapenbezit kan volgens de raadsvrouw van verdachte wel wettig en overtuigend bewezen worden.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging1*

Feit 1

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Op 18 november 2009, omstreeks 15.35 uur, is de politie naar aanleiding van een melding naar de Paul Krugerlaan te 's-Gravenhage gestuurd, alwaar even te voren geschoten zou zijn. De als eerste ter plaatse gekomen verbalisanten zagen ter hoogte van perceel 204 een groep van ongeveer 50 personen staan. Op het moment dat zij uitstapten, hoorden zij diverse personen roepen dat een man was neergeschoten. De verbalisanten zagen het slachtoffer op de grond liggen. Van omstanders hoorden zij dat het slachtoffer in de rug was geschoten. De verbalisanten zagen en voelden dat het slachtoffer geen teken van leven meer vertoonde. Hierop zijn zij direct met de reanimatie gestart. Nadat de ambulancedienst ter plaatse kwam heeft zij de zorg voor het slachtoffer overgenomen. Na enige tijd bleek het slachtoffer te zijn overleden en is met de reanimatie gestopt. Het slachtoffer bleek te zijn [slachtoffer], geboren op [datum] 1954 te [plaats], Turkije ([slachtoffer] zal hierna verder worden genoemd: het slachtoffer).2* Op het stoffelijk overschot heeft een sectie plaatsgevonden in het Nederlands Forensisch Instituut. Er bevonden zich twee kogels in het lichaam van het slachtoffer.3* Hiernaast zijn twee kogels in zijn kleding aangetroffen.4* Op de rijbaan van de Paul Krugerlaan werden vier hulzen aangetroffen.5*

Op 27 november 2009 heeft A. Maes, arts en patholoog, een schouw verricht op het stoffelijk overschot van het slachtoffer. Uit haar deskundigenrapport blijkt - zakelijk weergegeven - het volgende.

Er was sprake van vier schotkanalen. Twee hiervan verliepen door de borstkas links en rechts, van achteren naar voren, met daarbij perforatie van de beide longen en de bovenbuik met een perforatie van de maag, dikke darm en de milt. Één inschotopening bevond zich rechtsachter in de borstkas met een perforatie van de wervelkolom en een kogel in een wervellichaam. Het laatste schotkanaal verliep dwars door de borstkas vanaf de rechterschouder tot in de linkeroksel met eveneens een perforatie van beide longen en de beide longwortels. Er bevond zich een kogel in de linkeroksel aan het eind van het schotkanaal. Het slachtoffer had veel bloed verloren en er waren bleke bloedarme inwendige organen. Het overlijden van het slachtoffer is het gevolg van het massale bloedverlies en functieverlies van de longen. Het slachtoffer is overleden ten gevolge van het meervoudige schotletsel.6*

Direct na het dodelijke schietincident is aan de politie gemeld dat de schutter zou zijn weggereden in een zwarte personenauto, merk Audi , voorzien van kenteken [KENTEKEN].7* Dit kenteken bleek te zijn afgegeven aan verdachte.8*

Op 19 november 2009, omstreeks 01.25 uur, meldde verdachte zich bij het politiebureau Segbroek te 's-Gravenhage. De aanwezige verbalisant hoorde verdachte zeggen: "Ik heb probleem, ik heb gedaan." Nadat de desbetreffende verbalisant er een collega bij had gehaald, verklaarde verdachte tegen hen: "Ik heb iemand doodgeschoten. Ik heb een wapen bij mij. Ik heb hem in mijn broek." Hierop hebben de verbalisanten verdachte aangehouden en het bij verdachte in de broeksband aangetroffen pistool in beslag genomen.9* Tijdens het verhoor ter inverzekeringstelling, omstreeks 01.42 uur diezelfde nacht, heeft verdachte verklaard: "Ik meld mij als schutter van de schietpartij eerder vandaag op de Paul Krugerlaan."10*

In zijn eerste verhoor bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij en het slachtoffer elkaar sinds 1985/1986 kennen. Zij waren zakenpartners. Vanaf 2001 tot aan 2007 hebben zij samen een koffiehuis gerund aan de Paul Krugerlaan. In 2007 is verdachte daarmee gestopt en heeft het slachtoffer de desbetreffende bar met anderen voortgezet. Vanaf die tijd hadden verdachte en het slachtoffer een conflict over schulden bij de Belastingdienst, ontstaan in de periode dat zij hadden samengewerkt. Sindsdien praatten zij niet meer met elkaar. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij op 18 november 2009 in de middag met de auto, merk Audi, voorzien van kenteken [KENTEKEN], over de Paul Krugerlaan richting het Paul Krugerplein reed en het slachtoffer aldaar tegenkwam.11* Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat dit omstreeks 15.00 uur geweest zou kunnen zijn.12* Het slachtoffer wenkte hem en verdachte parkeerde daarop zijn auto aan de Paul Krugerlaan, nabij de Basismarkt, met de bestuurderskant aan de zijde van de weg. Ze kwamen met elkaar in gesprek over de desbetreffende belastingproblemen. Het gesprek tussen verdachte en het slachtoffer heeft ongeveer een half uur geduurd.13* Verdachte leunde tegen de achterbak van zijn auto en het slachtoffer stond tegenover hem op het trottoir. In het begin verliep het gesprek rustig, maar op een gegeven moment zei het slachtoffer tegen verdachte dat hij nog geld van hem kreeg. Verdachte was het hier niet mee eens en vervolgens begon het slachtoffer verdachte te beledigen en te bedreigen; het slachtoffer beledigde ook zijn familie. Verdachte heeft verklaard dat hij in zijn leven nog nooit zo beledigd is. Hij kon zich op dat moment niet langer inhouden. Hij raakte buiten zinnen. Hij liep een stukje om zijn auto heen, naar de bestuurderskant, alwaar het wapen lag, onder de bestuurdersstoel, in een stoffen tas, en hij heeft het wapen uit zijn auto gepakt. Hij heeft verklaard dat het wapen op dat moment op de veiligheidspal stond en niet was doorgeladen. Op het moment dat hij het wapen pakte bevond zich nog geen twee meter tussen hem en het slachtoffer.14* Vlak hiervoor had het slachtoffer zich omgedraaid. Nadat hij geschoten had kon verdachte zijn autosleutels niet meer vinden. Na even te hebben gezocht vond hij zijn autosleutels in zijn zak. Hij zag op dat moment dat hij het vuurwapen in zijn rechterhand had. Vervolgens is hij in zijn auto gestapt en weggereden.15* 's Nachts heeft hij zich uiteindelijk bij de politie gemeld.16*

De verklaringen van verdachte met betrekking tot de gebeurtenissen op 18 november 2009 vinden steun in de verklaringen van verschillende getuigen.

Zo heeft getuige [1] verklaard dat hij op 18 november 2009 samen met een vriend, getuige [2], op de Paul Krugerlaan te Den Haag naar de pinautomaat van de ING liep. Daar aangekomen zag hij een stukje verderop twee mannen bij elkaar staan. Omstreeks 15.30 uur, toen hij net wilde gaan pinnen, hoorde hij geschreeuw vanaf de plaats waar hij de twee mannen had zien staan. Op het moment dat hij in de richting van het geschreeuw keek, hoorde hij direct een knal. Het slachtoffer stond op dat moment ongeveer 10 meter van hem vandaan. Hij zag het slachtoffer in zijn richting lopen en dat achter het slachtoffer een andere man stond. Hij zag dat het ging om de mannen die hij even daarvoor bij elkaar had zien staan. Vervolgens hoorde hij nog 3 knallen en hij zag dat het slachtoffer bij een lantaarnpaal op de grond viel. Hij realiseerde zich dat er geschoten was en zag dat de man die achter het slachtoffer stond, de schutter, in zijn rechterhand een pistool vasthad. Hierop zag hij dat de schutter zich omdraaide en wegliep naar een auto die langs de weg geparkeerd stond. Hij zag dat de schutter nog keek naar alle mensen die naar het slachtoffer toeliepen. Vervolgens zag hij dat de schutter naar de bestuurszijde van de auto liep en in de auto stapte. Hij zag de schutter uiteindelijk wegrijden in de richting van het Paul Krugerplein. De auto betrof een zwarte Audi, voorzien van het kenteken [KENTEKEN]. De schutter betrof een man van Turkse afkomst, tussen de 50 en 60 jaar oud met een buikje, een vol gezicht en een kale kruin.17*

Getuige [2] heeft verklaard dat hij op het moment dat getuige [1] wilde gaan pinnen geschreeuw hoorde. Hij keek in de richting van het geschreeuw en zag een Turkse man zijn kant op kijken. Achter deze man zag hij een andere Turkse man staan. Deze man had een rond gezicht en een buikje. Tevens was zijn kruin zichtbaar. [getuige 2] hoorde een schot en even later hoorde hij nog twee of drie schoten achter elkaar. Hij zag dat het slachtoffer naar zijn zij greep en dat hij nog een stukje doorliep. Op nog geen acht meter afstand van hem zakte het slachtoffer in elkaar. Hij zag dat de schutter zich omdraaide en rustig naar een auto liep. Het was een zwarte Audi voorzien van het kenteken [KENTEKEN]. Hij zag dat de schutter instapte en wegreed in de richting van het Paul Krugerplein.18*

Getuige [3] heeft verklaard dat zij op 18 november 2009 om ongeveer 15.30 uur over het zebrapad in de Paul Krugerlaan te Den Haag liep.19* Zij liep vanaf de kant van de Basismarkt naar de overkant. Op het moment dat zij op het zebrapad liep, hoorde zij knallen. Zij keerde haar gezicht in de richting van waar de knallen kwamen en zag twee mannen achter elkaar staan, met hun gezicht van haar afgewend. Zij zag dat de voorste man een meter of twee in de richting van de pinautomaat liep en hoorde tijdens het lopen van die man schoten. Ze zag rook uit de rugzijde van die man komen. Zij zag het slachtoffer kort daarop op de grond vallen. [getuige 3] begreep dat het slachtoffer was neergeschoten door de man die achter hem stond. Deze man stond nog geen meter van het slachtoffer vandaan. Zij zag die man nadat het slachtoffer was neergevallen nog een poosje blijven staan en zag hem, nadat zij een winkel was binnengegaan, op de bestuurdersplaats van een zwarte Audi zitten.20* Het betrof een Turkse man, met een dikke buik en een zwarte jas tot op zijn heupen.21*22*

Getuige [4] heeft verklaard dat hij op het desbetreffende moment en de desbetreffende plaats twee mannen achter elkaar heeft zien lopen en dat hij heeft gezien dat de achterste man een pistool in zijn hand had en die man plotseling met gestrekte arm drie of vier keer schoot in de richting van de voorste man.23*

Naast de getuigenverklaringen vinden de verklaringen van verdachte met betrekking tot het delict eveneens steun in het forensisch technisch onderzoek naar het wapen en de munitie. Uit dit onderzoek is gebleken dat de vier op de rijbaan van de Paul Krugerlaan aangetroffen hulzen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn verschoten met het bij verdachte in beslaggenomen pistool. De vier aangetroffen kogels - twee in het lichaam van het slachtoffer en twee in zijn kleding - zijn met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afgevuurd uit de loop van het bij verdachte inbeslaggenomen pistool.24*

Tot slot is, gelijk door verdachte is verklaard, tijdens de doorzoeking van zijn auto onder de bestuurdersstoel een wit gekleurde stoffen tas aangetroffen.25*

Gelet op voormelde verklaringen van verdachte, de verklaringen van de getuigen, alsmede hetgeen uit het pathologisch onderzoek, het onderzoek naar het wapen en de munitie en de doorzoeking van verdachtes auto is gebleken, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 18 november 2009 te Den Haag viermaal van dichtbij met een pistool op het slachtoffer heeft geschoten en dat deze ten gevolge daarvan is overleden.

Daarbij overweegt de rechtbank met betrekking tot de voor het bewijs gebruikte delen van de verklaringen van verdachte in het bijzonder nog het volgende.

Verdachte heeft zowel ter terechtzitting als gedurende zijn verhoren tijdens het politieonderzoek wisselend verklaard over de momenten van het incident die hij zich nog wel kan herinneren en die hij zich niet meer kan herinneren. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij het wapen heeft gepakt en op het slachtoffer heeft geschoten. De rechtbank ziet echter geen reden om aan hetgeen verdachte eerder omtrent de gang van zaken rond het schietincident heeft verklaard, zoals hierboven weergegeven, te twijfelen. Daarbij wijst de rechtbank allereerst erop dat verdachte in de nacht van 18 op 19 november 2009 bij zijn eerste contact met de politie en kort na zijn aanhouding spontaan en uit zichzelf heeft verklaard dat hij iemand heeft doodgeschoten met het wapen dat hij op dat moment bij zich droeg en dat hij zich meldde als de schutter van de schietpartij "eerder vandaag" op de Paul Krugerlaan. Daaruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat verdachte na het schietincident (nog) wist dat hij met zijn wapen op het slachtoffer had geschoten.

De weergegeven verklaring van verdachte over de wijze waarop het schietincident is verlopen vindt bovendien steun in andere bewijsmiddelen, met name in de verklaringen van de getuigen, die het incident van dichtbij hebben meegemaakt. Verder komt verdachtes verklaring over hetgeen kort voor en kort na het schietincident heeft plaatsgevonden, in beduidende mate overeen met hetgeen de getuigen hebben verklaard over hetgeen zij hebben waargenomen.

Ook de omstandigheid dat alleen verdachte heeft verklaard dat hij het wapen uit zijn auto heeft gepakt, geeft geen reden om aan dit onderdeel van zijn verklaring te twijfelen. Weliswaar heeft geen van de getuigen verklaard te hebben gezien dat verdachte een wapen uit de auto haalde, maar deze gang van zaken wordt door de getuigenverklaringen ook niet weersproken. Immers, uit geen van de getuigenverklaringen blijkt dat een getuige het gesprek tussen verdachte en het slachtoffer (vanaf het moment dat de ruzie ontstond) tot en met het moment dat verdachte het slachtoffer heeft neergeschoten, onafgebroken heeft gevolgd.

Verder is van belang dat verdachte heeft verklaard dat hij het wapen uit een stoffen tas onder de bestuurdersstoel van zijn auto vandaan heeft gehaald en in de auto van verdachte onder die stoel een witte stoffen tas is aangetroffen en dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard die tas op een foto als de door hem bedoelde tas te herkennen.

Voorts kan het niet anders zijn dan dat verdachte, nadat hij het wapen had gepakt, dit heeft ontgrendeld en doorgeladen, nu verdachte immers zelf heeft verklaard dat het wapen dat zich in de auto bevond op de veiligheidspal stond en niet was doorgeladen.

Tenslotte overweegt de rechtbank dat de verklaring van verdachte de rechtbank ook niet onlogisch voorkomt.

De rechtbank gaat op grond van het voorgaande dan ook ervan uit dat verdachte, nadat hij door het slachtoffer werd beledigd en bedreigd, van de achterbak van zijn auto naar de deur van de bestuurdersplaats is gelopen, onder de bestuurdersstoel zijn pistool vandaan heeft gehaald, deze van de veiligheidspal heeft gehaald en heeft doorgeladen, en vervolgens meermalen op het slachtoffer heeft geschoten. Voorts gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte ongeveer ter hoogte van de deur aan de bestuurderskant stond op het moment dat hij het eerste schot op het slachtoffer loste. Dit leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat in het kader van het forensisch technisch onderzoek naar de plaats delict tussen het parkeervak naast het trottoir waar het slachtoffer is aangetroffen en de trambaan in de Paul Krugerlaan vier hulzen zijn aangetroffen en uit de omstandigheid dat het wapen waarmee verdachte heeft geschoten een naar rechts uitwerpend wapen betreft.26* Tevens gaat de rechtbank, gelet op de getuigenverklaringen en het feit dat het slachtoffer blijkens het pathologisch onderzoek in zijn schouder en zijn rug is geschoten, ervan uit dat het slachtoffer zich met zijn rug naar verdachte had gekeerd op het moment dat verdachte begon te schieten.

Opzet

De raadsvrouw van verdachte heeft betoogd dat verdachte geen opzet had op de dood van het slachtoffer, vanwege de stresssituatie waarin hij zich tengevolge van de beledigingen en bedreigingen bevond en een daardoor ontstane black-out. Verdachte zou zich niet meer bewust zijn geweest van zijn handelen. Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen gaat zij uit van de verklaringen van verdachte zoals hierboven weergegeven. Uit die verklaringen blijkt niet dat verdachte een black-out (in de vorm van een tijdelijk verlies van het bewustzijn) had ten tijde van het incident. Ook anderszins is daarvan naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. In dat verband verwijst de rechtbank tevens naar haar overwegingen in het vervolg van dit vonnis, omtrent de strafbaarheid van verdachte.

De rechtbank gaat dan ook ervan uit dat verdachte bewust en gericht geschoten heeft. Uit het enkele feit dat het slachtoffer vier maal in zijn bovenlichaam is geraakt kan voorts worden afgeleid dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door de schotwonden zou komen te overlijden. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat door het herhaaldelijk, van dichtbij schieten op een deel van het lichaam waar zich meerdere vitale organen bevinden een aanmerkelijke kans bestaat dat iemand ten gevolge daarvan het leven verliest. Verdachte had derhalve (in ieder geval) voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.

Voorbedachte rade

Wat betreft de bewezenverklaring van de voor moord vereiste voorbedachte rade overweegt de rechtbank als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, niet worden afgeleid dat verdachte reeds voordat hij het slachtoffer tegenkwam, het plan had om hem van het leven te beroven. De enkele verklaring van getuige [5] omtrent het gesprek dat hij met verdachte zou hebben gehad in café [café] acht de rechtbank daarvoor - mede gezien de ontkenning van verdachte op dit punt - onvoldoende, nu de inhoud van dit gesprek op geen enkele wijze bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, met name niet in de verklaring van de eigenaar van het café, getuige [6].

Dit betekent echter niet dat in deze geen sprake kan zijn van voorbedachte rade. Naar vaste rechtspraak is voor bewezenverklaring van voorbedachte rade immers voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.27*

De rechtbank neemt ook in dit verband tot uitgangspunt dat verdachte bewust geschoten heeft. Voorts heeft de rechtbank reeds overwogen dat zij ervan uit gaat dat verdachte, nadat hij door het slachtoffer werd beledigd en bedreigd, van de achterbak naar de deur van de bestuurdersplaats van zijn auto is gelopen. Vervolgens heeft hij onder de bestuurdersstoel de witte stoffen tas met zijn pistool tevoorschijn gehaald en het pistool uit die tas gehaald. Daarna heeft hij de veiligheidspal eraf gehaald, het pistool doorgeladen en vanaf een korte afstand vier kogels richting het slachtoffer afgevuurd. Verdachte heeft derhalve welbewust een aantal handelingen moeten verrichten, voordat hij het pistool in zijn handen had, waarna hij vervolgens nog meerdere handelingen heeft moeten verrichten om het wapen klaar te maken voor gebruik. Op grond van de verklaringen van getuigen [1] en [2] gaat de rechtbank voorts ervan uit dat verdachte eerst één kogel heeft afgevuurd op het slachtoffer en na een korte pauze nog drie schoten heeft gelost. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte kennelijk de keuze heeft gemaakt om na het eerste schot met zijn handelen door te gaan en nogmaals op het slachtoffer te schieten, in plaats van daarmee op te houden en het wapen neer te leggen.

De omschreven handelingen van verdachte vormen als het ware een aaneenschakeling van keuzemomenten. Dat deze momenten relatief kort zijn geweest doet daaraan, gelet op bovenbedoelde jurisprudentie, niet af. Verdachte heeft meermalen de gelegenheid gehad zich te beraden op het te nemen en uiteindelijk door hem genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de eventuele gevolgen van zijn (voorgenomen) gedragingen en zich daarvan rekenschap te geven. Desondanks is verdachte doorgegaan met zijn handelingen en heeft hij uiteindelijk viermaal - gericht en met dodelijke afloop - op het slachtoffer geschoten.

De rechtbank acht dan ook, zoals onder 1 impliciet primair ten laste is gelegd, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven heeft beroofd.

Feit 2

Verdachte heeft zich op 19 november 2009 bij de politie gemeld en had op dat moment een vuurwapen bij zich. Dit wapen is in beslaggenomen.28* Verdachte heeft bekend dat hij met datzelfde wapen het delict op 18 november 2009 heeft gepleegd.29* Dit wordt bevestigd door het onderzoek met betrekking tot het wapen en de munitie, het pathologische onderzoek en het onderzoek op de plaats delict. Hieruit blijkt immers het volgende. In het lichaam en de kleding van het slachtoffer zijn in totaal vier kogels aangetroffen.30*31* Ook zijn vier hulzen op de plaats van het delict aangetroffen.32* De vier op de rijbaan van de Paul Krugerlaan aangetroffen hulzen zijn met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verschoten met het bij verdachte op 19 november 2009 in beslaggenomen pistool en de vier aangetroffen kogels zijn met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afgevuurd uit de loop van het bij verdachte inbeslaggenomen pistool.33*

De rechtbank acht op grond hiervan wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 18 november en 19 november 2009 het bij hem in beslag genomen wapen voorhanden heeft gehad. Voorts zijn op 19 november 2009 in voormeld wapen 2 patronen aangetroffen. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook die patronen op die datum voorhanden heeft gehad.

Uit nader onderzoek naar het wapen en de munitie is gebleken dat het wapen betrof een semi-automatisch vuurwapen van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, merk FN, model 1910/22, kaliber 7.65 mm, en de munitie betrof volmantelpatronen van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, merk Sellier & Bellot, kaliber 7.65 mm.34*

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 impliciet primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

1.

hij op 18 november 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen van korte afstand vier kogels in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op 18 november 2009 en 19 november 2009 te 's-Gravenhage een wapen van categorie III, te weten een semi-automatisch vuurwapen merk: FN, model: 1910/22, kaliber: 7.65 mm, en munitie van categorie III, te weten twee volmantelpatronen merk: Sellier & Bellot, kaliber: 7.65 mm, voorhanden heeft gehad.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

5.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat ten tijde van het incident sprake was van psychische overmacht bij verdachte, zodat hij niet strafbaar geacht kan worden voor het onder 1 ten laste gelegde feit. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat bij verdachte sprake was van een verontschuldigende extreme en acute stresssituatie, bestaande uit bedreigingen en beledigingen door het slachtoffer, waaronder hij gebukt is gegaan en waaraan hij uiteindelijk heeft toegegeven door met een pistool op het slachtoffer te schieten. Dat hiervan bij verdachte sprake was blijkt volgens de raadsvrouw mede uit de omstandigheid dat hij naar eigen zeggen een black-out heeft gekregen tijdens het incident. Die black-out zou kunnen zijn ontstaan doordat verdachte suikerziekte heeft, hetgeen ertoe kan leiden dat hij bij hevige stress zijn geheugen verliest, aldus de raadsvrouw.

5.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat verdachte geen gerechtvaardigd beroep op psychische overmacht toekomt, omdat nergens uit blijkt dat ten tijde van het gebeurde sprake was van een door het slachtoffer opgewekte extreme en acute stresssituatie bij verdachte. Er was voorts geen sprake van een black-out bij verdachte, hetgeen onder meer blijkt uit de verklaringen van verdachte dat hij zich het gebeurde kan herinneren.

5.3 Het oordeel van de rechtbank.

Psychische overmacht

De rechtbank overweegt in dit verband allereerst het volgende. Een beroep op psychische overmacht komt toe aan diegene die handelt op grond van een van buiten komende dwang waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden en ook niet behoefde te bieden. Dit betekent dat het hier in zijn algemeenheid gaat om situaties waarin weliswaar bewust is gehandeld, maar dit handelen aan degene die de gedragingen heeft verricht niet kan worden tegengeworpen, omdat van hem redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij in die situatie anders zou handelen dan hij heeft gedaan.

Voor zover de raadsvrouw van verdachte voor haar verweer mede op het oog heeft de verklaring van verdachte dat hij dacht dat het slachtoffer, toen het slachtoffer zich omdraaide, een pistool pakte en hij daarom erg bang werd (en op grond van die bij hem ontstane angst is gaan schieten),35* overweegt de rechtbank dat zij die verklaring ongeloofwaardig acht. Verdachte heeft dit pas tijdens zijn vierde politieverhoor verklaard, terwijl - uitgaande van de juistheid van die verklaring - de opgewekte angstgevoelens van verdachte zodanig intens waren dat deze de aanleiding vormden om het wapen te pakken en vervolgens op het slachtoffer te schieten. Alsdan mag worden aangenomen dat een en ander een zodanige indruk op verdachte heeft gemaakt dat het - met name gezien het feit dat dit in de lezing van verdachte de directe aanleiding voor het schietincident was - voor de hand ligt dat verdachte hierover reeds vanaf het begin zou hebben verklaard. Daarvan is echter zoals gezegd geen sprake. Verder heeft verdachte ook ter terechtzitting niet precies kunnen uitleggen op grond van welke handelingen van het slachtoffer die ernstige vrees bij hem opkwam, laat staan dat die vrees terecht was. Hij heeft immers niet verklaard ooit eerder door het slachtoffer met een wapen te zijn bedreigd. Ook overigens kan uit het dossier niet worden afgeleid dat het slachtoffer, zoals verdachte heeft verklaard, altijd een wapen op zak had. Het feit dat bij het slachtoffer geen wapen is aangetroffen, vormt daarvoor juist een contra-indicatie.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat - afgezien van het vorenstaande - ook indien wel van een zodanige vrees bij verdachte sprake zou zijn geweest, onder de gegeven omstandigheden niet kan worden gezegd dat van hem redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij in de gegeven situatie anders zou handelen dan hij heeft gedaan. Immers, nu verdachte kennelijk de tijd heeft gehad om om zijn auto heen te lopen en het wapen te pakken, had hij in plaats daarvan ook kunnen wegrennen. Daarvoor bestond bij uitstek ook alle gelegenheid, nu het slachtoffer op dat moment met zijn rug naar verdachte toegekeerd stond.

De rechtbank verwerpt daarom het beroep op psychische overmacht.

Ontoerekeningsvatbaarheid

Hetgeen de raadsvrouw voor het overige in dit kader heeft aangevoerd, zoals hiervoor weergegeven, komt in feite neer op een beroep op ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte. De raadsvrouw stelt immers dat verdachte zou hebben geschoten, zonder dat hij zich daarvan bewust is geweest, en wel ten gevolge van een tijdelijk bewustzijnsverlies in de vorm van een black-out.

Omtrent verdachtes geestesgesteldheid is een dubbelrapportage opgemaakt.

H.E.M. van Beek, psychiater, komt tot de conclusie dat verdachte niet lijdt aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Ten tijde van het bewezenverklaarde was dit niet anders. Van Beek concludeert dat verdachte waarschijnlijk zo ernstig beledigd werd dat het hem zwart voor de ogen werd en hij vervolgens zijn pistool pakte en heeft geschoten. De gebeurtenissen van de laatste tijd met daarbij een zieke vrouw gaven waarschijnlijk zoveel spanning dat hij de uitlatingen van zijn voormalige compagnon niet meer aankon. Verdachte is naar zijn mening volledig toerekeningsvatbaar voor zijn handelen.

Ook drs. E.J.A. Reytenbagh, psycholoog, concludeert dat geen sprake is van een gebrekkige ontwikkeling dan wel stoornis van de geestvermogens. Betrokkene voelde zich dermate gekrenkt dat hij zijn zelfbeheersing verloor en zich door zijn emotionele en agressieve impulsen heeft laten leiden. Ook Reytenbagh is van oordeel dat het feit verdachte volledig kan worden toegerekend.36*

Uit de rapportages blijkt dat beide deskundigen zich ten tijde van het opmaken van hun rapportages ervan bewust waren dat verdachte aan (een ernstige vorm van) suikerziekte lijdt en dat hij ten tijde van het delict onder stress stond. De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de genoemde rapportages vast dat die omstandigheden evenwel geen van beide deskundigen tot het oordeel hebben gebracht dat die combinatie van factoren van invloed is geweest op de toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het delict.

Ter terechtzitting is psychiater Van Beek als deskundige nader gehoord met betrekking tot de vraag of de stress waaraan verdachte kort voor het schietincident heeft blootgestaan, in combinatie met zijn ernstige suikerziekte, zou kunnen lijden tot een black-out als door de raadsvrouw beschreven. De deskundige heeft dienaangaande opgemerkt dat stress weliswaar een negatieve invloed heeft op suikerziekte, maar dat uit niets blijkt dat dit van overheersende invloed is geweest bij de totstandkoming van het delict. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat verdachte zich het pakken van het pistool niet meer kan herinneren, wijst dit volgens de deskundige nog niet op een door stress en suikerziekte geïnduceerde black-out. Daarvoor zijn naar zijn oordeel geen duidelijke aanwijzingen te vinden. Een dergelijke black-out zou alsdan langer moeten duren en heeft over het algemeen voorts ernstige gezondheidsproblemen (zoals een comateuze toestand) tot gevolg, indien de suikerspiegel niet snel wordt gecorrigeerd. Van een dergelijke correctie is hier niet gebleken. Verdachte is immers nog met zijn auto naar zijn zaak gereden, heeft deze afgesloten en is daarna wederom in zijn auto gestapt om naar huis te rijden. Ook dit wijst niet op een lichamelijke gesteldheid zoals men die na een dergelijke black-out zou verwachten, aldus de deskundige. De deskundige is van oordeel dat het waarschijnlijk is dat het geheugenverlies, als dit al aan de orde zou zijn, het resultaat is van het onbewust verdringen van de herinnering aan de daad. Een dergelijk geheugenverlies betreft dan een psychische zelfbeschermingsreactie.

De rechtbank neemt de conclusies aangaande de toerekeningsvatbaarheid, zoals neergelegd in beide rapporten, over en maakt die tot de hare. Verder komt zij, mede op grond van de nadere uitleg die de psychiater ter terechtzitting omtrent zijn conclusies heeft gegeven, tot het oordeel dat er geen aanwijzing bestaat voor de stelling van de verdediging dat verdachte een black-out (in de vorm van een totaal bewustzijnsverlies) heeft gehad ten tijde van het bewezenverklaarde feit. Dit betekent dat verdachte ter zake van het bewezenverklaarde volledig toerekeningsvatbaar is te achten.

Verdachte is derhalve strafbaar, nu ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De straf

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht, mocht de rechtbank het onder feit 1 ten laste gelegde - anders dan zij heeft betoogd - wettig en overtuigend bewezen achten, verdachte hiervoor strafbaar achten en hem daarvoor een gevangenisstraf opleggen, rekening te houden met zijn persoonlijkheid en persoonlijke omstandigheden. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw ten aanzien van de strafmaat geen standpunt ingenomen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte. Hierbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 18 november 2009 het slachtoffer [slachtoffer], die hij al meer dan 20 jaar kende, vermoord. Verdachte heeft het belangrijkste recht van het slachtoffer geschonden, namelijk zijn recht om te leven. Bovendien heeft verdachte de nabestaanden hun man, vader en opa afgenomen. Dat de moord in het leven van de nabestaanden diepe sporen heeft nagelaten, blijkt wel uit de slachtofferverklaring van de drie kinderen en de vrouw van het slachtoffer. Verdachtes daad heeft daarnaast ook de samenleving in haar geheel geraakt, omdat ernstige geweldsfeiten als de onderhavige het gevoel van onveiligheid en angst in de maatschappij versterken. Dit geldt temeer omdat - gezien de plaats en de tijd waarop verdachte de moord heeft gepleegd - vele omstanders ongewild getuige daarvan hebben moeten zijn.

Verdachte heeft verklaard dat hij het delict heeft gepleegd omdat het slachtoffer hem en zijn familie bedreigde en beledigde. Verdachte heeft hierop door het slachtoffer van het leven te beroven buitengewoon egoïstisch en disproportioneel gereageerd.

De rechtbank rekent dit alles verdachte buitengewoon zwaar aan.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens zijn verklaringen ten tijde van het delict in grote financiële problemen verkeerde, waardoor hij net was verhuisd, en de omstandigheid dat zijn vrouw al langere tijd ernstig ziek is. De rechtbank kan zich voorstellen dat verdachte door die omstandigheden ten tijde van het delict een verhoogd stressniveau had en daardoor meer dan anders gevoelig was voor beledigingen en bedreigingen, met name tegen zijn vrouw. Dit neemt uiteraard niet weg dat verdachte nooit op deze wijze had mogen reageren.

Voorts houdt de rechtbank ermee rekening dat verdachte niet eerder met politie en justitie wegens geweldsdelicten in aanraking is geweest.

Gelet op de aard en de ernst van de feiten kan hierop niet met een andere strafmodaliteit worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.

Echter, op grond van de persoonlijke omstandigheden van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie geëist passend en geboden is.

7. De vordering van de benadeelde partij

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien die vordering haars inziens onvoldoende duidelijk is.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

[A], met gemachtigde [B], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 8.800,-.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Daartoe overweegt de rechtbank dat op de als bijlage 2 bijgevoegde factuur ter zake van vliegtickets de naam van de benadeelde partij ontbreekt terwijl degenen die daarop wel bij naam worden genoemd zich niet als benadeelde partij hebben gevoegd. Voorts stelt de rechtbank vast dat de als bijlage 4 bijgevoegde factuur in het Turks is gesteld en niet is vertaald en dat de overige kostenposten niet met stukken zijn onderbouwd.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

8. De inbeslaggenomen goederen

8.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genummerde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte refereert zich ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen aan het oordeel van de rechtbank.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien deze aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten zijn aangetroffen, terwijl de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 36b, 36d, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 impliciet primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 impliciet primair:

moord;

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 14 (VEERTIEN) JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

onttrekt aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerpen, te weten: 13 stuks 9 mm patronen;

verklaart de benadeelde partij [A] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. H.J. van Kooten, voorzitter,

R. Brand en M.M. Meessen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Keuter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2009.

1* Waar hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van politie Haaglanden.

2* PV forensisch technisch onderzoek, nr. PL1513/2009/58748-102, met bijlagen, p. 23, Algemeen Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, PV van verhoor getuige, p. 147-148 en 151-152.

3* PV forensisch technisch onderzoek, nr. PL1513/2009/58748-102, met bijlagen, p. 71-80.

4* PV forensisch technisch onderzoek, nr. PL1513/2009/58748-102, met bijlagen, p. 22.

5* Algemeen Dossier, pv nr. 1508/2009/58748, PV van bevindingen, p. 255.

6* PV forensisch technisch onderzoek, nr. PL1513/2009/58748-102, met bijlagen, p. 71-80.

7* Algemeen Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, PV van verhoor getuige [1], p. 65, PV van verhoor getuige [2], p. 79, PV van bevindingen, p. 88.

8* Algemeen Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, tenaamstelling kenteken, p. 61.

9* Verdachte Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, PV van aanhouding, p. 2-3.

10* Verdachte Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, PV verhoor ter inverzekeringstelling, p. 8.

11* Verdachte Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, Transcriptie studioverhoor verdachte, p. 39-87.

12* Verklaring verdachte ter terechtzitting.

13* Verdachte Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, Transcriptie studioverhoor verdachte, p. 127.

14* Verdachte Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, Transcriptie studioverhoor verdachte, p. 39-87.

15* Verdachte Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, Transcriptie studioverhoor verdachte, p. 130-133.

16* Verdachte Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, Transcriptie studioverhoor verdachte, p. 78.

17* Algemeen Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, PV van verhoor getuige [1], p. 71-72.

18* Algemeen Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, PV van verhoor getuige [2], p. 78-79.

19* Algemeen Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, PV van verhoor getuige [3], p. 101.

20* Algemeen Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, PV van verhoor getuige [3], p. 103 - 104.

21* Algemeen Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, PV van verhoor getuige [3], p. 101.

22* Algemeen Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, PV van verhoor getuige [3], p. 104.

23* Algemeen Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, PV van verhoor getuige [4], p. 217-218.

24* PV forensisch technisch onderzoek, nr. PL1513/2009/58748-102, met bijlagen, p. 92-95.

25* PV forensisch technisch onderzoek, nr. PL1513/2009/58748-102, met bijlagen, p. 86.

26* PV forensisch technisch onderzoek, nr. PL1513/2009/58748-102, p. 11 en p. 21 gelezen in verband met de foto's genummerd 3 en 5 op p. 30 respectievelijk 32. De conclusie t.a.p., p. 11, dat de schutter op het moment van schieten zich op het trottoir moet hebben bevonden deelt de rechtbank dus niet, reeds omdat deze conclusie ten onrechte is gebaseerd op de aanname dat de vier veiliggestelde hulzen werden aangetroffen in het parkeervak naast het trottoir waar het slachtoffer werd aangetroffen. Zie voorts t.a.p. p. 5 en 60 (foto's vuurwapen) en Verdachte Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, p. 7 (foto's vuurwapen).

27* Zie bijv. HR 27 juni 2000, NJ 2000, 605, LJN AA6308; HR 11 juni 2002, LJN AE1743; HR 30 juni 2009, RvdW 2009, 895, LJN BI4070.

28* Verdachte Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, PV van aanhouding, p. 2-3.

29* Verdachte Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, PV van bevindingen, p. 5.

30* PV forensisch technisch onderzoek, nr. PL1513/2009/58748-102, met bijlagen, p. 73.

31* PV forensisch technisch onderzoek, nr. PL1513/2009/58748-102, met bijlagen, 22.

32* Algemeen Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, PV van bevindingen, p. 255.

33* PV forensisch technisch onderzoek, nr. PL1513/2009/58748-102, met bijlagen, p. 92-95.

34* PV forensisch technisch onderzoek, nr. PL1513/2009/58748-102, met bijlagen, p. 59-61.

35* Verdachte Dossier, pv nr. 1509/2009/58748, Transcriptie studioverhoor verdachte, p. 130.

36* Pro Justitia rapportage, d.d. 3 februari 2010 van H.E.M. van Beek, psychiater, en Pro Justitia rapportage, d.d. 8 februari 2010 van drs. E.J.A. Reytenbagh, psycholoog.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature