< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Pleegkinderen / hoofdpersoon / nareiscriterium artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 / mvv-aanvraag na een negatief advies.

De vraag wie als hoofdpersoon ten aanzien van de pleegkinderen moet worden aangemerkt, na het overlijden van hun ouders, dient in redelijkheid te worden uitgelegd aan de hand van de normale betekenis van het woord. Hierbij is de feitelijke situatie doorslaggevend. Zo is onder meer van belang hoe in het gezin de zorgtaken ten aanzien van de kinderen waren verdeeld, wie de belangrijke beslissingen ten aanzien van hen nam en wie (financieel) in hun onderhoud voorzag. Aan de eigendom van het familiehuis komt voor deze beoordeling geen doorslaggevende betekenis toe.

In het beleid van verweerder is geen bepaling opgenomen op grond waarvan aan het nareiscriterium niet zou zijn voldaan indien negatief is beslist op de tijdig ingediende adviesaanvraag. De achterliggende gedachte van de driemaandentermijn, neergelegd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 , is dat de intentie van de in Nederland verblijvende hoofdpersoon om zijn achtergelaten gezinsleden zo snel mogelijk te laten overkomen, binnen een relatief korte periode kenbaar moet zijn gemaakt. Deze intentie blijkt uit het indienen van de adviesaanvraag en niet uit verweerders beslissing hierop, zodat niet valt in te zien dat bij een negatief advies niet langer zou zijn voldaan aan de ratio van de regeling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in dit geval van een onredelijke uitleg van het beleid is uitgegaan. Beroep gegrond.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Regnr.:AWB 09/35242 MVV

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[A], [B] en [C], eisers, V-nummers: [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3], woonplaats kiezende ten kantore van hun gemachtigde, mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te 's-Gravenhage,

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

IPROCESVERLOOP

Eisers, geboren respectievelijk op [datum] 1996, [datum] 1998 en [datum] 2000, bezitten de Somalische nationaliteit. Op 25 februari 2009 zijn namens hen bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Addis Abeba aanvragen ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel verblijf in het kader van artikel 29, eerste lid, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000). Op deze aanvragen om afgifte van een visum op basis van het Soeverein Besluit van 12 december 1813 is door verweerder op 25 mei 2009 bij afzonderlijke besluiten afwijzend beslist. Namens eisers is bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Verweerder heeft bij besluit van 1 september 2009 het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 29 september 2009 is namens eisers tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 21 januari 2010. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. H. Hanssen-Telman. Tevens waren ter zitting aanwezig [D] (hierna: referent) en S.I. Farah, tolk.

IIOVERWEGINGEN

1Ingevolge artikel 72, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum, waaronder begrepen een mvv, voor de toepassing van hoofdstuk 7, betreffende rechtsmiddelen, gelijkgesteld met een beschikking omtrent een verblijfsvergunning regulier gegeven krachtens de Vw 2000.

2Eisers stellen dat zij in aanmerking komen voor een mvv voor verblijf bij referent, hun oom en tevens pleegvader, omdat zij feitelijk tot zijn gezin hebben behoord, tot aan zijn vertrek uit Somalië. Na de dood van hun moeder in 2000 zijn eisers met hun vader bij referent gaan wonen. Referent is in 2000, na de dood van zijn vader, het hoofd van het gezin geworden. In 2006 is de vader van eisers overleden en vanaf dat moment is referent alleen voor eisers gaan zorgen en zijn eisers zijn pleegkinderen geworden. De moeder van referent (hierna: de grootmoeder) woonde feitelijk bij referent in en niet andersom. Verweerder heeft dan ook ten onrechte gesteld dat eisers tot het gezin van hun grootmoeder behoren. Eisers en hun grootmoeder hadden zelf geen inkomen en waren, ook in financieel opzicht, volkomen afhankelijk van referent. Dit is nog steeds het geval. De grootmoeder kan niet voor eisers zorgen gelet op haar leeftijd en het feit dat zij slechtziend, ziekelijk en niet zelfredzaam is.

Voorts stellen eisers dat verweerder hen ten onrechte niet op hun bezwaren heeft gehoord.

3Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers niet voor de gevraagde mvv in aanmerking komen, omdat niet is aangetoond dat zij in het land van herkomst feitelijk tot het gezin van referent behoorden.

4Voor verblijf hier te lande van langer dan drie maanden behoeft een vreemdeling een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 13 van de Vw 2000 . Met het oog hierop pleegt een aanvraag om verlening van een mvv door verweerder te worden getoetst aan dezelfde criteria als die, welke gelden voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van zodanige vergunning.

Ingevolge het beleid van verweerder kan een mvv worden verleend met het oog op toelating op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 . Een aanvraag daartoe dient dan ook te worden onderzocht aan de hand van die bepaling.

5Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, worden verleend aan de vreemdeling die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend.

Volgens paragraaf C2/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), zoals dit beleid ten tijde van het bestreden besluit gold, gaat de driemaandentermijn in wanneer de desbetreffende verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van de Vw 2000 wordt verleend. Indien de houder van de verblijfsvergunning asiel in Nederland bij de Visadienst binnen die termijn een verzoek om advies heeft ingediend, dan wel indien de gezinsleden binnen die termijn in het buitenland een mvv aanvragen, wordt dit gezien als een tijdig ingediende aanvraag, aldus die passage.

De gezinsleden dienen, om voor verblijf in aanmerking te komen, tot aan het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst feitelijk te hebben behoord tot diens gezin. Ook moeten deze gezinsleden zijn genoemd als gezinsleden tijdens de asielprocedure van de hoofdpersoon. Indien zij niet zijn genoemd gedurende de asielprocedure is niet aannemelijk dat zij feitelijk behoren tot het gezin van de hoofdpersoon.

Ten aanzien van niet-biologische (adoptie- en pleeg)kinderen is in paragraaf C2/6.1 van de Vc 2000 - voor zover hier van belang - het volgende bepaald.

Onder minder- of meerderjarige kinderen dienen tevens te worden begrepen niet biologische (adoptie- of pleeg)kinderen die in het land van herkomst feitelijk tot het gezin behoorden.

Met betrekking tot onderzoek naar de gezinsband tussen ouder(s) en niet-biologische kinderen (adoptie- of pleegkinderen) geldt het volgende. Aangezien deze gezinsband niet blijkens DNA-onderzoek kan worden onderzocht, is het aan betrokkene om aannemelijk te maken dat dit kind in het land van herkomst ook daadwerkelijk behoorde tot het gezin van de hoofdpersoon.

De bewijslast omtrent het in het land van herkomst feitelijk tot het gezin hebben behoord, ligt bij de hoofdpersoon. Hiervan dient in beginsel - indicatief - bewijs te worden overgelegd. Indien dit niet mogelijk is, dienen hier aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen over te worden verstrekt.

6De rechtbank overweegt het volgende.

6.1Door verweerder is niet betwist dat eisers na de dood van hun vader met referent en hun grootmoeder in gezinsverband hebben samengewoond in het huis van de grootmoeder in Somalië. Referent heeft dit ook verklaard tijdens zijn asielgehoren. Verweerder stelt zich evenwel op het standpunt dat nu het huis van de moeder van referent is, zij moet worden aangemerkt als het hoofd van het gezin, zodat eisers behoren tot haar gezin en niet dat van referent.

De vraag wie ten aanzien van eisers als hoofd van het gezin is aan te merken na de dood van hun vader dient naar het oordeel van de rechtbank - bij ontbreken van een definitie of criteria in het beleid - in redelijkheid te worden uitgelegd aan de hand van de normale betekenis van het woord. Hierbij is de feitelijke situatie doorslaggevend. Zo is onder meer van belang hoe de zorgtaken tussen referent en zijn moeder ten aanzien van de kinderen waren verdeeld, wie de belangrijke beslissingen ten aanzien van hen nam en wie (financieel) in hun onderhoud voorzag. Aan de eigendom van het familiehuis komt voor deze beoordeling geen doorslaggevende betekenis toe.

6.2Verweerder heeft zijn oordeel, dat eisers niet tot het gezin van referent zijn gaan behoren, gebaseerd op de verslagen van het eerste en nader gehoor van referent in de asielprocedure, respectievelijk van 21 januari 2008 en 12 maart 2008. Uit voornoemde verslagen blijkt echter niet dat aan referent over eisers aanvullende vragen zijn gesteld omtrent de feitelijke situatie in het gezin in het land van herkomst. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers niet feitelijk tot het gezin van referent behoren. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en het namens eisers aangevoerde, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval niet kan worden gezegd dat er reeds op voorhand geen twijfel over kan bestaan dat hetgeen in bezwaar was aangevoerd niet kon leiden tot een andersluidend besluit. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte afgezien van het horen van eisers en/of referent in bezwaar.

6.3Voor zover verweerder heeft betoogd dat na het vertrek van referent de feitelijke gezinsband is verbroken, omdat eisers tot het gezien van de grootmoeder zijn gaan behoren, wordt dit betoog door de rechtbank niet gevolgd, aangezien de grootmoeder noodgedwongen, slechts tijdelijk, de zorg voor eisers op zich heeft genomen. Er is vooralsnog geen grond voor het oordeel dat eisers duurzaam in een ander gezin zijn opgenomen.

7 Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en een deugdelijke motivering ontbeert. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens schending van de in artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb neergelegde zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, en van de in artikel 7:2 van de Awb neergelegde hoorplicht.

8Verweerder heeft ter zitting de rechtbank verzocht om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, omdat de mvv- aanvragen niet binnen de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 neergelegde driemaandentermijn zijn ingediend. Volgens verweerder dient het in paragraaf C2/6.1 van de Vc 2000 neergelegde beleid met betrekking tot de driemaandentermijn te worden uitgelegd als alleen dan van toepassing zijnde, indien voorafgaande aan de - buiten die termijn ingediende - mvv-aanvraag een positief advies is uitgebracht en niet bij een negatief advies.

8.1De rechtbank stelt vast dat in het beleid geen bepaling is opgenomen op grond waarvan aan het nareiscriterium niet zou zijn voldaan ingeval van een negatief advies. De rechtbank overweegt dat de achterliggende gedachte van de driemaandentermijn is dat de intentie van de in Nederland verblijvende hoofdpersoon om zijn achtergelaten gezinsleden zo snel mogelijk te laten overkomen, binnen een relatief korte periode kenbaar moet zijn gemaakt. Deze intentie blijkt uit het indienen van de adviesaanvraag en niet uit verweerders beslissing hierop, zodat niet valt in te zien dat bij een negatief advies niet langer zou zijn voldaan aan de ratio van de regeling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in dit geval van een onredelijke uitleg van het beleid is uitgegaan.

8.2Referent is bij besluit van 9 juli 2008 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vw 2000 , met ingang van 22 januari 2008, geldig tot 22 januari 2013.

De driemaandentermijn als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 is begonnen op 9 juli 2008 en is geëindigd op 9 oktober 2008. Op 8 oktober 2008 heeft referent ten behoeve van eisers een verzoek ingediend om advies voor afgifte van een mvv. Aangezien dit verzoek binnen de voornoemde driemaandentermijn is ingediend, heeft referent zijn intentie eisers naar Nederland te laten komen, tijdig kenbaar gemaakt.

8.3In het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand te laten, doch te bepalen dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar neemt.

9De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

IIIBESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1verklaart het beroep gegrond;

2vernietigt het bestreden besluit;

3bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt;

4veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-, die deze kosten aan eisers dient te vergoeden;

5gelast dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ad € 150,- vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.N. Powell.

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na de verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (Nadere informatie www.raadvanstate.nl).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature