< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Verlenging van de maximale termijn voor partneralimentatie van 12 jaar.

De alimentatiegerechtigde vrouw verzoekt om verlenging van de termijn voor partneralimentatie. De beëindiging van de partneralimentatie is dermate ingrijpend, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid wegens bijzondere omstandigheden niet van de vrouw kan worden gevergd. De rechtbank verlengt de termijn tot zijn 62e levensjaar, aangezien thans niet te overzien is wat zijn inkomen nadien zal zijn. Daarbij bepaalt de rechtbank dat deze termijn na ommekomst voor verlenging vatbaar is.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 08-3283

Zaaknummer: 309962

Datum beschikking: 19 mei 2009

Alimentatie

Beschikking op het op 25 april 2008 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

wonende te [plaats 1],

advocaat: mr. J.M. Vervoorn.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

feitelijk wonende te [plaats 2], doch woonplaats kiezende te [plaats 3],

advocaat: mr. E. Gabrandt.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- het faxbericht van 29 januari 2009 met bijlagen van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht van 29 januari 2009 van de zijde van de man;

- het faxbericht van 30 januari 2009 met bijlagen van de zijde van de vrouw.

Op 3 februari 2009 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met mr. L. Berghuis-Knijff, advocaat te Utrecht. Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd. Ter terechtzitting is door de advocaat van de vrouw een fiscaal overzicht van de Aegon rekening getoond.

De rechtbank heeft na de zitting bij brief van 5 februari 2009 de vrouw in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken verificatoire bescheiden omtrent het saldo van de Plusrekening bij de Postbank en eventuele overige saldi van bank- en spaarrekeningen over het jaar 2008 over te leggen en zich uit te laten over de laatste stand van zaken en de eventueel door de vrouw ontvangen huur- en zorgtoeslag over het jaar 2008 en 2009.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- de brieven van 26 februari 2009 met bijlagen van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht van 13 maart 2009 van de zijde van de man.

Feiten

Partijen zijn gehuwd op [datum] 1972 te [plaats 4].

Bij beschikking van 1 mei 1996 van deze rechtbank is – voor zover thans van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de man veroordeeld om van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud uit te keren een bedrag van f 1.500,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

De echtscheidingsbeschikking is op 17 juli 1996 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij beschikking van 19 mei 1998 van deze rechtbank is voornoemde beschikking gewijzigd en is de door de man met ingang van 1 december 1997 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald op f 3.100,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Na toepassing van de wettelijke indexering ex artikel 1:402a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bedraagt de door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw in 2008 € 1.819,05 per maand.

Op 17 juli 2008 heeft de alimentatieplicht van de man twaalf jaar geduurd.

De man, geboren op [geboortedatum] 1949, is thans 59 jaar oud en de vrouw, geboren op [geboortedatum] 1947, is op dit moment 61 jaar oud.

Verzoek, grondslag en verweer

Het verzoek van de vrouw luidt te bepalen dat de termijn gedurende welke de man zal dienen bij te dragen in kosten van haar levensonderhoud zal voortduren tot [datum] 2014, zijnde de dag waarop de man de leeftijd van 65 jaar bereikt, of tot een door de rechtbank in goede justitie nader te bepalen datum, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Voorts heeft zij ter terechtzitting verzocht te bepalen dat de alimentatie wordt verminderd met het vereveningsdeel op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvp).

De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt het verzoek van de vrouw af te wijzen.

Beoordeling

Ontvankelijkheid

Artikel 1:157 lid 5 BW luidt als volgt:

“Indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in

het vierde lid bedoelde termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid

van degene die tot de uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, kan de

rechter op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen. Het verzoek daartoe dient

te worden ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken.

De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de termijn na ommekomst

daarvan al dan niet mogelijk is.”

In het onderhavige geval (een zogenoemd ‘nieuw geval’) waarin de vrouw om verlenging van de alimentatieplicht van de man verzoekt, staat vast dat aan de alimentatieplicht van de man door de rechter geen termijn is verbonden, alsmede dat de alimentatieplicht, die op 17 juli 1996 is aangevangen, op 17 juli 2008 twaalf jaar heeft geduurd. Het verzoek van de vrouw is bij de rechtbank ingekomen op 25 april 2008 en daarmee binnen de termijn als bedoeld in artikel 1:157, lid 5, BW , zodat zij in haar verzoek ontvankelijk is.

Inhoudelijke overwegingen

Inzake de uitleg van artikel 1:157 lid 5 BW heeft de Hoge Raad op 19 december 2008 (LJN BF3928) een beschikking gewezen. Daarin heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

“Dit eindigen van de alimentatieplicht na ommekomst van voormelde termijn heeft een in beginsel definitief karakter, en vindt plaats ongeacht de financiële draagkracht van de alimentatieplichtige. Indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van deze termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, kan de rechter evenwel ingevolge lid 5 van art. 1:157 op verzoek van de tot de uitkering gerechtigde een nieuwe termijn vaststellen. Voor deze verlenging zijn bijzondere omstandigheden aan de zijde van de alimentatiegerechtigde nodig, en deze draagt ook de stelplicht en bewijslast terzake. In de parlementaire geschiedenis is het uitzonderingskarakter van deze verlengingsmogelijkheid benadrukt. (…)

De wetgever is voorts ervan uitgegaan dat de alimentatiegerechtigde in de periode van twaalf jaren in beginsel voldoende gelegenheid heeft om zich voor te bereiden op het voorzien in eigen levensonderhoud, ook wanneer dit moet gebeuren naast de zorg voor minderjarige kinderen uit het huwelijk, en dat dit ook in redelijkheid van de alimentatiegerechtigde gevergd kan worden.

(…) Of er grond bestaat voor verlenging zal moeten worden beoordeeld in het licht van de strekking van de regeling. Het gaat in de eerste plaats erom of aan de zijde van de alimentatiegerechtigde bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die, gelet op de ingrijpende aard van de beëindiging, in beginsel meebrengen dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd. Daarbij zal, naast de financiële situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert, onder meer van belang kunnen zijn in hoeverre zijn of haar behoefte aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk, en of hij of zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijze mag worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te geraken.

Indien de rechter de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de alimentatiegerechtigde in beginsel zwaarwegend genoeg acht, zal hij vervolgens ook omstandigheden aan de zijde van de alimentatieplichtige, waaronder zijn of haar draagkracht, in zijn beoordeling moeten betrekken.”

Allereerst moet in deze zaak dus worden beoordeeld of beëindiging van de partnerbijdrage voor de vrouw ingrijpend is. De man betaalde in 2008 een partnerbijdrage van € 1.819,05 bruto per maand, hetgeen - naar namens de vrouw is gesteld - overeenkomt met een bedrag van circa € 1.100,-- netto per maand. Uit het overgelegde giroafschrift van de Postbank van 9 januari 2009 blijkt dat de vrouw een WAO-uitkering van Cadans van € 857,12 netto per maand (exclusief vakantiegeld) ontvangt. Het wegvallen van de partnerbijdrage leidt ertoe dat de vrouw is aangewezen op voormelde WAO-uitkering. Hieruit volgt dat beëindiging van de partnerbijdrage zal leiden tot een inkomensterugval van € 1.957,12 netto per maand naar € 857,12 netto per maand (exclusief vakantiegeld), hetgeen zonder meer ingrijpend moet worden geacht.

Derhalve moet worden nagegaan of deze beëindiging zo ingrijpend is, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Daarbij is van belang na te gaan of de vrouw bijzondere omstandigheden heeft gesteld, welke ook zijn komen vast te staan, ten gevolge waarvan deze beëindiging in dit geval niet behoort plaats te vinden. Slechts in uitzonderingsgevallen behoort de twaalfjaarstermijn immers te worden verlengd. Daarbij roept de rechtbank in herinnering dat de wettelijke twaalfjaarstermijn tot doel heeft de alimentatiegerechtigde in staat te stellen tot financiële zelfstandigheid te geraken. De alimentatiegerechtigde kan daartoe in die periode bijvoorbeeld een betaalde werkkring zoeken en/of adequaat vermogensbeheer uitoefenen.

In dit geval is de alimentatiegerechtigde een vrouw die tijdens het huwelijk werkzaam was als wijkverpleegkundige voor 20 uur per week, totdat zij in 1994 100 % arbeidsongeschikt is geraakt door een herseninfarct, zodat zij op het moment van de echtscheiding in 1996 reeds volledig arbeidsongeschikt was. Voorts heeft zij in ieder geval in 2005 nogmaals een herseninfarct gekregen, tengevolge waarvan haar toestand verder verslechterd is. Op dit moment is de vrouw afhankelijk van een elektrische rolstoel en kan zij haar leven niet overzien. Zij kan geen drie zinnen onthouden, zodat voorbespreking van deze zaak met haar advocaat praktisch onmogelijk was, zij kan niet plannen, ze kan het niet opbrengen om een krant te lezen, zij komt met de verkeerde boodschappen thuis en zij moet bij van alles door derden worden bijgestaan omdat zij anders het spoor bijster raakt. Niet is komen vast te staan dat de vrouw na de echtscheiding vrijwilligerswerk in Oeganda heeft verricht. Ook thans ontvangt de vrouw nog een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit alles in ogenschouw nemend kan er niet van worden uitgegaan dat de vrouw na de echtscheiding in enige mate betaalde arbeid zou hebben kunnen verrichten om zo geheel of gedeeltelijk in eigen levensonderhoud te voorzien.

Het komt dus aan op de vraag op de vrouw het vermogen dat zij bij de echtscheiding heeft ontvangen van afgerond € 106.600,--, adequaat heeft beheerd dan wel heeft kunnen beheren. Daarbij geldt - gezien het uitzonderingskarakter van een mogelijke verlenging van de twaalfjaarstermijn - als uitgangspunt dat keuzes die haaks staan op een dergelijk adequaat vermogensbeheer in beginsel voor rekening en risico van de alimentatiegerechtigde dienen te blijven.

Ook deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Voldoende is komen vast te staan dat de vrouw thans nog slechts over een bedrag van omstreeks € 25.000,-- aan spaargeld beschikt. Namens de vrouw is daarvoor als verklaring gegeven dat zij een deel van het vermogen heeft aangewend om te verhuizen zodat zij in de buurt van winkels kwam te wonen, dat zij de kinderen van partijen, die ten tijde van de echtscheiding al het huis uit waren, financieel heeft ondersteund (al weet zij niet precies hoeveel ze aan hen heeft weggegeven) en dat zij onbekende bedragen aan derden heeft uitgeleend die deze bedragen niet aan haar hebben teruggegeven. Met het rendement over het genoemde bedrag is de vrouw niet in staat de inkomensteruggang op te vangen die de beëindiging van de partneralimentatie met zich brengt. Gelet op de aard en ernst van haar aandoening kon evenwel niet van haar worden verlangd dat zij adequaat met haar vermogen om ging, zodat het in dit geval gerechtvaardigd is af te wijken van voormeld uitgangspunt.

Derhalve is aan de zijde van de vrouw sprake van bijzondere omstandigheden.

Aan de zijde van de man laat de rechtbank meewegen dat hij thans 59 jaar is, dat hij inmiddels twaalf jaar een partnerbijdrage heeft voldaan en dat hij voorlopig de draagkracht heeft om de partnerbijdrage te voldoen.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om de alimentatieplicht te verlengen en daartoe een termijn vast te stellen en zal opnieuw de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man beoordelen.

Behoefte van de vrouw

De behoefte van de vrouw is gerelateerd aan de huwelijksgerelateerde behoefte. Uit de beschikking van 19 mei 1998 volgt – anders dan zijdens de man betoogd – niet dat de in die beschikking vastgestelde partneralimentatie niet conform de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw was.

De vrouw heeft ter terechtzitting een overzicht met de door haar te voldoene maandelijkse kosten van € 2.124,90 per maand overgelegd. Gelet op dit overzicht en de door de man betwiste en zijdens de vrouw niet nader onderbouwde kosten ter zake bijdrage aan de kerk (€ 100,-- per maand) en de vervangingskosten van de inboedel (€ 100,-- per maand) kan de huidige behoefte van de vrouw worden gesteld op circa € 1.925,-- netto per maand. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, een vermogen van circa € 25.000,-- en een rendement van 3 % levert een behoefte van de vrouw op van € 1.695,-- netto per maand, hetgeen overeenkomt met een bruto behoefte van € 2.704,-- per maand. Daarop in mindering strekt de WAO-uitkering van € 1.083,-- bruto per maand (inclusief vakantiegeld), zodat een behoefte resteert van € 1.621,-- bruto per maand. De behoefte van de vrouw bedraagt per 17 juli 2008 derhalve € 1.621,-- bruto per maand. Daarbij wordt volledigheidshalve nog vermeld dat de vrouw gezien haar vermogen niet in aanmerking komt voor huurtoeslag, terwijl onduidelijk is of zij over 2009 in aanmerking zal komen voor zorgtoeslag en zo ja tot welk bedrag. In 2008 kwam zij daarvoor in ieder geval niet in aanmerking. Op voormelde behoefte dient voorts in mindering te worden gebracht het door de vrouw op grond van de Wvp van het pensioenfonds van de man te ontvangen vereveningsdeel van zijn pensioen, zodra en zolang zij dit ontvangt.

Draagkracht van de man

De man heeft geen draagkrachtverweer gevoerd tot zijn 62e levensjaar, dat hij bereikt op

[datum] 2011.

Verlenging van de termijn

De rechtbank zal de door de man te betalen alimentatie verlengen tot [datum] 2011, aangezien thans niet te overzien is wat zijn inkomen nadien zal zijn. Daarbij zal worden bepaald dat deze termijn na ommekomst voor verlenging vatbaar is.

Beslissing:

De rechtbank:

bepaalt de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 17 juli 2008 op € 1.621,-- per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de alimentatie wordt verminderd met het vereveningsdeel van de vrouw in het ouderdomspensioen van de man op grond van de Wvp, zodra en zolang de vrouw dit ontvangt;

bepaalt dat de alimentatie eindigt met ingang van [datum] 2011;

bepaalt dat deze termijn na ommekomst voor verlenging vatbaar is;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. Alt-van Endt, bijgestaan door

mr. E.N.A. Wooning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2009.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature