< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Verzoek ex art 89 Sv

Gelet op de ernst van het feit waarvan verzoeker verdacht werd (onder andere overtreding van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht ) in combinatie met de duur van het voorarrest en bijzondere omstandigheden zoals weergegeven in voornoemd vonnis, zijn naar het oordeel van de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een hogere vergoeding dan de standaardvergoeding toe te kennen.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Parketnummer: 09/757155-07

Kenmerk RK: 08/2137

Beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het verzoekschrift ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker]

geboren op [datum] 1961 te [geboorteplaats] (Frankrijk),

wonende te [adres]

te dezer zake domicilie kiezende te 's-Gravenhage,

Abraham Patrasstraat 5, 2595 RC, ten kantore van mr. J.A.W. Knoester,

ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 25 juli 2008, strekkende tot een schadevergoeding ten laste van de Staat voor de dagen door verzoeker in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht tot een bedrag van in totaal € 22.170,00.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.

De rechtbank heeft op 10 maart 2009 dit verzoekschrift in raadkamer behandeld.

Verzoeker, bijgestaan door mr. J.A.W. Knoester, advocaat te 's-Gravenhage, is in raadkamer gehoord.

De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek tot een bedrag van € 7.340,00 en tot afwijzing van het meer verzochte.

Beoordeling van het verzoekschrift.

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot behandeling van het verzoek.

De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd door een inmiddels onherroepelijk vonnis van deze rechtbank van 18 oktober 2007, waarbij verzoeker is vrijgesproken van het hem telastegelegde.

Tegen dit vonnis is het openbaar ministerie in hoger beroep gegaan op 26 oktober 2007.

Dit hoger is ingetrokken op 12 juni 2008. Het verzoek is tijdig ingekomen.

Verzoeker is in deze zaak op 29 januari 2007 in verzekering gesteld, op 1 februari 2007 in voorlopige hechtenis gesteld en op 10 mei 2007 in vrijheid gesteld. Derhalve heeft verzoeker 101 dagen zijn vrijheid moeten missen. Verzoeker heeft van 1 februari 2007 tot en met 9 februari 2007, zijnde 8 dagen van de voorlopige hechtenis, in beperkingen doorgebracht.

Verzoeker heeft aangevoerd dat hij recht heeft op een hogere vergoeding dan de gebruikelijke vergoeding omdat er in de strafzaak tegen verdachte onevenredig veel media aandacht is geweest, dat hij van meet af aan de verdenkingen stellig heeft ontkend en dat hij werd verdacht van een misdrijf waar een levenslange gevangenisstraf op staat. Daarnaast heeft verzoeker aangevoerd dat hij zijn oude leven niet kan hervatten, heeft moeten verhuizen en wordt bedreigd en beledigd.

Tot slot heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat een schadevergoeding dient te worden toegekend voor alle dagen dat er sprake is geweest van vrijheidsbeneming, de eerste en de laatste dag als een volle rekenend. Verzoeker acht het redelijk dat aan hem een vergoeding wordt toegekend van € 285,00 voor elke dag dat hij in een politiecel verbleef onderscheidenlijk in beperkingen (totaal 10 dagen) en € 210,00 voor elke dag dat hij in het huis van bewaring verbleef (totaal 92 dagen).

Ingevolge artikel 89, eerste lid, Sv wordt aan de gewezen verdachte een standaardbedrag van € 95,00 per dag aan vergoeding toegekend voor de schade die hij tengevolge van een ondergane verzekering heeft geleden. In dit bedrag is reeds een component voor geleden immateriële schade verdisconteerd. Op grond van bijzondere persoonlijke omstandigheden kan echter een extra vergoeding voor gestelde immateriële schade worden toegekend.

Bij de beoordeling van het verzoek van verzoeker acht de rechtbank het door de meervoudige kamer op 18 oktober 2007 gewezen vonnis in de strafzaak tegen verzoeker in grote mate bepalend.

In voornoemd vonnis is door de rechtbank geoordeeld dat verzoeker als enige en vanaf het allereerste moment hulp heeft gezocht en heeft geboden aan het [slachtoffer] (p. 6), alsmede dat het de rechtbank ontgaat welk verwijt de officier van justitie verzoeker wil maken en op welke wijze dat verwijt de basis kan vormen voor het gestelde nalaten van hulp aan [slachtoffer] [ (p. 7).

Op pagina 8 van het vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat verzoeker - niet in de laatste plaats door een op internet gezet filmpje van een getuige dat is gemaakt nadat de steekpartij had plaatsgevonden - door alle media-aandacht reeds op voorhand door de publieke opinie is veroordeeld. Tenslotte is door de rechtbank overwogen dat het de rechtbank bijzonder wrang voorkomt dat uitgerekend degene die wel alle hulp die hij kon geven, heeft gegeven, te weten verzoeker, voor dit feit terechtstaat.

Gelet op de ernst van het feit waarvan verzoeker verdacht werd (onder andere overtreding van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht ) in combinatie met de duur van het voorarrest en bijzondere omstandigheden zoals hiervoor weergegeven in voornoemd vonnis, zijn naar het oordeel van de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een hogere vergoeding dan de standaardvergoeding toe te kennen.

Aan verzoeker zal een bedrag worden toegekend dat twee keer hoger ligt dan de standaardtarieven, zodat 11 x € 190 + 90 x € 140 = € 2.090 + € 12.600 = € 14.690,00 kan worden toegekend.

De dag van de invrijheidstelling komt niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank sluit hierbij aan bij de LOVS-afspraak, inhoudende: bij het bepalen van het aantal dagen dat de verzoeker in een politiecel of huis van bewaring heeft doorgebracht, dient aansluiting te worden gezocht bij artikel 136 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge deze bepaling wordt onder één dag verstaan een tijd van vierentwintig uren. Dit brengt mee dat de dag van de invrijheidstelling niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Beslissing.

De rechtbank kent aan verzoeker toe ten laste van de Staat een bedrag van in totaal

€ 14.690,00 (zegge: VEERTIENDUIZENDZESHONDERDENNEGENTIG EURO) en wijst af het anders of meer verzochte.

Aldus gedaan te 's-Gravenhage door mr. I.P.A. van Engelen, vice-president, in tegenwoordigheid van mr. V. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 maart 2009.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature