< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank stelt voorop dat reeds op 1 januari 1973 de eis werd gesteld van een wezenlijk Nederlands economisch belang zoals thans in artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 is neergelegd. Uit het arrest van het Hof van 11 mei 2000 in zaak C-37/98 (LJN ZB8847), alsmede uit het arrest van het Hof van 21 oktober 2003 in zaken C-317/01 en C-368/01 (LJN AM2833), valt af te leiden dat de standstill-bepaling zich ertegen verzet dat een lidstaat een nieuwe maatregel vaststelt die tot doel of tot gevolg heeft dat aan de vestiging en het daarmee samenhangend verblijf van een Turks onderdaan op zijn grondgebied strengere eisen worden gesteld, dan die, welke golden op het moment, waarop het aanvullend protocol voor de betrokken lidstaat in werking trad. Volgens die rechtspraak is het aan de nationale rechter, die bij uitsluiting bevoegd is om het nationale recht uit te leggen, om te beoordelen, of de nationale regeling die de bevoegde autoriteiten toepassen zodanige strengere eisen behelst. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de AbRS van 11 maart 2004 (LJN AO8112) en 20 mei 2005 (LJN AT6747).

Uit de brief van 19 mei 2009 van de minister van Economische Zaken aan deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, volgt dat het uitgangspunt van de adviespraktijk is en blijft het uit de Vreemdelingenwet komende criterium dat een verblijf in ons land onder meer is toegestaan als een bijdrage van wezenlijk belang aan ons land wordt geleverd. Aan Economische Zaken is slechts gegeven dit criterium, dit wezenlijk belang, in economische termen te vertalen. Voorts volgt uit voornoemde brief dat het uitgangspunt steeds hetzelfde is gebleven, veranderde inzichten over de sturing en regulering van een economie of markt, en een groeiend inzicht in de rol van kennis in de economische ontwikkeling doen de invalshoek van de advisering veranderen. Er is dus sprake van een, in de loop der jaren als gevolg van zich wijzigende inzichten, veranderde inkleuring van dit wezenlijk belang en niet van een aanscherping van dit criterium.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop thans beleidsmatig het criterium of met het verrichten van arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands economisch belang wordt gediend, wordt ingevuld, niet in strijd is met de standstill-bepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol .

Beroep ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, meervoudige kamer

Regnr.: AWB 09/22757 BEPTDN

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[A], eiser, V-nummer [nummer], woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. M.N.R. Nasrullah, advocaat te Rotterdam,

en

de staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. A.H. Noordeloos, ambtenaar ten departemente.

IPROCESVERLOOP

Eiser, geboren op [datum] 1977, en van Turkse nationaliteit, verblijft als vreemdeling in Nederland. Bij schrijven van 30 november 2007 heeft hij een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000) onder de beperking 'arbeid als zelfstandige'. Op deze aanvraag is door verweerder op 7 februari 2008 afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

Eiser heeft bij schrijven van 16 april 2008 de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op het bezwaar is beslist. Bij uitspraak van 12 februari 2009 (AWB 08/13671) van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, is dit verzoek toegewezen. Bij besluit van 16 juni 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij schrijven van 23 juni 2009 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door een kantoorgenoot van zijn gemachtigde, mr. P.H. van Akenborgh. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

IIOVERWEGINGEN

1In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat met de arbeid als zelfstandige die eiser verricht of gaat verrichten geen wezenlijk Nederlands economisch belang wordt gediend en eiser voorts niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Verweerder heeft voorts gesteld dat geen van de vrijstellingsgronden van artikel 17 van de Vw 2000 of artikel 3.71, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) van toepassing is en dat er geen gronden zijn toepassing te geven aan artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 (de hardheidsclausule). Verweerder heeft, nu eiser daartoe onvoldoende bescheiden heeft overgelegd, geen advies ingewonnen bij het Ministerie van Economische Zaken.

3Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij niet voldoet aan de vereisten voor een verblijfsvergunning met als doel 'arbeid als zelfstandige'. Voorts stelt eiser dat verweerder hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet in het bezit is van een geldige mvv. Het door verweerder gehanteerde criterium 'wezenlijk Nederlands belang' en het mvv-vereiste zijn in strijd met de standstill-bepaling die is neergelegd in artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije (Aanvullend Protocol). Ten tijde van de inwerkingtreding van het Aanvullend Protocol in 1973 vormde het niet beschikken over een geldige mvv geen zelfstandige grond om een verblijfsvergunning te weigeren. Met betrekking tot het criterium 'wezenlijk Nederlands belang' moet volgens eiser worden gekeken naar de criteria die in 1973 door het Ministerie van Economische Zaken werden gehanteerd bij het opstellen van een advies over de vraag of met de onderneming een wezenlijk Nederlands belang werd gediend. Eiser beroept zich - onder meer - op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 20 september 2007 (LJN BB8030) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRS) van 6 maart 2008 (LJN BC6595). Eiser beroept zich tevens op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht van 29 september 2009 (LJN BJ9006). Het bestreden besluit levert aldus strijd op met het motiveringsbeginsel.

4Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder beperkingen verleend, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Daarbij is bepaald dat aan een vergunning voorschriften kunnen worden verbonden.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige worden verleend aan de vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van Onze Minister een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

Volgens paragraaf B5/7.3.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc 2000) is (door de minister van Economische Zaken) een puntensysteem ontwikkeld met het oog op het werven van hooggekwalificeerde vreemdelingen die een gevraagde hoogwaardige kennisbijdrage aan onze economie kunnen leveren in de vorm van zelfstandig ondernemerschap. Het puntensysteem vormt de basis voor het advies dat de minister van Economische Zaken aan de IND geeft over de wezenlijke bijdrage van de vreemdeling aan het land. Het systeem kent drie onderdelen, te weten: persoonlijke ervaring (a), ondernemingsplan (b) en toegevoegde waarde (c). In totaal zijn voor de onderdelen gezamenlijk (a, b en c opgeteld) 300 punten te behalen, terwijl tenminste 90 punten zijn vereist (met een minimum van 30 punten per onderdeel) voor een positief advies.

Artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bepaalt dat de Overeenkomstsluitende Partijen onderling geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten.

5De rechtbank overweegt als volgt. Over de tegenwerping van het mvv-vereiste aan Turkse zelfstandigen zijn door de AbRS prejudiciële vragen gesteld aan het Hof (uitspraak van 19 juli 2005, LJN AT9862). Nadat het Hof in zaak C-16/05 (Tum en Dari) arrest had gewezen, heeft de AbRS haar vragen ingetrokken. In de Tum en Dari-zaak heeft het Hof geoordeeld dat voor Turkse zelfstandigen ook bij eerste toelating de standstill-bepaling van toepassing is en dat de standstill-bepaling zowel op materiële als op procedurele voorwaarden van toelating ziet. De AbRS heeft in haar uitspraak van 6 maart 2008 (LJN BC6595) geoordeeld dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste zonder onderzoek naar de vraag of overigens aan de vereisten voor verlening van de verblijfsvergunning wordt voldaan in strijd is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol . In het onderhavige geval heeft verweerder onderzocht of voldaan is aan het vereiste dat sprake moet zijn van een wezenlijk Nederlands economisch belang.

5.1De rechtbank stelt voorop dat reeds op 1 januari 1973 de eis werd gesteld van een wezenlijk Nederlands economisch belang zoals thans in artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 is neergelegd. Uit het arrest van het Hof van 11 mei 2000 in zaak C-37/98 (LJN ZB8847), alsmede uit het arrest van het Hof van 21 oktober 2003 in zaken C-317/01 en C-368/01 (LJN AM2833), valt af te leiden dat de standstill-bepaling zich ertegen verzet dat een lidstaat een nieuwe maatregel vaststelt die tot doel of tot gevolg heeft dat aan de vestiging en het daarmee samenhangend verblijf van een Turks onderdaan op zijn grondgebied strengere eisen worden gesteld, dan die, welke golden op het moment, waarop het aanvullend protocol voor de betrokken lidstaat in werking trad. Volgens die rechtspraak is het aan de nationale rechter, die bij uitsluiting bevoegd is om het nationale recht uit te leggen, om te beoordelen, of de nationale regeling die de bevoegde autoriteiten toepassen zodanige strengere eisen behelst. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de AbRS van 11 maart 2004 (LJN AO8112) en 20 mei 2005 (LJN AT6747).

5.2Uit de brief van 19 mei 2009 van de minister van Economische Zaken aan deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, volgt dat het uitgangspunt van de adviespraktijk is en blijft het uit de Vreemdelingenwet komende criterium dat een verblijf in ons land onder meer is toegestaan als een bijdrage van wezenlijk belang aan ons land wordt geleverd. Aan Economische Zaken is slechts gegeven dit criterium, dit wezenlijk belang, in economische termen te vertalen. Voorts volgt uit voornoemde brief dat het uitgangspunt steeds hetzelfde is gebleven, veranderde inzichten over de sturing en regulering van een economie of markt, en een groeiend inzicht in de rol van kennis in de economische ontwikkeling doen de invalshoek van de advisering veranderen. Er is dus sprake van een, in de loop der jaren als gevolg van zich wijzigende inzichten, veranderde inkleuring van dit wezenlijk belang en niet van een aanscherping van dit criterium.

5.3Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop thans beleidsmatig het criterium of met het verrichten van arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands economisch belang wordt gediend, wordt ingevuld, niet in strijd is met de standstill-bepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol .

Het beleid, neergelegd in B5/7.3 van de Vc 2000, geeft evenmin grond voor het oordeel dat thans strengere eisen worden gesteld dan in 1973 gebeurde bij de beoordeling of een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend met het verblijf hier te lande van een vreemdeling die om toelating verzoekt voor het verrichten van arbeid als zelfstandige.

Het feit dat de minister van Economische Zaken bij het uitbrengen van advies over de vraag of met de werkzaamheden een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend thans gebruik maakt van een puntensysteem, brengt - anders dan eiser stelt - evenmin mee dat sprake is van een nieuwe beperking in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol . De toepassing van het criterium 'wezenlijk Nederlands economisch belang' is immers, zoals ook volgt uit de brief van Economische Zaken, per definitie afhankelijk van de Nederlandse economische situatie in een bepaalde tijdsperiode.

5.4De rechtbank stelt voorts vast dat niet in geschil is dat het onmogelijk is gebleken advies te vragen aan het Ministerie van Economische Zaken, nu eiser daartoe, ondanks herhaalde verzoeken van verweerder, onvoldoende bescheiden heeft overgelegd.

6Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet voldoet aan de in B5/7 Vc 2000 neergelegde voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor het doel 'arbeid als zelfstandige'. Verweerder heeft aldus kunnen concluderen dat met de bedrijfsactiviteiten van eiser geen wezenlijk Nederlands economisch belang wordt gediend en daarom niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000. Reeds hierom heeft verweerder in het besluit van 16 juni 2009 de gevraagde vergunning mogen weigeren. Het beroep op het motiveringsbeginsel faalt gezien het voorgaande.

7Het beroep is derhalve ongegrond.

8Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

IIIBESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th.W. van Ravenstein, mr. A.H. Bergman, mr. G.F. van der Linden-Burgers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.R. van Veen.

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na de verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature