E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK5812
LJN BK5812, Rechtbank 's-Gravenhage, AWB 09/13455

Inhoudsindicatie:

Verweerder heeft, gezien de in het relaas gestelde en door hem plausibel geachte feiten en omstandigheden, naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake is van gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De coming-out van eiser heeft onder meer geleid tot vrijheidsberoving, het moeten afbreken van een academische studie, ernstige mishandeling, een poging eiser om het leven te brengen, en vergaande voorbereidingen om eiser tegen diens wil te laten opnemen in een gesticht. De rechtbank kan dan ook niet anders dan oordelen dat de vervolgingshandelingen die eiser door toedoen van zijn familie en dorpsgenoten heeft moeten ondergaan – en die hij bij terugkeer vreest opnieuw te moeten ondergaan – dermate ernstig (zullen) zijn dat deze ten minste de ernstige vorm van discriminatie opleveren als omschreven in het UNHCR Handbook, de UNHCR ‘Guidelines on International Protection: gender-related persecution’ en verweerders beleid, zodat eiser op grond hiervan in beginsel voor verlening van de vluchtelingenstatus in aanmerking komt.

Cruciaal bij vrees voor vervolging door derden is vervolgens het antwoord op de vraag of de autoriteiten in het land van herkomst bereid en in staat zijn effectieve bescherming te bieden. Hoofdregel is hierbij dat een vreemdeling, voordat hij zich met een verzoek om bescherming richt tot de autoriteiten in het land van toevlucht, eerst heeft geprobeerd bescherming van zijn eigen overheid in te roepen. Deze hoofdregel gaat, anders dan verweerder meent, in dit geval echter niet op. Eiser is immers afkomstig uit een land waar homoseksualiteit met een levenslange gevangenisstraf wordt bedreigd. Uit de landeninformatie blijkt dat de wetsbepaling waarin homoseksualiteit strafbaar gesteld is, geen dode letter is. In een brief van 12 februari 2009, gericht aan de directeur van COC Nederland, benadrukt verweerder bovendien dat, als een homoseksuele vreemdeling afkomstig is uit een gebied waar homoseksualiteit strafbaar is, van deze vreemdeling niet verlangd zal worden dat hij voorafgaand aan zijn vlucht bescherming vraagt tegen vervolging door derden bij de lokale autoriteiten. Verweerder heeft eiser daarom niet mogen tegenwerpen dat hij vóór zijn vlucht naar Nederland bescherming had moeten vragen aan de lokale autoriteiten.

Omdat sprake is van de ‘contra-indicatie’ binnenlands vluchtalternatief laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Beroep gegrond.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie