< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

afwijzing plaatsing accomodatie gesloten jeugdzorg; jeugdige ouder dan 18 jaar

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Zaak/rekestnummer : 332699 / JE RK 09-617

Datum uitspraak : 17 maart 2009

Afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg

Beschikking op het verzoekschrift van de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, vestiging Delft /Westland/Oostland (hierna te noemen: Bureau Jeugdzorg).

Het verzoekschrift heeft betrekking op de jeugdige:

[jeugdige],

geboren [in 1991] te [plaats A]

kind van:

[de moeder]

wonende te [plaats A]

en erkend door

[de vader]

De jeugdige verblijft feitelijk bij de moeder.

Procesgang

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 8 april 2008 de jeugdige onder toezicht gesteld van 8 april 2008 tot 8 april 2009, waarvoor gelezen moet worden: tot 17 maart 2009, zijnde de datum waarop de jeugdige achttien jaar wordt.

Op 9 maart 2009 heeft Bureau Jeugdzorg een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot machtiging de jeugdige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een

accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de periode van één jaar.

Bureau Jeugdzorg heeft daarbij een verklaring overgelegd dat een situatie als bedoeld in artikel 29b, derde lid, Wet op de Jeugdzorg zich voordoet.

Een instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper, als bedoeld in artikel 29b, vijfde lid, Wet op de Jeugdzorg , ontbreekt.

Bureau Jeugdzorg heeft overgelegd: het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling. Er is geen indicatiebesluit overgelegd.

Aangezien Bureau Jeugdzorg een verzoek heeft gedaan tot plaatsing van de jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, is bij beschikking d.d. 9 maart 2009 aan de Raad voor Rechtsbijstand te 's-Gravenhage bevolen een advocaat aan de jeugdige toe te voegen.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van:

de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 11 maart 2009, waarvan de inhoud als hier overgenomen dient te worden beschouwd, en waarbij de spoedmachtiging is afgewezen de jeugdige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg en de behandeling van het verzoek voor het overige is aangehouden tot de terechtzitting van 17 maart 2009.

Het verzoekschrift is op 17 maart 2009 ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- mevrouw [B] namens Bureau Jeugdzorg,

- de moeder,

- de jeugdige, bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.J.P. Nolet

- mevrouw [D] behandelaar van [de instelling] (als informant),

- de heer [E] gezinscoach van Tien voor de Toekomst (als informant).

Beoordeling

Van de zijde van Bureau Jeugdzorg is het verzoek gehandhaafd. Mevrouw [B] heeft daartoe naar voren gebracht dat de jeugdige wordt bedreigd en belemmerd in zijn ontwikkeling naar volwassenheid. De jeugdige heeft geen daginvulling; hij gaat nauwelijks naar school en heeft geen stageplek meer. Voorts is er sprake van veelvuldig blowgedrag. Gebleken is dat de moeder pedagogisch onmachtig is, waardoor zij - alle hulpverlening ten spijt - geen grenzen kan stellen. Hoewel de moeder heeft aangegeven moeite te hebben dat de jeugdige gesloten wordt geplaatst, heeft zij ingezien dat er geen andere mogelijkheid meer is. Bureau Jeugdzorg is de mening toegedaan dat alleen een gesloten setting de behandeling, regels en structuur kan bieden die de jeugdige nodig heeft, aangezien hij zich dan niet langer kan onttrekken aan de hulpverlening.

De raadsman heeft zich namens de jeugdige verzet tegen toewijzing van het verzochte. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het verzoek in strijd is met artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet op de recente jurisprudentie, onder andere de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2009, LJN: BH0778, heeft de raadsman verzocht het onderhavige verzoek af te wijzen.

Voorts heeft hij meegedeeld dat de vader van de jeugdige, woonachtig op Curaçao, heeft aangeboden de jeugdige bij hem te laten wonen en werken. De jeugdige kan op zeer korte termijn naar Curaçao afreizen om aldaar zijn leven, onder strakke begeleiding van zijn vader, op te bouwen.

Ten slotte heeft de raadsman gewezen op de verklaring van de gedragswetenschapper, die niet aan de wettelijke vereisten voldoet.

De moeder heeft verklaard dat het de afgelopen weken beter gaat met de jeugdige en dat, hoewel zij in eerste instantie achter het verzoek stond, zij zich thans verzet tegen toewijzing van het verzochte.

Desgevraagd heeft de heer [E] opgemerkt dat hij vanaf september 2008 het gezin begeleidt, aangezien de moeder in een aantal zaken nog onmachtig was. Hij heeft voorts te kennen gegeven dat het gedrag van de jeugdige naar zijn mening nog niet is verbeterd.

De heer [E] heeft ten slotte verklaard, gelet op de nog immer aanwezige zorgen, onder andere over het drugsgebruik van de jeugdige, het thans nog te prematuur te vinden om de jeugdige bij zijn vader te laten wonen. Hij heeft echter ook gemengde gevoelens over plaatsing van de jeugdige in een gesloten setting.

Mevrouw [D] heeft desgevraagd verklaard de zorgen omtrent de jeugdige te delen. Enerzijds ging het een hele tijd niet goed met hem, anderzijds ook niet heel erg slecht. Behandeling - in de vorm van Multi Dimensional Family Therapy (MDFT) - heeft plaatsgevonden en deze is thans afgerond. Mevrouw [D] heeft opgemerkt niet afwijzend tegenover een plaatsing bij de vader te staan, aangezien de jeugdige beïnvloedbaar is en een gesloten setting daarom voor hem nadelig zou kunnen uitpakken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op 1 januari 2008 is de Wet gesloten jeugdzorg in werking getreden en is als gevolg daarvan de Wet op de Jeugdzorg (Wjz) gewijzigd. Op grond van de artikelen 29b en 29c Wjz kan de kinderrechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, ongeacht of de jeugdige daarmee instemt. Conform artikel 29a lid 1 Wjz zijn eerstgenoemde artikelen niet alleen van toepassing op minderjarigen, maar ook op jeugdigen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, mits ten aanzien van deze jeugdigen op het tijdstip van meerderjarig worden een machtiging gold. Laatstbedoelde jeugdigen worden voor de toepassing van de Wjz derhalve als minderjarigen behandeld; zulks in afwijking van artikel 1:233 van het Burgerlijk Wetboek .

Bij de beoordeling of verlen(g ) ing van een machtiging voor gesloten jeugdzorg voor een jeugdige van 18 jaar en ouder in strijd is met het bepaalde in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, EVRM staat voorop dat zodanige machtiging strekt tot vrijheidsbeneming als bedoeld in artikel 5 van dit verdrag. Dit artikel houdt een absoluut verbod in om iemand zijn vrijheid te ontnemen tenzij sprake is van een of meer van de in het eerste lid limitatief opgesomde gevallen. Anders dan bij sommige andere in het EVRM geregelde grondrechten, kent dit verbod geen uitzondering voor bij de wet geregelde inbreuken die in een democratische samenleving noodzakelijk worden geacht.

In geen enkele Nederlandse wettelijke bepaling, in het bijzonder ook niet in artikel 29a, eerste lid, WJZ, wordt afgeweken van de in artikel 1:233 BW bepaalde leeftijdsgrens teneinde de meerderjarigheid later dan de achttiende verjaardag te doen intreden. Dit betekent dat invulling naar Nederlandse nationale wettelijke maatstaven van het begrip minderjarigheid in artikel 5 EVRM tot geen andere conclusie kan leiden dan dat een achttienjarige niet meer kan worden aangemerkt als minderjarige in de zin van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, EVRM. Daaraan doet niet af dat de Nederlandse wet verscheidene bepalingen kent die toelaten dat de vrijheid van handelen (althans de gevolgen daarvan) van meerderjarigen wordt beperkt omdat de betreffende persoon wordt geacht ondanks de meerderjarigheid zijn belangen niet ten volle te kunnen waarnemen. Aldus heeft de betrokkene immers aanspraak op toetsing van deze beperkingen aan de grondrechtelijke waarborgen die voor hem als meerderjarige bestaan. Het EVRM biedt geen ruimte om de meerderjarige over wie wordt beweerd dat zich ten aanzien van hem het geval als bedoeld in artikel 29b, derde lid, WJZ voordoet, deze rechtsbescherming te onthouden.

Nu een jeugdige van 18 jaar of ouder niet kan worden aangemerkt als minderjarige in de zin van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, EVRM, is vrijheidsbeneming in het kader van gesloten jeugdzorg ten aanzien van een dergelijke jeugdige met toepassing van artikel 29a, eerste lid, WJZ niet verenigbaar met deze een ieder verbindende verdragsbepaling.

Hierbij komt dat vast staat dat de jeugdige op 17 maart 2009 18 jaar is geworden en derhalve, gelet op bepaalde in artikel 1:233 van het Burgerlijk Wetboek , sedertdien meerderjarig is. Nu de jeugdige niet voor zijn achttiende jaar voor een behandeltraject middels een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg is geplaatst, wordt niet voldaan aan het vereiste van artikel 29a, eerste lid Wjz , dat op het tijdstip dat de jeugdige meerderjarige werd er een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg gold.

De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

Aan de overige door de Wjz gestelde vereisten heeft Bureau Jeugdzorg overigens evenmin voldaan. Zo is de jeugdige niet met het oog op onderhavig verzoek recentelijk door een gedragswetenschapper onderzocht en is geen instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper overgelegd. Voorts ontbreekt tevens een indicatiebesluit.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek de jeugdige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29b lid 1 van de Wet op de Jeugdzorg .

Deze beschikking is gegeven door mrs J.M. van Baardewijk (voorzitter), M. Dam en

A.C. Beunen, kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2009, in tegenwoordigheid van R. van Ast-Natadiningrat als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te 's-Gravenhage.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature