< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Vaststellingsovereenkomst na vernietigd ontslagbesluit ambtenaar. Betrokkene maakt aanspraak op vergoeding van extra verschuldigde belasting en premies volksverzekeringen over gecumuleerd inkomen (nabetaling over verstreken jaren en reguliere salarisbetalingen). Verweerder heeft deze aanspraak op goede gronden afgewezen, omdat deze hogere belastingaanslag door partijen is voorzien en zij daarvoor in de vaststellingsovereenkomst een adequate financiële voorziening hebben getroffen. Ambtenaar maakt verder aanspraak op immateriële en materiële schadevergoeding als gevolg van voortdurende problemen bij de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst, waardoor betrokkene psychische problemen stelt te hebben ontwikkeld en geen aanvullende inkomsten heeft kunnen verwerven. Verweerder heeft ook deze aanspraak op goede gronden afgewezen. Overgelegde verklaring van een zenuwarts overtuigt de rechtbank niet vanwege onvoldoende professionele afstand tot de problematiek van de ambtenaar. Beroep ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/1320 AW

UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[A], wonende te [plaats], eiser,

en

dijkgraaf en hoogheemraden van Delfland, verweerder.

I. Ontstaan en loop van het geding

Eiser, sinds [datum] 1989 bij verweerder aangesteld als salaris- en personeelsadministrateur, is in januari 1990 uitgevallen wegens ziekte. Medio juli 1995 is hij volledig arbeidsgeschikt verklaard. Op 24 februari 1998 is eiser wederom uitgevallen wegens ziekte. Bij besluit van 19 december 2000 heeft verweerder eiser met ingang van 1 februari 2001 eervol ontslag verleend. Dit in bezwaar gehandhaafde ontslagbesluit is bij uitspraak van 25 maart 2004, 02/4147 AW, door de Centrale Raad van Beroep vernietigd.

Op 3 juli 2006 hebben eiser en verweerder een vaststellingsovereenkomst gesloten.

Deze vaststellingsovereenkomst houdt onder meer in dat eiser tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar is vrijgesteld van de verplichting werkzaamheden te verrichten en dat verweerder eiser een eenmalige vergoeding van € 56.000,-- betaalt. Het totaalbedrag zal uiterlijk 1 juli 2006 aan eiser worden uitbetaald.

Bij brief van 10 augustus 2007 heeft eiser verweerder verzocht om betaling van zijn voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2006 (verder: IB/PVV 2006) ten bedrage van € 4.138,--.

Bij brief van 15 augustus 2007 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Hiertegen heeft eiser op 20 september 2007 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij brieven van 19 april 2007 en 20 september 2007 heeft eiser verweerder aansprakelijk gesteld voor de door hem door toedoen van verweerder na de gesloten vaststellingsovereenkomst geleden immateriële en materiële schade.

Bij brief van 4 oktober 2007 heeft verzoeker deze aansprakelijkheid afgewezen.

Hiertegen heeft eiser op 18 oktober 2007 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Eiser is op 20 december 2007 op zijn beide bezwaren gehoord door de Commissie voor de Bezwaarschriften (verder: de commissie).

Deze commissie heeft op 14 januari 2008 aan verweerder advies uitgebracht.

Bij besluit van 18 januari 2008 heeft verweerder beide bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser op 25 februari 2008 bij de rechtbank beroep ingesteld. Bij brief van 29 april 2008 zijn de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 30 september 2008 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.I. van Gent, advocaat te Den Haag.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.A. Duk, advocaat te Den Haag, en [B].

Op 26 november 2008 heeft de rechtbank besloten tot heropening van het onderzoek, met bepaling van de nader door partijen te ondernemen acties.

Partijen hebben nadere stukken ingebracht en hebben gereageerd op elkaars producties. Desverzocht hebben zij de rechtbank toestemming verleend tot afdoening van het beroep zonder een nadere zitting. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

II. Motivering

1. De rechtbank staat in dit beroep voor de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen ingebrachte beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van de belastingaanslag

2.1 Het verzoek om betaling van de aan eiser opgelegde voorlopige aanslag IB/PVV 2006 is gebaseerd op een uitleg van de tussen eiser en verweerder gesloten vaststellingsovereenkomst van 3 juli 2006. Verweerder heeft het verzoek afgewezen. Het betreft hier derhalve een geschil over de interpretatie van de door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Deze overeenkomst vormt de neerslag van afspraken die tussen partijen zijn gemaakt over de voortzetting van het ambtelijke dienstverband. In de tussen eiser en verweerder bestaande ambtenaarrechtelijke rechtsverhouding moeten deze afspraken worden aangemerkt als een nadere regeling van eisers rechtspositie als ambtenaar, in dienst van verweerder.

2.2 Partijen zijn aan de vaststellingsovereenkomst gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid. Dit beginsel brengt met zich dat de gemaakte afspraken worden nagekomen. De rechtbank zal daarom nagaan of eiser kan worden gevolgd in zijn standpunt dat uit de vaststellingsovereenkomst voortvloeit dat hij aanspraak heeft op vergoeding van de hem opgelegde voorlopige aanslag IB/PVV 2006 ten bedrage van € 4.138,--, aangezien deze post niet is begrepen in het hem op grond van artikel 7 van die overeenkomst toekomende bedrag van € 56.000,--.

2.3 Verweerder heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat eiser met het uitgekeerde bedrag van

€ 56.000,-- ook is gecompenseerd voor de bij de onderhandelingen tussen partijen voorziene aanslag IB/PVV tegen het hogere 52%-tarief. Ter toelichting op zijn standpunt heeft verweerder gewezen op de rapportage van PriceWaterhouseCoopers (verder: PwC) aan verweerder van 8 juni 2005, waarin de berekeningen zijn opgenomen die aan de uitgekeerde vergoeding van € 56.000,-- ten grondslag zijn gelegd. Meer in het bijzonder heeft verweerder gewezen naar de tekst op blz. 9 van het PwC-rapport onder het kopje "Bruto compensatie salarisrechten" en naar bijlage 3. Deze bijlage bevat de berekening van de "bruto compensatie voor niet betaalde salarisrechten", die (naar boven afgerond) is vastgesteld op € 36.000,--.

2.4 De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt. Partijen hebben zich ten tijde van de onderhandelingen over de vaststellingsovereenkomst gerealiseerd dat in 2005 een cumulatie zou optreden tussen de nabetalingen aan eiser over de jaren 2001 tot en met 2004 in verband met het vernietigde ontslagbesluit en de reguliere salarisbetalingen over 2005. De berekeningen gaan er van uit dat de nabetalingen in 2005 zouden plaatsvinden. Daarom is in de berekeningen opgenomen het geschatte fiscale loon van eiser in 2005, dat (naar boven afgerond) is gesteld op € 40.000,--. Tussen partijen is niet in geschil dat deze cumulatie uiteindelijk niet is opgetreden in 2005, maar in de door eiser opgevoerde voorlopige aanslag IB/PVV 2006 tot uiting is gekomen. Het netto effect van de eenmalige betaling van € 56.000,-- bruto is door verweerder op 13 juli 2006 aan eiser overgemaakt.

2.5 Uit bijlage 3 bij het PwC-rapport blijkt dat de gemaakte berekeningen uitwezen dat eisers totale inkomen in de hoogste schijf naar het hogere 52%-tarief zou worden belast, terwijl zijn reguliere inkomen naar ten hoogste het 42%-tarief werd belast. Voor dit verschil is vervolgens in de berekeningen een gebruteerde voorziening getroffen van € 4.004,17. Dit bedrag is verwerkt in de aan eiser uitgekeerde vergoeding van € 36.000,--, die in artikel 7 is omschreven als "de afkoopsom voor de (mogelijke) aanspraken van de heer [A] op Delfland over de periode 2001-2004 ter zake van nabetalingen". Bezien in het licht van de door partijen aan dit afkoopbedrag ten grondslag gelegde berekeningen is deze omschrijving, indien letterlijk genomen, onvolledig. Het gaat immers niet alleen over de nabetalingen over verstreken jaren, maar over de cumulatie van die nabetalingen met de reguliere salarisbetalingen in het desbetreffende jaar. Wat daarvan zij, duidelijk is dat in de gemaakte berekeningen een voorziening is getroffen voor de verwachte hogere belastingaanslag van eiser. Daarbij is rekening gehouden met een geschat fiscaal loon 2005 van € 40.000,--, terwijl uit de individuele loonstaat van eiser over 2006 blijkt dat zijn jaarinkomen in 2006 € 41.863,93,-- bedroeg. Uit de door eiser opgevoerde voorlopige aanslag IB/PVV 2006 blijkt dat het 52%-tarief is toegepast op een inkomensschijf van € 40.413,--. Mede gelet op de toegepaste ruime afronding naar boven is eiser naar het oordeel van de rechtbank reeds volledig gecompenseerd voor de door hem opgevoerde voorlopige belastingaanslag IB/PVV 2006, waarin de eerder voorziene cumulatie tot uiting kwam.

2.6 Voorts voorziet artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst nog in de uitkering van een bedrag van € 9.000,- aan eiser "ter zake van rente en eventuele wettelijke verhogingen". Indien het in het bedrag van € 36.000,-- verdisconteerde bedrag al niet geheel toereikend zou zijn, kan het meerdere geacht wordt besloten te zijn in de gedane uitkering van € 9.000,-- onder evengenoemde omschrijving.

De rechtbank is voorts van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 8 van de vaststellingsovereenkomst, waartoe partijen jegens elkaar gehouden zijn, meebrengt dat dit artikel is bedoeld als een van gnetbepaling voor gevallen waarin eiser als gevolg van te late betalingen niet voorzienbare en door hem niet vermijdbare schade lijdt, welke in dat geval door verweerder moet worden vergoed. Nu uit het voorgaande expliciet blijkt dat de hogere belastingaanslag door partijen is voorzien en opgevangen in een adequate financiële compensatie aan eiser, is het bepaalde in artikel 8 in dit geval in redelijkheid niet van toepassing.

2.7 Eiser heeft daarom, gelet op de voorgaande overwegingen, ten onrechte genoemde belastingaanslag aanvullend bij verweerder in rekening gebracht, zodat verweerder op goede gronden uitbetaling daarvan (ook in bezwaar) heeft geweigerd.

Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van immateriële en materiële schade

3.1 Bij brief van 19 april 2007 heeft eiser zich tot verweerder gewend over diverse problemen van financiële aard, ontstaan bij de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst. Daarbij is medegedeeld dat eiser zich onder specialistische medische behandeling heeft moeten stellen. Uit een bijgevoegde medische verklaring van de zenuwarts [C] van 29 april 2007 blijkt dat eiser bij deze specialist in behandeling was wegens depressieve klachten en een chronische stressstoornis. Zijn functioneren in het dagelijks leven, als reactie op de voortdurende conflicten met de werkgever, was daardoor in hoge mate belemmerd. Door deze specialist werd eiser op dat moment 100% duurzaam arbeidsongeschikt geacht voor alle soorten werk. De specialist achtte de werkgever volledig verantwoordelijk voor de ontstane situatie na 1 juli 2006. Eiser heeft verweerder formeel aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden psychische en inkomensschade.

Bij brief van 20 september 2007 heeft eiser zich opnieuw met een aantal onopgeloste financiële kwesties in de sfeer van de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst tot verweerder gewend. Eiser heeft daarbij gesteld dat hij door deze slepende kwesties wordt belemmerd bij zijn re-integratie in het arbeidsproces. De behandelend arts heeft eiser daardoor volledig arbeidsongeschikt geacht. Eiser lijdt schade doordat hij niet in staat is zijn inkomen uit het dienstverband bij verweerder (80%) met aanvullende inkomsten tot 100% aan te vullen. Ten aanzien van de aansprakelijkstelling heeft eiser verzocht om een besluit van verweerder.

Bij brief van 4 oktober 2007 heeft verweerder gereageerd op de door eiser bij brief van 20 september 2007 aan de orde gestelde financiële kwesties. Ten aanzien van de door eiser gestelde schade heeft verweerder daarbij het standpunt ingenomen dat hij de vaststellingsovereenkomst volledig uitvoert, alle vragen van eiser tijdig en correct beantwoordt en op geen enkele wijze de re-integratie van eiser in het arbeidsproces belemmert. Verweerder aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de door eiser ondervonden medische problemen. Dit standpunt is in bezwaar gehandhaafd.

3.2 In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij telkens opnieuw heeft moeten ervaren dat verweerder de vaststellingsovereenkomst niet correct uitvoert. Eiser ervaart de door hem gesignaleerde kleinere en grotere onzorgvuldigheden als pestgedrag van verweerder, waaronder hij lijdt. Hij kan daardoor het verleden niet afsluiten en zich niet richten op zijn toekomst. Eiser acht de afwijzing van de aansprakelijkheid in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

3.3 Verweerder heeft in beroep gesteld dat de medische klachten van eiser op geen enkele wijze kunnen worden teruggeleid op het handelen van verweerder bij de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst. Verweerder blijft zich op het standpunt stellen de overeenkomst correct te hebben uitgevoerd en op vragen van eiser steeds tijdig en adequaat te hebben gereageerd. Dat tussen eiser en verweerder discussie is ontstaan over de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst levert als zodanig geen rechtsgrond voor eisers vordering op. Het verwijt dat verweerder zich aan pestgedrag schuldig zou hebben gemaakt acht verweerder niet terecht. Verweerder acht de verwijten van eiser in het overgenomen advies van de commissie voldoende weerlegd.

3.4 De rechtbank merkt het (in bezwaar gehandhaafde) besluit van verweerder tot afwijzing van de aansprakelijkstelling aan als een zuiver schadebesluit, omdat daarbij uitsluitend een beslissing is genomen op eisers aanspraak op schadevergoeding. Eiser heeft zijn aanspraak gebaseerd op feitelijk handelen van verweerder bij de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst. Nu eiser nog steeds bij verweerder in dienst is, betreft dit handelen ten aanzien van een ambtenaar als zodanig. De vaststellingsovereenkomst ziet immers op de nadere regeling van de rechtspositie van eiser als ambtenaar.

De Centrale Raad van Beroep heeft in bestendige jurisprudentie geoordeeld dat beslissingen op verzoeken van ambtenaren om vergoeding van schade die beweerdelijk is geleden ten gevolge van onjuist optreden van de overheidswerkgever aan de rechtsmacht van de ambtenarenrechter zijn onderworpen, zonder dat het noodzakelijk is dat ook tegen dat optreden zelf (na gemaakt bezwaar) voorziening bij die rechter openstaat (aldus onder meer: CRvB 4 januari 2007, LJN: AZ6788, TAR 2007/80).

Rechtsgrond voor toekenning van schadevergoeding bestaat, indien de werkgever jegens de ambtenaar onrechtmatig heeft gehandeld dan wel, kort weergegeven, is tekortgeschoten in zijn verplichtingen als goed werkgever waar het gaat om de inrichting van het werk en het treffen van maatregelen en het geven van aanwijzingen ter voorkoming van schade (aldus: CRvB 22 juni 2000, LJN: AB0072, TAR 2000/112).

3.5 De rechtbank staat dus voor de vraag of één van de hier bedoelde gevallen zich ten aanzien van eiser heeft voorgedaan. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.

Partijen stellen zich beiden op het standpunt dat zij elkaar in artikel 10 van de vaststellingsovereenkomst over en weer finale kwijting hebben verleend, zodat zij - behoudens de inhoud van de overeenkomst - niets meer van elkaar te vorderen hebben. De vordering van eiser is gebaseerd op de wijze waarop verweerder sinds 3 juli 2006 vorm heeft gegeven aan de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst.

De rechtbank stelt voorop dat een overeenkomst als hier aan de orde, gelet op de inhoud daarvan, geredelijk aanleiding kan geven tot vragen en problemen bij de uitvoering daarvan. Dit temeer daar ook externe instanties die geen partij bij de overeenkomst zijn, zoals de Belastingdienst en de Stichting Pensioenfonds Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, standpunten moeten innemen over aspecten van de tussen partijen overeengekomen onderdelen van de overeenkomst. Uit het dossier komt duidelijk naar voren dat over verscheidene aspecten van de overeenkomst tussen eiser en verweerder is gecorrespondeerd. Vastgesteld kan worden dat verweerder eisers brieven steeds correct, gemotiveerd en binnen redelijke termijnen heeft beantwoord.

De rechtbank acht het verder redelijk er van uit te gaan dat de salaristechnische verwerking van hetgeen tussen partijen is overeengekomen, gelet op de ingewikkeldheid van de materie en van de daarop van toepassing zijnde wet- en regelgeving, niet voortdurend foutloos zal kunnen plaatsvinden. Dat in verweerders salarisadministratie herberekeningen en correcties noodzakelijk zijn gebleken, zoals eiser onweersproken heeft gesteld, is dan ook min of meer te verwachten en kan verweerder niet verwijtbaar worden aangerekend. Van eiser, die zelf vele jaren als salarisadministrateur bij verweerder werkzaam is geweest, had wat dit betreft meer realiteitszin verwacht mogen worden.

De rechtbank ziet geen enkele aanleiding voor eisers stelling dat verweerders handelingen ter uitvoering van de vaststellingsovereenkomst moeten worden gekenmerkt als (bewust en opzettelijk) pestgedrag. Eiser heeft deze stelling niet aannemelijk gemaakt. Zij berust volledig op zijn subjectieve beleving van de ontstane problemen bij de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst.

Eiser heeft de rechtbank voorts niet kunnen overtuigen van de juistheid van zijn stelling dat hij als direct gevolg van het handelen van verweerder psychische problemen heeft ontwikkeld, die hem belemmeren bij het re-integreren op de arbeidsmarkt en bij het verwerven van aanvullende inkomsten. De verklaring van de zenuwarts [C] van 29 april 2007 overtuigt de rechtbank niet, aangezien deze specialist geen blijk geeft van de noodzakelijke professionele afstand tot de problematiek van zijn patiënt door diens problemen alleen op basis van de klachtenpresentatie van zijn patiënt volledig voor rekening van verweerder als werkgever te brengen.

Tenslotte heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij zonder de bij hem gediagnosticeerde psychische problemen aanvullende inkomsten had kunnen verwerven noch van welke omvang deze inkomsten dan zouden zijn geweest.

In het advies van de commissie, dat door verweerder in het bestreden besluit is overgenomen, is het voorgaande in essentie en in beknopte vorm verwoord. Gelet op het in de bezwaarfase voorhanden dossier acht de rechtbank die motivering toereikend.

4. Gelet op de voorgaande overwegingen moet het beroep ongegrond worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.W. Sentrop, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H.G. Egter van Wissekerke.

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature