< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat eiser sinds 1 juni 2004 geen rechtmatig verblijf meer heeft gehad in de zin van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 aangezien zijn vorige verblijfsvergunning per die datum zijn geldigheid heeft verloren en hij sindsdien in afwachting was van een beslissing op zijn aanvraag om een vergunning voor onbepaalde tijd, welke aanvraag gelijktijdig met het besluit tot ongewenstverklaring is afgewezen. In de periode dat eiser de beslissing van verweerder op zijn vergunningaanvraag afwachtte had hij weliswaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000, doch dit is geen rechtmatig verblijf in de zin van artikel 67 van de Vw 2000. Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 ongewenst te verklaren. Eisers stelling dat verweerder zijn bevoegdheden heeft misbruikt door geen beslissing op eisers aanvraag te nemen voordat hij de procedure tot ongewenstverklaring in gang heeft gezet, faalt. Van misbruik van bevoegdheid zou pas sprake kunnen zijn als (door eiser) aannemelijk was (gemaakt) dat de aanvraag voor toewijzing in aanmerking kwam en verweerder desalniettemin eerst tot ongewenstverklaring is overgegaan om daaraan artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 ten grondslag te kunnen leggen. Beroep ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, meervoudige kamer

Reg.nr : AWB 08/24817 ONGEWN

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Inzake : [Eiser], V-nummer [nummer], woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. M. Timmer, advocaat te Den Haag,

tegen : de staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. J.M. Sidler, ambtenaar ten departemente.

I PROCESVERLOOP

1 Eiser, geboren op [datum] 1974 en van Sierraleoonse nationaliteit, verblijft als vreemdeling in Nederland. Op 15 mei 2004 heeft hij een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000). Verweerder heeft het voornemen van 23 oktober 2006 om de aanvraag af te wijzen aan eiser op 31 oktober 2006 in persoon uitgereikt. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn zienswijze naar voren te brengen. Bij schrijven van 3 november 2006 heeft de korpschef van regiopolitie Zeeland een voorstel tot ongewenstverklaring van eiser ingediend. Bij besluit van 15 januari 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen en hem tevens ongewenst verklaard. Bij schrijven van

15 februari 2007 heeft eiser tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Voorts heeft eiser tegen voornoemd besluit ten aanzien van de ongewenstverklaring een bezwaarschrift ingediend.

2 Bij uitspraak van 6 augustus 2007 van de rechtbank ´s-Gravenhage is het tegen de afwijzing van de asielaanvraag ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Op 12 juni 2008 heeft verweerder het bezwaar gericht tegen de ongewenstverklaring ongegrond verklaard.

3 Bij schrijven van 10 juli 2008 heeft eiser tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

4 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 4 december 2008. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II OVERWEGINGEN

1In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2 Eiser stelt dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft overwogen, dat hij terecht op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw 2000 ongewenst is verklaard. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat hij rechtmatig in Nederland heeft verbleven, zodat de glijdende schaal toegepast had moeten worden. Voorts stelt eiser dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze op het voornemen naar voren te brengen.

3 Verweerder stelt zich onder verwijzing naar de ingediende stukken op het standpunt dat eiser op goede gronden ongewenst is verklaard.

4.1Ingevolge artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000 heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20 en 33, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist.

4.2 Ingevolge artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist.

4.3 Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000 kan de vreemdeling door Onze Minister ongewenst worden verklaard indien:

- hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem terzake de maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd;

- hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en

geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vw 2000.

4.4 Ingevolge artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 kan de ongewenst verklaarde vreemdeling in afwijking van artikel 8 geen rechtmatig verblijf hebben.

4.5 In het in onderdeel A5/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) weergegeven beleid was ten tijde van belang onder meer opgenomen dat ongewenstverklaring op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan plaatsvinden ten aanzien van een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verbleef en wiens verblijfsrecht wegens inbreuk op de openbare orde is beëindigd, bijvoorbeeld door een beslissing om de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet te verlengen of de verblijfsvergunning in te trekken. De glijdende schaal (zie artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000) is daarbij van toepassing. In alle gevallen vergt verblijfsbeëindiging dat de sanctie onherroepelijk is geworden. Indien de vreemdeling binnen zes maanden nadat de geldigheidsduur van de verleende vergunning is verstreken, een aanvraag heeft ingediend tot verlenging van de verblijfsvergunning, is de glijdende schaal eveneens van toepassing.

4.6 Met betrekking tot artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 is in dit beleid opgenomen dat ongewenstverklaring kan plaatsvinden indien een vreemdeling, die niet rechtmatig op grond van een verblijfsvergunning in Nederland verblijft, in gevallen waarin wegens misdrijf een veroordeling tot een gevangenisstraf heeft plaatsgevonden of waarin een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd en het (in totaal) onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van straf of maatregel ten minste een maand bedraagt; het is daarbij niet vereist dat de betreffende uitspraak onherroepelijk is geworden.

4.7 In dit beleid wordt voorts ondermeer vermeld dat bij de toepassing van de ongewenstverklaring de persoonlijke belangen van de vreemdeling zorgvuldig worden afgewogen tegen het algemeen belang, dat uit het oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend.

5.1 De rechtbank overweegt als volgt.

Uit artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 vloeit voort dat eiser geen rechtmatig verblijf kan hebben, zolang de ongewenstverklaring voortduurt. Bij een beroep van een vreemdeling tegen een besluit over een aanvraag tot verlening of verlenging van een verblijfsvergunning, dan wel een intrekking daarvan heeft hij, zolang hij ongewenst is verklaard, derhalve geen belang, omdat dit beroep nimmer tot rechtmatig verblijf kan leiden. Een ongewenst verklaarde vreemdeling kan in afwijking van artikel 8 immers geen rechtmatig verblijf hebben. Aan het in een dergelijk besluit neergelegde oordeel over de rechtmatigheid van het verblijf dat aan ongewenstverklaring krachtens artikel 67, eerste lid, onder a onderscheidenlijk c, van de Vw 2000 ten grondslag ligt, kan een vreemdeling zodanig belang evenmin ontlenen, omdat de vraag of hij al dan niet rechtmatig in Nederland verblijft bij de beoordeling van het besluit over de ongewenstverklaring aan de orde kan worden gesteld. Als gevolg hiervan is het beroep tegen de asielaanvraag door deze rechtbank bij uitspraak van 6 augustus 2007 niet-ontvankelijk verklaard.

5.2 Het onderscheid tussen onderdeel b en c van artikel 67, eerste lid, van de Vw 2000 en het daarop gestoelde beleid houdt onder meer in dat bij gebrek aan rechtmatig verblijf als bedoeld in het artikel, verweerder eerder - dat wil zeggen reeds bij een relatief minder ernstige veroordeling - de mogelijkheid heeft de betrokken vreemdeling ongewenst te verklaren dan wanneer de betrokkene wél rechtmatig verblijf zou hebben gehad. Voorts is door de aansluiting die het weergegeven beleid zoekt met de glijdende schaal zoals opgenomen in artikel 3.86 van het Vb 2000, gewaarborgd dat naarmate het rechtmatig verblijf langer voortduurt, een steeds zwaardere veroordeling aan de ongewenstverklaring ten grondslag dient te worden gelegd.

5.3 Niet in geschil is dat eiser blijkens het uittreksel Justitieel Documentatieregister bij vonnis van de Politierechter te Middelburg van 31 oktober 2003 veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 dagen wegens vernieling, mishandeling en bedreiging, welke veroordeling volgens het onder 4.6 weergegeven beleid kan leiden tot ongewenstverklaring indien eiser geen rechtmatig verblijf heeft.

5.4 De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat eiser sinds 1 juni 2004 geen rechtmatig verblijf meer heeft gehad in de zin van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 aangezien zijn vorige verblijfsvergunning per die datum zijn geldigheid heeft verloren en hij sindsdien in afwachting was van een beslissing op zijn aanvraag om een vergunning voor onbepaalde tijd, welke aanvraag gelijktijdig met het besluit tot ongewenstverklaring is afgewezen. In de periode dat eiser de beslissing van verweerder op zijn vergunningaanvraag afwachtte had hij weliswaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000, doch dit is geen rechtmatig verblijf in de zin van artikel 67 van de Vw 2000. Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 ongewenst te verklaren.

5.5 Eisers stelling dat verweerder zijn bevoegdheden heeft misbruikt door geen beslissing op eisers aanvraag te nemen voordat hij de procedure tot ongewenstverklaring in gang heeft gezet, faalt. Van misbruik van bevoegdheid zou pas sprake kunnen zijn als (door eiser) aannemelijk was (gemaakt) dat de aanvraag voor toewijzing in aanmerking kwam en verweerder desalniettemin eerst tot ongewenstverklaring is overgegaan om daaraan artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 ten grondslag te kunnen leggen.

5.6 Er bestaat voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het algemeen belang dat is gediend met de ongewenstverklaring zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser.

6 Eisers stelling dat zijn gemachtigde niet in de gelegenheid is gesteld een zienswijze in te dienen naar aanleiding van het voornemen hem ongewenst te verklaren, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Het is niet aannemelijk geworden dat eiser of mr. Timmer verweerder tijdig op de hoogte heeft gesteld van het feit dat mr. Timmer sinds november 2006 de gemachtigde van eiser was en in die hoedanigheid een kopie van het genoemde voornemen wenste te ontvangen.

7 Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden de ongewenstverklaring heeft gehandhaafd.

8 Het beroep is ongegrond.

9 Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. E.S.G. Jongeneel, D. Biever en G.F. van der Linden-Burgers en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2009, in tegenwoordigheid van

mr. M.L.E.H. Niemeijer-van Dongen, griffier.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na de verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature