< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Verdachte heeft gedurende geruime tijd geen gevolg gegeven aan de herhaalde verzoeken van de curatoren om boeken en bescheiden betreffende de diverse vennootschappen waarvan verdachte bestuurder was, aan de curatoren ter beschikking te stellen. Hierdoor heeft hij het werk van de curatoren om tot afwikkeling van de faillissementen te komen, gedurende lange tijd gefrustreerd. Voorts valt verdachte aan te rekenen dat hij als bestuurder van de vennootschap [....] Incasso B.V. een onvolledige administratie heeft gevoerd waardoor de curatoren geen juist en volledig beeld hebben kunnen krijgen van de rechten en verplichtingen van deze vennootschap jegens de diverse schuldeisers.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector Strafrecht

meervoudige strafkamer

parketnummer : 09.755.016-06;

datum uitspraak : 18 februari 2009

tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte :

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 19 juli 2007, 11 oktober 2007, 16 juli 2008, 8 december 2008 en 4 februari 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.C. Reddingius en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. S.V. Jansen, advocaat te

's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat :

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks

a) (ZD1) de periode van 3 maart 2004 tot en met 23 mei 2005 en/of

b) (ZD2) de periode van 1 februari 2004 tot en met 20 mei 2005 en/of

c) (ZD4) de periode van 22 februari 2005 tot en met 1 augustus 2005 en/of

d) (ZD9) de periode van 24 augustus 2004 tot en met 5 september 2005 en/of

e) (ZD15) de periode van 5 januari 2004 tot en met 23 mei 2005 en/of

f) (ZD17) de periode van 1 november 2004 tot en met 25 januari 2006 en/of

g) (ZD19) de periode van 25 februari 2004 tot en met 19 april 2006 en/of

h) (ZD20) de periode van 11 september 2003 tot en met 24 april 2006

althans, in of omstreeks de periode van 1 februari 2004 tot en met 24 april

2006, te [P1], in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en) (telkens variërend tussen de

EUR 383,69 en EUR 26.762,54 te weten in totaal ongeveer EUR 80.000) en/of in

elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan :

a) (ZD1) [X1] en/of (de eigenaar van) [X1] Schilder &

Interieurbetimmering en/of

b) (ZD2) [X2] en/of (de eigenaar van) [X3] Connections en/of

c) (ZD4) (de eigenaar van) [X4] B.V. (h.o.d.n. [X4]

Snacks) en/of

d) (ZD9) [X5] en/of (de eigenaar van) [......] Events en/of

e) (ZD15) [X6] en/of (de eigenaar van) [X6] CARS en/of

f) (ZD17) [X7] en/of (de eigenaar van) Sound en Light Support en/of

g) (ZD19) [X8] en/of (de eigenaar van) [X8] Administratie Service en/of

h) (ZD20) [X9] en/of (de eigenaar van) Timmer- en

Onderhoudsbedrijf [X9] en [X10]

en/of aan (een) andere natuurlijk(e) en/of (rechts)perso(o)n(en), in elk geval

aan een ander dan aan verdachte,

welk(e) geldbedrag(en) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke

dienstbetrekking van/als incassobureau/incassobureau-eigenaar, in elk geval

anders dan door misdrijf, te weten door het in opdracht van bovengenoemde opdrachtgevers incasseren van openstaande vorderingen bij derden, onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend door deze (bij derden geïncasseerde)

bedragen niet en/of niet geheel aan de rechthebbende(n) uit te betalen;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks

a) (ZD10) de periode van 1 maart 2005 tot en met 6 juli 2005 en/of

b) (ZD16) de periode van 1 maart 2004 tot en met 31 maart 2005 en/of

c) (ZD22) de periode van 1 augustus 2004 tot en met 5 juli 2005

althans, in of omstreeks de periode van 1 maart 2004 tot en met 6 juli 2005,

te [P1], in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk een of meer goed(eren) te weten (een deel van) een of

meer administratie(s) en/of (een) administratie(f)(ve) stuk(ken) en/of in elk

geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan

a) (ZD10) [X11] en/of (de eigenaar van) Bloemsierkunst [.....] en/of

b) (ZD16) [X12] en/of (de eigenaar van) Montagebedrijf [X12] en/of

c) (ZD22) [X13] en/of (de eigenaar van) [......] Lunch Boetiek,

en/of aan (een) andere natuurlijk(e) en/of (rechts)perso(o)n(en), in elk geval

aan een ander dan aan verdachte, welk(e) (delen van) een of meer

administratie(s) en/of administratieve stukken verdachte uit hoofde van zijn

persoonlijke dienstbetrekking van/als administrateur/administratiekantoor(houder), in elk geval anders dan door misdrijf, te weten door het ontvangen van genoemd(e) (administratie(f)(ve) stuk(ken) / administratie(s) ingevolge de opdracht van bovengenoemde opdrachtgever(s) tot het voeren en/of doen en/of bijwerken van de boekhouding(en) en/of de administratie(s) onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend door deze (delen van) administratie(s) niet (desgevraagd en/of op enig moment) terug te geven en/of (aldus) onder zich te houden;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht

3.

(ZD 18)

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot en met 28 maart 2006

te [P1], althans in Nederland, opzettelijk goederen en/of geld , te

weten een motor Suzuki (met kenteken [kenteken]) en/of de (verkoop)opbrengst van

de verkoop van deze motor, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [X14], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

hem, verdachte,

welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als houder

(tijdelijk) onder zich had (teneinde die motor voor die [X14] te

verkopen), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend door die motor en/of de

opbrengst van de verkoop van die motor niet (desgevraagd en/of op enig moment)

aan [X14] (terug) te geven en/of (aldus) onder zich te houden;

art 321 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks

a) (ZD6) de periode van 1 maart 2004 tot en met 2 augustus 2005 en/of

b) (ZD7) de periode van 1 april 2004 tot en met 2 augustus 2005 en/of

c) (ZD8) de periode van 1 april 2004 tot en met 12 juli 2005 en/of

d) (ZD11) de periode van 1 maart 2004 tot en met 3 augustus 2005 en/of

e) (ZD18) de periode van 1 maart 2004 tot en met 28 maart 2006 en/of

f) (ZD24) de periode van 1 maart 2004 tot en met 15 november 2006

althans, (op een of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 1

maart 2004 tot en met 15 november 2006, te [P1], in elk geval in

Nederland,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een

valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of

door een samenweefsel van verdichtsels

a) (ZD6) [X15] en/of

b) (ZD7) [X16] en/of

c) (ZD8) [X17] en/of

d) (ZD11) [X18] en/of

e) (ZD18) [X14] en/of

f) (ZD24) [X19] en/of [X20]

heeft bewogen tot de afgifte van (een) geldbedrag(en), (telkens variërend

tussen EUR 8.000,- en EUR 45.000,- te weten in totaal ongeveer EUR 145.000,-),

in elk geval van enig goed,

hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk

weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of

in strijd met de waarheid

zich heeft voorgedaan als bonafide eigenaar/directeur van een of meer

bedrij(f)(ven) waarvan/waarin aandelen konden worden gekocht, te weten [bedrijf A] B.V. (ZD6) en/of [bedrijf B] (ZD8) en/of [bedrijf C] (ZD18), en (als zodanig)

met [X15] (ZD6) en/of [X17] (ZD8) en/of [X14] (ZD18) een

(gedeeltelijke) aandelenoverdracht is overeengekomen terwijl (in

werkelijkheid) voor dit/deze bedrij(f)(ven) nooit (die) aandelen zijn

uitgeschreven en/of overgedragen en/of geleverd (aan genoemde personen),

en/of

zich heeft voorgedaan als bonafide franchisegever en/of (als zodanig) (een)

franchiseovereenkomst(en) is aangegaan met [X16] (ZD7) en/of [X18] (ZD11) en/of

[X20] (ZD24) met betrekking tot het project/concept [naam concept].nl,

terwijl (in werkelijkheid) het project/concept [naam concept].nl nooit heeft

gelopen/gedraaid althans niet in die vorm waarin het door hem, verdachte, aan

de (mogelijke) franchisenemers werd voorgespiegeld waardoor

a) (ZD6) [X15] en/of

b) (ZD7) [X16] en/of

c) (ZD8) [X17] en/of

d) (ZD11) [X18] en/of

g) (ZD18) [X14] en/of

h) (ZD24) [X19] en/of [X20]

werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

art 326 Wetboek van Strafrecht

5.

hij in of omstreeks

a) (ZD10) de periode van 1 maart 2005 tot en met 6 juli 2005 en/of

b) (ZD16) de periode van 1 maart 2004 tot en met 31 maart 2005 en/of

c) (ZD21) de periode van 27 mei 2005 tot en met 1 augustus 2005 en/of

d) (ZD22) de periode van 1 augustus 2004 tot en met 5 juli 2005

althans, (op een of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 1

maart 2004 tot en met 1 augustus 2005, te [P1], in elk geval in

Nederland,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een

valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of

door een samenweefsel van verdichtsels

a) (ZD10) [X11] en/of (de eigenaar van) Bloemsierkunst [.....] en/of

b) (ZD16) [X12] en/of (de eigenaar van) Montagebedrijf [X12] en/of

c) (ZD21) [X21] en/of (de eigenaar van) [......] en/of

d) (ZD22) [X13] en/of (de eigenaar van) [......] Lunch Boetiek,

heeft bewogen tot de afgifte van (een) geldbedrag(en), (telkens variërend

tussen EUR 1.500,- en EUR 10.377,99 te weten in totaal ongeveer EUR 26.500,-),

in elk geval van enig goed,

hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk

weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of

in strijd met de waarheid zich voorgedaan als bonafide boekhouder en/of

administrateur en/of (als zodanig) doen voorkomen dat hij, verdachte en/of

zijn bedrijf [bedrijf B], de administratie en/of boekhouding zou(den) verzorgen

en/of heeft/hebben verzorgd voor genoemde perso(o)n(en) en/of bedrij(f)(ven),

terwijl deze (overeengekomen) werkzaamheden niet althans niet in de

overeengekomen vorm en/of omvang konden en/of zouden worden uitgevoerd,

althans niet zijn uitgevoerd, waardoor

a) (ZD10) [X11] en/of (de eigenaar van) Bloemsierkunst [.....] en/of

b) (ZD16) [X12] en/of (de eigenaar van) Montagebedrijf [X12] en/of

c) (ZD21) [X21] en/of (de eigenaar van) [......] en/of

d) (ZD22) [X13] en/of (de eigenaar van) [......] Lunch Boetiek,

werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

art 326 Wetboek van Strafrecht

6.

(ZD12)

hij in of omstreeks de periode van 9 juni 2005 tot en met 26 oktober 2005 te

[P1], althans in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of

door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van

verdichtsels, [X22] heeft bewogen tot de afgifte van de onderneming met het daaraan dienstbare ondernemingsvermogen van de te [P2] gevestigde onderneming met de naam "Eetcafé [......]" , in elk geval van enig goed,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met

de waarheid zich voorgedaan als een kredietwaardige en/of bonafide koper althans als iemand die de koopprijs (van EUR 65.000) kon betalen (althans als iemand die de

koopprijs in (54) maandelijkse termijnen (van EUR 1.203,70 + rente) kon en/of voornemens was te betalen) terwijl hij in werkelijkheid op dat moment niet over dat geld beschikte en/of kon beschikken en/of in de nabije toekomst zou en/of voornemens was te kunnen

beschikken, waardoor [X22] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 326 Wetboek van Strafrecht

7.

(ZD 8)

hij op of omstreeks 12 maart 2004 te [P1], althans in Nederland,

een brief d.d. 12 maart 2004 - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot

bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft hij, verdachte toen en daar (telkens) valselijk - immers

opzettelijk in strijd met de waarheid -

in die brief (d.d. 12-03-2004) opgenomen/ingevuld en/of doen laten

opnemen/invullen dat [X17] per 01-04-2004 een salarisverhoging

krijgt van EUR 297,60 bruto per maand,

en/of heeft hij, verdachte, dat geschrift ondertekend met zijn naam en/of

handtekening ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van dat geschrift,

zulks terwijl nimmer een (dergelijke) salarisverhoging is overeengekomen

tussen verdachte en die [X17] (en genoemde salarisverhoging ook

nimmer is gevolgd)

en/of zulks (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst

te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

8.

(ZD 3)

hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2005 tot en met 2 augustus 2005

te [P1] althans in Nederland,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste (euro)cheque

(van de Credit Agricole Nord de France) - zijnde een geschrift dat bestemd

was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en

onvervalst,

bestaande dat gebruik maken hierin dat hij, verdachte, deze cheque (op

08-02-2005) heeft ingeleverd bij de Rabobank ter incasso en/of vervolgens

deze cheque en/of het verzoek tot incasso van die cheque heeft gehandhaafd

althans niet heeft ingetrokken (ook nadat (op 21-04-2005) was gebleken dat

genoemde cheque vals/vervalst was en/of dit aan hem, verdachte, was gemeld),

en bestaande die valsheid en/of vervalsing hierin dat het bedrag in cijfers en

letters is gewijzigd (van oorspronkelijk EUR 41,91 in een bedrag van EUR

126.500,-) en/of dat de naam van de begunstigde is gewijzigd (van

oorspronkelijk [X23] in [bedrijf C] Incasso B.V.);

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden :

(ZD 3)

hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2005 tot en met 2 augustus 2005

te [P1] althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

gebruik te maken van een valse of vervalste (euro)cheque (van de Credit

Agricole Nord de France) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs

van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst,

bestaande dat gebruik maken hierin dat hij, verdachte, deze cheque ( op

08-02-2005) heeft ingeleverd bij de Rabobank ter incasso en/of deze cheque

niet en/of het verzoek tot incasso van die cheque heeft gehandhaafd althans

niet heeft ingetrokken (ook nadat op 21-04-2005 is gebleken dat genoemde

cheque vals/vervalst was en/of dit aan hem, verdachte, was gemeld)

en bestaande die valsheid en/of vervalsing hierin dat het bedrag in cijfers en

letters is gewijzigd (van oorspronkelijk EUR 41,91 in een bedrag van EUR

126.500,-) en/of dat de naam van de begunstigde is gewijzigd (van

oorspronkelijk [X23] in [bedrijf C] Incasso B.V.),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

9.

(ZD 23)

hij, in of omstreeks de periode van 1 maart 2004 tot en met 16 oktober 2006,

althans op een of meer tijdstip(pen) in deze periode, te [P1], althans

in Nederland,

als bestuurder van een of meer rechtsperso(o)n(en), te weten [bedrijf A] B.V.

en/of [bedrijf C] Incasso B.V. en/of [bedrijf B] Advies B.V. en/of [bedrijf D]

Management B.V. en/of [E] B.V. welke bij vonnis(sen) van de

Rechtbank te 's-Gravenhage (sector civiel recht - enkelvoudige kamer) van

[datum]2005 en/of [datum]2005 en/of [datum]2005 en/of [datum]2005 in staat van

faillissement is/zijn verklaard,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(s)

van [bedrijf A] B.V. en/of [bedrijf C] Incasso B.V. en/of [bedrijf B] Advies B.V.

en/of [bedrijf D] Management B.V. en/of [E] B.V.,

niet, althans niet volledig heeft voldaan aan de op hem rustende

verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge

artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en /of artikel

15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of tevoorschijn

brengen van boeken en/of bescheiden en/of gegevensdragers in dat/die

artikel(en) bedoeld,

immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar

- geen (volledige) kasadministratie gevoerd in een of meer van zijn

die voornoemde rechtsperso(o)n(en) / bedrij(f)(ven) en/of

- (regelmatig) contante inkomsten en/of uitgaven van/voor een of meer van zijn die voornoemde rechtsperso(o)n(en) / bedrij(f)(ven) niet verantwoord in de administratie(s) en/of

- geen jaarrekening opgemaakt/laten opmaken over het jaar 2004 en/of

- vanaf maart 2005 in het geheel geen administratie (meer) gevoerd en/of

- ondanks (herhaalde) schriftelijke en/of mondelinge

uitnodiging(en)/verzoek(en) daartoe, niet de (volledige) administratie van [bedrijf A] B.V. en/of [bedrijf C] Incasso B.V. en/of [bedrijf B] Advies B.V. en/of [bedrijf D] Management B.V. en/of [E] B.V. aan de (benoemde) curator(en)

( mr. [curator 1] en/of mr. [curator 2]) overhandigd/uitgeleverd, althans

ter beschikking gesteld,

ten gevolge waarvan de rechten en verplichtingen van die rechtsperso(o)n(en)

en/of hem, verdachte, niet te allen tijde (juist en volledig) konden worden

gekend;

art 343 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden :

(ZD 23)

hij, in of omstreeks de periode van 1 maart 2004 t/m 16 oktober 2006, althans

op een of meer tijdstip(pen) in deze periode, te [P1], althans in

Nederland,

als bestuurder van (een) rechtsperso(o)n(en), te weten [bedrijf A] B.V. en/of

[bedrijf C] Incasso B.V. en/of [bedrijf B] Advies B.V. en/of [bedrijf D] Management

B.V. en/of [E] B.V., welke bij vonnis(sen) van de Rechtbank te

's-Gravenhage (sector civiel recht - enkelvoudige kamer) van [datum]2005 en/of

[datum]2005 en/of [datum]2005 en/of [datum]2005 in staat van faillissement

is/zijn verklaard,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) niet, althans niet volledig heeft voldaan aan de in artikel 1 0,

eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i van Boek 3

van het Burgerlijk Wetboek omschreven verplichting(en) en/of de boeken en/of

bescheiden en/of (andere) gegevensdragers, waarmee volgens dat/die artikel(en)

administratie is gevoerd en/of die ingevolge dat/die artikel(en) zijn bewaard,

niet in ongeschonden staat tevoorschijn heeft gebracht,

immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar

- geen (volledige) kasadministratiegevoerd in een of meer van zijn

bedrij(f)(ven) en/of

- (regelmatig) contante inkomsten en/of uitgaven van/voor een of meer van zijn

bedrij(f)(ven) niet verantwoord in de administratie(s) en/of

- geen jaarrekening opgemaakt en/of laten opmaken over het jaar 2004 en/of

- vanaf maart 2005 in het geheel geen administratie (meer) gevoerd en/of

- ondanks (herhaalde) schriftelijke en/of mondelinge

uitnodiging(en)/verzoek(en) daartoe, niet de administratie van [bedrijf A] B.V.

en/of [bedrijf C] Incasso B.V. en/of [bedrijf B] Advies B.V. en/of [bedrijf D]

Management B.V. en/of [E] B.V. aan de (benoemde) curator(en) ( mr. [curator 1] en/of mr. [curator 2]) overhandigd/uitgeleverd, althans ter

beschikking gesteld,

ten gevolge waarvan de rechten en verplichtingen van die rechtsperso(o)n(en)

en/of hem, verdachte, niet te allen tijde (juist en volledig) konden worden gekend;

art 342 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

10.

(ZD 13)

hij op of omstreeks 22 mei 2004 te [P1] opzettelijk een persoon (te

weten [X24]) (ruw) bij zijn keel heeft gegrepen en/of zijn keel gedurende enige tijd (deels) heeft dichtgeknepen en/of (deels) dichtgeknepen heeft gehouden, waardoor deze [X24] pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

11.

(ZD 13)

hij in of omstreeks de periode van 17 mei 2004 tot en met 27 mei 2004,

althans op een of meer tijdstip(pen) in deze periode, te [P1], althans

in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk

om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of

bedreiging met geweld een ander, te weten [X24], te dwingen tot de

afgifte van goederen/geld (te weten een (geld)bedrag van EUR 15.000, althans

enig geldbedrag), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan die [X24], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

die [X24] bij de keel heeft gegrepen en/of de keel gedurende enige tijd (deels) heeft dichtgeknepen en/of (deels) dichtgeknepen heeft gehouden

en/of (vervolgens) heeft gedreigd met fysiek geweld (te weten hem, die [X24],

te zullen slopen met zijn handen) en/of heeft gedreigd het bedrijf van die [X24] kapot te zullen maken, althans te zullen zorgen voor het royement van

het bedrijf van die [X24] als die [X24] niet aan hem, verdachte, een

bedrag van EUR 15.000 (althans enig bedrag) zou betalen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

(ZD 13)

hij in of omstreeks de periode van 17 mei 2005 tot en met 27 mei 2005,

althans op een of meer tijdstip(pen) in deze periode, te [P1], althans

in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een ander, te

weten [X24], door geweld en/of enige andere feitelijkheid en/of door

bedreiging met geweld en/of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [X24] en/of zijn bedrijf, wederrechtelijk te dwingen iets te doen (te

weten het aan hem, verdachte, betalen van een bedrag van EUR 15.000, althans

enig geldbedrag) en/of iets te dulden en/of iets na te laten, heeft gedreigd

het bedrijf van die [X24] kapot te zullen maken, althans te zullen

zorgen voor het royement van het bedrijf van die [X24] als die [X24] niet aan hem, verdachte, een bedrag van EUR 15.000 (althans enig bedrag)

zou betalen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3. De dagvaarding, de bevoegdheid van de rechtbank, de ontvankelijkheid van de officier van justitie en schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op grote schaal gedurende geruime tijd heeft beziggehouden met verduistering van geld en goederen van anderen, alsmede met oplichting, als ook valsheid in geschrifte, eveneens dat hij zich heeft bezig gehouden met het plegen van bedriegelijke c.q. eenvoudige bankbreuk, ten aanzien van alle feiten telkens meermalen gepleegd.

Verdachte wordt verder verweten dat hij een persoon heeft mishandeld en heeft gepoogd deze persoon af te persen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van alle feiten vrijspraak bepleit althans afwezigheid van alle schuld.

4.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Ten aanzien van feit 1.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 telastgelegde feiten heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Tot dat oordeel is het navolgende redengevend.

In de periode waarin de telastgelegde feiten zouden zijn gepleegd was verdachte bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf C] Incasso B.V., gevestigd te [P1] (hierna ook: [bedrijf C]). De bedrijfsomschrijving van deze vennootschap luidde: het in opdracht van cliënten incasseren van niet betaalde vorderingen. Kort gezegd dreef [bedrijf C] een incassobureau. [bedrijf C] is op [datum] 2005 in staat van faillissement verklaard.

Door diverse aangevers (in elk geval de acht, genoemd in de telastlegging) is aangifte gedaan van verduistering. Die aangiften komen er op neer dat [bedrijf C] ingevolge door haar met de aangevers gesloten incasso-overeenkomsten bij één of meer debiteuren van de aangevers gelden heeft geïnd, welke [bedrijf C] vervolgens niet heeft afgedragen aan de aangevers. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [bedrijf C], hetzij door de ontvangst van betalingen op haar bankrekeningen, hetzij door de ontvangst van contante geldbedragen, inderdaad gelden van de diverse aangevers onder zich heeft gekregen welke niet aan die aangevers zijn afgedragen.

Aan verdachte is telastgelegd dat hij zich de betreffende geldbedragen, die hij uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als incassobureau/incassobureau-eigenaar, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend door die bedragen niet aan de rechthebbenden uit te betalen. Die telastlegging gaat er aldus van uit dat [bedrijf C] en verdachte zijn te vereenzelvigen. Dat is evenwel een onjuist uitgangspunt, gelet op de rechtspersoonlijkheid die nu eenmaal aan een besloten vennootschap is verbonden. Uit de aangiften blijkt dat alle aangevers [bedrijf C] beschouwen als hun contractspartner bij de overeenkomst tot incasso, dat zij [bedrijf C] verwijten de geïncasseerde gelden niet te hebben afgedragen en dat zij hebben bedoeld tegen [bedrijf C] aangifte van verduistering te doen. Slechts in één geval is, behalve tegen [bedrijf C], ook aangifte gedaan tegen verdachte als feitelijk leidinggevende, maar ook aan die aangifte ligt de gedachte ten grondslag dat het [bedrijf C] is geweest die de beweerdelijke verduistering heeft gepleegd.

De rechtbank is van oordeel dat, zo de in de dagvaarding omschreven handelingen al kunnen gelden als verduistering, deze in elk geval niet door verdachte zijn gepleegd doch door [bedrijf C], waarbij aan verdachte hooguit kan worden verweten aan die gedraging feitelijk leiding te hebben gegeven. Dat is evenwel niet telastgelegd. Reeds daarom dient vrijspraak te volgen.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de beslissing mogelijk niet anders zou hebben geluid als aan verdachte wel het feitelijk leiding geven aan door [bedrijf C] gepleegde verduistering zou zijn telastgelegd, aangezien het de rechtbank voorkomt dat niet wettig en overtuigend bewezen zou kunnen worden verklaard dat [bedrijf C] zich de door haar ontvangen maar niet afgedragen gelden heeft toegeëigend. Niet meer en anders is gebleken dan dat [bedrijf C] in verband met haar precaire financiële situatie de door haar ontvangen gelden heeft aangewend voor het betalen van andere verplichtingen in plaats van die gelden aan de aangevers uit te keren. Een dergelijk gedrag mag leiden tot civiele aansprakelijkheid, maar kan niet gelden als toeëigening ten eigen bate in strafrechtelijke zin.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 telastgelegde feiten heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Tot dat oordeel is het navolgende redengevend.

Door diverse aangevers is aangifte gedaan van verduistering van administratie die door hen was overhandigd in het kader van een overeenkomst tot het verrichten van financiële dienstverlening. In al die gevallen is die overeenkomst gesloten met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf B] B.V., gevestigd te [P1], waarvan verdachte bestuurder was. Onder verwijzing naar hetgeen onder feit 1 is overwogen over het ten onrechte vereenzelvigen van verdachte met een rechtspersoon (in dit geval [bedrijf B]) is ook hier de conclusie dat aan verdachte ten hoogste feitelijk leiding geven aan verduistering door [bedrijf B] ten laste had kunnen worden gelegd, zij het dat ten overvloede kan worden vastgesteld dat geen feiten en omstandigheden zijn gebleken waaruit kan volgen dat van enige toeëigeningshandeling door [bedrijf B] met betrekking tot administratieve stukken sprake is geweest.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 telastgelegde feit heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Tot dat oordeel is het navolgende redengevend.

Aan verdachte is telastgelegd, samengevat, dat hij zich een motorfiets, althans de verkoopopbrengst daarvan, heeft toegeëigend welke motorfiets of verkoopopbrengst toebehoorde aan [X14].

Vast staat dat verdachte, ingevolge een met [X14] gemaakte afspraak inhoudende dat verdachte een aan [X14] in eigendom toebehorende motorfiets zou verkopen, die motorfiets ook metterdaad te gelde heeft gemaakt door die te ruilen tegen een ander voertuig. Vervolgens staat vast dat verdachte de met die transactie behaalde winst zelf heeft behouden.

[X14] heeft aangifte gedaan van verduistering, waartoe hij heeft gesteld dat afgesproken was dat verdachte de opbrengst aan hem, [X14] zou afdragen. Verdachte heeft daar tegenover gesteld dat afgesproken was dat hij de opbrengst kon verrekenen met een schuld welke [X14] nog aan hem, verdachte, had.

Verdere gegevens omtrent deze zaak zijn niet bekend geworden. Bij die stand van zaken moet worden geconcludeerd dat de standpunten van [X14] en verdachte omtrent de vraag aan wie de verkoopopbrengst van de motor toekwam, tegenover elkaar staan zonder dat er duidelijke aanwijzingen zijn voor de juistheid van één van beide standpunten. Uit een oogpunt van bewijs betekent dit, dat de enkele verklaring van [X14] onvoldoende is om te komen tot het oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem verweten verduistering.

Ten aanzien van feit 4.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder feit 4 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte wordt kort gezegd verweten dat hij kopers van aandelen heeft opgelicht door zich in strijd met de waarheid voor te doen als bonafide eigenaar/directeur van bedrijven waarin aandelen konden worden gekocht, en voorts dat hij franchisenemers heeft opgelicht door zich voor te doen als bonafide franchisegever.

Ten aanzien van de verkoop van aandelen:

Vast staat dat verdachte mondelinge overeenkomsten heeft gesloten betreffende de verkoop van aandelen in [bedrijf A] B.V., [bedrijf B] B.V. en [bedrijf C] Incasso B.V. met respectievelijk [X15], [X17] en [X14]. Tevens staat vast dat verdachte (deel)betalingen van de kopers in ontvangst heeft genomen maar bedoelde aandelen niet heeft geleverd. Voornoemde vennootschappen zijn medio 2005 in staat van faillissement verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Verdachte was indirect enig aandeelhouder van voornoemde vennootschappen en als zodanig bevoegd om aandelen in die vennootschappen te verkopen. Uit de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat onenigheid is ontstaan tussen verdachte enerzijds en de kopers anderzijds ter zake van het moment waarop de levering van de aandelen zou plaatsvinden. De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte daadwerkelijk van plan was de aandelen te leveren, maar dat was afgesproken dat de levering zou plaatsvinden op het moment dat de koopsom volledig zou zijn voldaan, hetgeen nooit zou zijn gebeurd. Wat de precieze afspraken tussen partijen zijn geweest heeft de rechtbank bij gebreke van schriftelijke overeenkomsten niet kunnen vaststellen. Uit het enkele feit dat tussen verdachte enerzijds en de kopers anderzijds een geschil omtrent de uitvoering van de (mondelinge) koopovereenkomsten is ontstaan, volgt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat verdachte de kopers heeft opgelicht. Meer in het bijzonder blijkt niet dat verdachte ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten en het ontvangen van de (aan)betalingen van de kopers, het vooropgezet plan had om nimmer tot levering van de aandelen over te gaan dan wel wist dat hij die aandelen nimmer zou kunnen leveren. Aldus ontbreek het wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als bonafide eigenaar/directeur van een of meer bedrijven waarin aandelen konden worden gekocht.

Ten aanzien van de franchiseovereenkomsten:

Verdachte heeft franchiseovereenkomsten gesloten betreffende het concept "[project]" met [X16], [X18] en [X20] en heeft van de franchisenemers betalingen in ontvangst genomen. Uit de verklaringen van verdachte, de franchisenemers en andere betrokkenen blijkt dat het concept "[project]" werd gezien als een levensvatbaar project. Verdachte en de overige betrokkenen zijn het erover eens dat het project is mislukt. Over de oorzaak daarvan is niet eenduidig verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het enkele feit dat verdachte franchisenemers heeft benaderd en gelden in ontvangst heeft genomen voor een project dat vervolgens is mislukt, niet mee dat sprake is van oplichting. Niet is gebleken dat verdachte ten tijde van het aangaan van de franchiseovereenkomsten en het ontvangen van betalingen in dat verband, in het geheel niet voornemens was om het project daadwerkelijk ten uitvoer te brengen of anderszins wist dat het project nimmer van de grond zou komen. Aldus ontbreekt wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich wederrechtelijk heeft bevoordeeld door een of meer van de ten laste gelegde oplichtingsmiddelen.

Ten aanzien van feit 5.

De rechtbank acht op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om te komen tot een bewezenverklaring van het onder 5. aan verdachte verweten feit. Daargelaten dat ook ten aanzien van dit verwijt heeft te gelden dat niet kan worden bewezen dat, zoals tenlastegelegd, verdachte op persoonlijke titel - en dus niet (als feitelijk leidinggevende van) [bedrijf B] B.V. - heeft gehandeld, komt de rechtbank mede op navolgende gronden tot haar oordeel.

Het verwijt dat verdachte wordt gemaakt, komt erop neer dat hij de aangevers [X11], [X12], [X21] en [X13] heeft opgelicht door hen in strijd met de waarheid te doen voorkomen dat hun boekhouding zou worden verzorgd en dat hij genoemde aangevers aldus heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen. Hiervoor moet komen vast te staan dat verdachte ten tijde van het maken van de afspraken het oogmerk had om deze aangevers - kort gezegd - op te lichten. Dat van dat oogmerk sprake is geweest, vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in de uit het onderzoek naar voren gekomen feiten en omstandigheden. Zo blijkt onder meer uit de verklaringen van verdachte en die van zijn boekhouder [X17] dat [bedrijf B] B.V. zich daadwerkelijk bezighield met administratieve werkzaamheden ten behoeve van derden. Verder staat vast dat dergelijke werkzaamheden voor [X11], [X12], [X21] en [X13] ook zijn verricht. Het kan zijn dat het dossier aanwijzingen biedt op basis waarvan de aangevers goede gronden hebben om verdachte civielrechtelijk het verwijt te maken dat de afgesproken werkzaamheden niet volledig of naar behoren zijn uitgevoerd en dat daarbij in aanzienlijke mate is gefactureerd. Dit brengt echter niet zonder meer mee dat verdachte met zijn handelwijze ook in strafrechtelijke zin onoorbaar heeft gehandeld, te weten het met een vooropgezet plan gelden afhandig willen maken. Nu de rechtbank daarvoor onvoldoende bewijs aanwezig acht, zal zij verdachte van dit feit vrijspreken.

Ten aanzien van feit 6.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 6 telastgelegde feit heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Tot dat oordeel is het navolgende redengevend.

Vast staat dat verdachte met [X22] op 9 juni 2005 een als "koopovereenkomst op afbetaling" betitelde overeenkomst heeft gesloten, welke strekte tot de koop door verdachte van de tot dan toe door [X22] gedreven onderneming, zijnde een eetcafé te [P2]. In de overeenkomst is onder meer bepaald dat de koopprijs € 65.000,-- bedroeg, te voldoen in 54 maandelijkse termijnen van € 1.203,70, voor het eerst op 1 augustus 2005, alsmede een rente van 6% per jaar over het niet voldane deel van de koopprijs. Verder staat vast dat verdachte nimmer enig bedrag op basis van deze overeenkomst aan [X22] heeft voldaan.

Aan verdachte is telastgelegd dat hij [X22] heeft opgelicht door zich in strijd met de waarheid voor te doen als een kredietwaardige koper, althans als iemand die de koopprijs (van € 65.000,--) kon betalen, althans als iemand die als iemand die dat bedrag in 54 maandelijkse termijnen zou kunnen voldoen, terwijl hij in werkelijkheid op dat moment niet over dat geld beschikte en/of kon beschikken en/of in de nabije toekomst zou kunnen beschikken. Daardoor zou [X22] zijn bewogen tot het aangaan van de overeenkomst, inhoudende afgifte van het gekochte.

De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat aan een civiele overeenkomst geen uitvoering wordt gegeven nog allerminst betekent dat bij het aangaan van die overeenkomst sprake is geweest van oplichting. Voor problemen bij de uitvoering van een overeenkomst kunnen vele redenen zijn. Ook in dit geval hebben verdachte en [X22] uiteenlopende, maar wel uitvoerige uiteenzettingen gewijd aan de vraag wie van beide partijen enige verplichting uit de overeenkomst wel of niet is nagekomen en tot wat voor gevolgen dat heeft geleid.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich bij het aangaan van de overeenkomst in financieel opzicht zodanig beter heeft voorgedaan dan hij in feite was, dat [X22] onder invloed daarvan tot het aangaan van de overeenkomst is bewogen. [X22] heeft, in zijn nadere verhoor tegenover de rechter-commissaris op 3 november 2008, op vragen van de officier van justitie immers onder meer het volgende verklaard:

Gedurende de onderhandelingen over de verkoop van mijn eetcafé [......] heb ik ook zelf met [verdachte] gesproken. Het eerste, oriënterende gesprek heb ik met hem in het bijzijn van mijn makelaar gevoerd. Dat is alweer een paar jaar geleden. In dit gesprek gaf [verdachte] aan dat hij geïnteresseerd was. We zijn ook door het pand gelopen. In dat eerste gesprek is ook over de prijs gesproken. [verdachte] gaf aan dat hij de financiering via een brouwerij zou gaan regelen. Ik ging er toen, net als [verdachte], vanuit dat het eetcafé vrij was en niet aan een brouwerij gebonden was. [verdachte] kwam later terug met de mededeling dat het eetcafé niet vrij was en dat hij zijn financiering dus ook niet rond kon krijgen. We hebben toen afgesproken dat hij mij in termijnen zou betalen. Het staat mij bij dat hij met ingang van augustus 2005 zou moeten gaan betalen.

Uit deze verklaring valt af te leiden dat het [X22] van den aanvang af duidelijk is geweest dat er sprake was van de noodzaak voor verdachte om de koopprijs te financieren. Toen die financiering, vanwege een ook door [X22] niet voorziene omstandigheid, niet mogelijk bleek heeft [X22] -kort gezegd- die financiering zelf verschaft. Aldus moet de financiële positie van verdachte voor [X22] overduidelijk zijn geweest, althans had die dat na verder onderzoek kunnen zijn. Van een oplichtingmiddel als in de telastlegging omschreven is aldus geen sprake.

Ten aanzien van feit 7

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 7 telastgelegde feit heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Tot dat oordeel is het navolgende redengevend.

Verdachte wordt telastgelegd dat hij een onjuiste verklaring heeft opgesteld met betrekking tot de hoogte van het loon van een werknemer.

Die verklaring luidt als volgt:

Hierbij bevestig ik, [verdachte] uit hoofde van directeur van [bedrijf B] B.V., dat U een salarisverhoging krijgt per 1 april 2004 van € 297,60 per jaar.

Voor zover door het opstellen van die verklaring al het misdrijf als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht zou zijn gepleegd, dan nog is dat gedaan door [bedrijf B] B.V., aan welke gedraging door verdachte feitelijk leiding is gegeven. Dat is evenwel niet aan verdachte telastgelegd.

Ten aanzien van feit 8

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 8 telastgelegde feit heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Tot dat oordeel is het navolgende redengevend.

Vast staat dat verdachte op 8 maart 2005 aan de Rabobank te [P1] een cheque heeft aangeboden met de bedoeling het op die cheque vermelde bedrag aan [bedrijf C] Incasso uitgekeerd te krijgen.

Het gaat om een cheque van de Franse bank Crédit Agricole Nord de France. De cheque is uitgeschreven tot een bedrag van € 126.500,--. Als uitgever van de cheque staat vermeld [......] te Lille.

De Rabobank heeft de cheque ter incasso naar een bank in Frankrijk gestuurd. Van die zijde is vernomen dat het zou gaan om een vervalste cheque, aangezien het originele bedrag € 41,91 betrof. De Rabobank heeft verdachte hierover geïnformeerd, waarna verdachte heeft aangegeven nadere informatie in te zullen winnen bij de cliënt die hem de cheque ter hand zou hebben gesteld. Van nader contact tussen verdachte en de Rabobank is evenwel geen sprake meer geweest, ondanks pogingen van de Rabobank om een dergelijk contact tot stand te brengen.

Via een rogatoire commissie is bevestigd dat het gaat om een vervalste cheque. Degene die de oorspronkelijke cheque heeft uitgeschreven is gehoord, en heeft verklaard dat de oorspronkelijke begunstigde een zekere [X23] was (derhalve niet [bedrijf C] Incasso B.V.) en het oorspronkelijke bedrag € 41,91.

Aan verdachte is telastgelegd het opzettelijk gebruik maken van de betreffende vervalste cheque door deze ter incasso in te leveren bij de Rabobank, subsidiair poging tot dat gebruik.

Zowel voor bewezenverklaring van de primaire als de subsidiaire variant van het aldus telastgelegde is vereist dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte wist dat de cheque die hij bij de Rabobank inleverde vals of vervalst was. Aan de officier van justitie kan worden toegegeven dat de omstandigheden -zoals die door verdachte zijn beschreven- waaronder hij de betreffende cheque in handen zou hebben gekregen, alsmede het hoge bedrag op die cheque, minst genomen als merkwaardig moeten worden aangemerkt. Wetenschap van de valsheid van de cheque bij verdachte volgt daar evenwel nog niet uit, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet. Daarbij komt dat de cheque, naar de rechtbank op basis van waarneming van het origineel ter zitting heeft kunnen vaststellen, op een zodanige vakkundige wijze is vervalst dat dit niet met het blote oog is vast te stellen.

De officier van justitie heeft nog aangevoerd dat, zelfs als verdachte ten tijde van het indienen van de cheque geen wetenschap zou hebben gehad omtrent de valsheid daarvan, het telastgelegde feit toch in enige variant bewezen kan worden verklaard nu verdachte, nadat hem door de Rabobank was medegedeeld dat het vermoedelijk een valse cheque betrof, de cheque niet heeft ingetrokken. Die redenering kan de rechtbank niet volgen, nu het er uitsluitend om gaat of verdachte bij het indienen van de cheque (reeds) op de hoogte was van het feit dat het hier ging om een vervalsing.

Ten aanzien van feit 9.

Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er kort en feitelijk weergegeven op neer dat verdachte geen deugdelijke administratie voerde in zijn bedrijven, en zich niet heeft gehouden aan zijn verplichtingen jegens de curatoren om de administratie te overhandigen. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak althans ontslag van alle rechtsvervolging bepleit en daartoe aangevoerd dat verdachte wel een administratie heeft gevoerd maar dat deze in verband met een ontruiming door een verhuisbedrijf in een container is afgevoerd. Daardoor was het onbegonnen werk de administratie bij de curatoren aan te leveren.

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank gaat, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, uit van de volgende feiten:(1)

Verdachte was enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap [D] Management B.V.(2) Voorts was hij bestuurder van de vennootschap [bedrijf B] Advies B.V.(3) en indirect bestuurder - via [bedrijf D] Management B.V. - van de vennootschappen [bedrijf C] Incasso B.V.(4), [bedrijf A] B.V.(5) en [E] B.V.(6)

Voornoemde vennootschappen zijn in 2005 in staat van faillissement verklaard:

-[bedrijf A] B.V. is op [datum] 2005 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr [curator 2] tot curator(7);

-[bedrijf C] Incasso B.V. is op [datum] 2005 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr [curator 1] tot curator(8);

-[bedrijf B] Advies B.V. is op [datum] 2005 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr [curator 2] tot curator(9);

-[bedrijf D] Management B.V. is op [datum] 2005 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr [curator 2] tot curator(10), en

-[E] B.V. is op [datum] 2005 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr [curator 2] tot curator.(11)

Voornoemde vennootschappen hielden kantoor aan de [adres]. Dat pand is in verband met een huurschuld op [datum] 2005 ontruimd. Curator [curator 2] had op dat moment een deel van de administratie van de toen reeds in staat van faillissement verklaarde [bedrijf A] B.V. veilig gesteld. De inboedels van voornoemde vennootschappen zijn in het kader van de ontruiming opgeslagen door een verhuisbedrijf. De administraties van die vennootschappen zijn toen door elkaar in containers gegooid. Het was daardoor ondoenlijk voor de curatoren om inzicht te verkrijgen in de rechten en verplichtingen van voornoemde gefailleerde vennootschappen.

Medio oktober 2005 zijn de administraties aan verdachte overhandigd. Na die tijd is verdachte meermalen verzocht de administraties ongeschonden en geordend aan de curatoren aan te leveren. In het faillissementsverhoor dat plaatsvond op 9 juni 2006 werd 23 augustus 2006 als de uiterste termijn gesteld waarop de administraties geordend aan de curatoren overhandigd konden worden. [verdachte] heeft daaraan echter eerst op 27 september 2006 gevolg gegeven, maar in onvolledige staat.(12)

Vervolgens is op 17 oktober 2006 onderzoek gedaan naar de administraties. Dat onderzoek was met name gericht op [bedrijf C] Incasso B.V. Hieruit is naar voren gekomen dat de administratie van [bedrijf C] Incasso B.V. merendeels betrekking had op de jaren 2003 en 2004, en dat van het jaar 2005 bijna niets voorhanden was.(13)

De boekhouder van [bedrijf C] Incasso B.V., [X17], heeft verklaard dat de administratie van [bedrijf C] incasso B.V. over 2004 niet volledig was omdat er bij hoge regelmaat door een medewerker contant gelden werden geïnd. Dat contante geld werd dan niet verantwoord.(14) In maart 2004 is hij gestopt met het bijhouden van de kasadministratie. Inkomsten werden niet meer geboekt. Hij had daar ook geen zicht op, dat had alleen verdachte.(15)

[X15] heeft verklaard dat zij in juli 2003 als administratieve kracht is tewerkgesteld bij [bedrijf C] Incasso B.V. en dat zij gebruik maakte van twee bankpassen, waarvan een mogelijk op naam van [bedrijf C] Incasso B.V stond. De bedragen die zij daarmee contant opnam werden niet verantwoord.(16)

Op grond van voorgaande feiten komt de rechtbank tot het volgende oordeel.

Ten aanzien van het niet in ongeschonden staat tevoorschijn brengen van de administratie

Verdachte heeft de administratie van de vennootschappen [bedrijf B] Advies B.V., [bedrijf D] Management B.V., [bedrijf C] Incasso B.V. en [E] B.V. eerst op 27 september 2006 aan de curatoren overhandigd, dat wil zeggen ruim één jaar na de faillietverklaring van [bedrijf B] Advies B.V., [bedrijf D] Management B.V. en [bedrijf C] Incasso B.V. en bijna negen maanden na de faillietverklaring van [E] B.V. Door de administratie zo laat te verstrekken - nadat de curatoren daarom al herhaaldelijk hadden verzocht en de door hen gestelde uiterste termijn reeds was verstreken - heeft verdachte niet voldaan aan zijn verplichting om de administratie van voornoemde failliet verklaarde rechtspersonen in ongeschonden staat tevoorschijn te brengen. Die verplichting strekt er immers toe dat de curator zich zo spoedig mogelijk een beeld kan vormen van de rechten en verplichtingen van de failliete rechtspersoon, opdat hij tot afwikkeling van het faillissement kan overgaan. Dat impliceert dat de administratie binnen een redelijke termijn ter beschikking aan de curator wordt gesteld, hetgeen verdachte niet heeft gedaan.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat het niet aan de schuld van verdachte is te wijten dat de administraties niet (eerder) tevoorschijn zijn gebracht, gelet op de wijze waarop het kantoorpand is ontruimd. Verdachte heeft geen redengevende argumenten aangevoerd waaruit kan volgen dat en waarom hij niet eerder in staat is geweest om de administraties die in de container terecht waren gekomen, te ordenen. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat de curatoren terdege rekening hebben gehouden met de chaos die in de administraties was ontstaan en het extra werk dat dit voor verdachte betekende, gelet op de coulante uiterste datum die zij verdachte hebben gesteld. Die datum lag immers zeer geruime tijd na het uitspreken van de faillissementen.

Voorts is in dit verband van belang dat het feit dat de verhuurder tot ontruiming van het kantoorpand van de vennootschappen van verdachte is overgegaan in verband met een huurschuld, verdachte niet kan disculperen. Gelet op zijn verplichtingen als bestuurder van de vennootschappen hij had er zorg voor moeten dragen de administraties tijdig veilig te stellen.

Het voorgaande leidt er echter niet toe dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de administraties niet tevoorschijn heeft gebracht ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers. Het niet aanleveren van de administraties vindt zijn oorzaak in de gang van zaken rondom de ontruiming, en de chaos die daardoor in de administraties is ontstaan. Aldus kan niet gezegd worden dat verdachte ter zake van het niet ter beschikking stellen van de administraties, opzet had om schuldeisers te benadelen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het in feit 9 onder primair ten laste gelegde.

De rechtbank acht voorts niet bewezen dat verdachte ten aanzien van de vennootschap [bedrijf A] B.V. niet heeft voldaan aan zijn verplichting om de administratie van die vennootschap tevoorschijn te brengen. Uit de hiervoor kort weergegeven aangifte van curator [curator 2] volgt dat de beschikbare administratie van [bedrijf A] B.V. vóór de ontruiming is veiliggesteld en aan de curator ter beschikking stond.

Ten aanzien van het niet volledig voldoen aan de verplichting een administratie te voeren

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte geen volledige administratie van [bedrijf C] Incasso B.V. bijhield dan wel liet bijhouden. Aldus heeft hij niet voldaan aan zijn verplichting op grond van artikel 2:10 van het Burgerlijk Wetboek om een zodanige administratie te voeren dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van [bedrijf C] Incasso B.V., waarvan hij enig bestuurder was, konden worden gekend.

De rechtbank acht het onderdeel in de telastelegging dat geen jaarrekening over 2004 is opgemaakt, niet bewezen en zal verdachte van dit onderdeel vrijspreken, gelet op de opmerking van in het faillissementsverslag ten aanzien van [bedrijf C] Incasso B.V. dat het mogelijk is dat nog geen verplichte deponering van de jaarrekening had moeten plaatsvinden.(17)

Ten aanzien van de vennootschappen [D] Management B.V., [bedrijf B] Advies B.V., [bedrijf A] B.V. en [E] B.V. ontbreekt wettig en overtuigend bewijs dat verdachte geen dan wel een onvolledige administratie heeft gevoerd. Het dossier bevat weliswaar aanwijzingen dat de betreffende administraties onvolledig zijn maar niet duidelijk is waaruit de onvolledigheid in concreto bestaat. De relevante verklaringen van getuigen spitsen zich met name toe op de gang van zaken bij [bedrijf C] Incasso B.V. Ook het onderzoek van 17 oktober 2006 is gericht geweest op de administratie van [bedrijf C] Incasso B.V.

Ten aanzien van de feiten 10 en 11.

Ook voor wat betreft deze feiten is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring. Zij overweegt daartoe het volgende.

Verdachte wordt verweten dat hij aangever [X24] heeft mishandeld (feit 10) en dat hij hem heeft getracht af te persen (feit 11). Een en ander zou samenhangen met een aansprakelijkstelling door verdachte namens [X16], een voormalige cliënt van [X24], omdat laatstgenoemde hem, [X16], onjuist had geadviseerd met de nodige schade tot gevolg. Door verdachte is verklaard dat hij [X24] in een café heeft ontmoet, dat hij hem toen bij de zijkant van zijn jas heeft gegrepen en dat zij vervolgens rustig met elkaar hebben gesproken. Verder geeft verdachte aan dat hij [X24] voor een bedrag van mogelijk € 15.000,-- aansprakelijk heeft gesteld, dat [X24] schuld erkende en zelf met het voorstel kwam om dit bedrag door middel van cessie van de door hem te ontvangen provisie te betalen. Verdachte ontkent dat hij [X24] heeft gedwongen door hem bij de keel te grijpen of te bedreigen, zoals weergegeven in [X24]s aangifte. Door [X16] is bij de politie verklaard dat verdachte [X24] bij de keel pakte, maar bij de rechter-commissaris spreekt hij over hoog bij het overhemd pakken. Afgezien van deze wisselende verklaringen van [X16] bevindt zich in het dossier geen ander bewijs ter ondersteuning van de verklaring van [X24]. Daarbij komt bovendien dat [X24] ondanks de uitdrukkelijke wens van de verdediging én de rechtbank niet meer kon worden gehoord als gevolg van zijn ernstige fysieke klachten, waaraan hij uiteindelijk ook is komen te overlijden. Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de hem onder 10 en 11 gemaakte verwijten.

4.4 De bewezenverklaring

Ten aanzien van feit 9 subsidiair :

(ZD 23)

hij, in de periode van 1 maart 2004 tot en met 16 oktober 2006, in Nederland,

als bestuurder van rechtspersonen, te weten [bedrijf C] Incasso B.V. en [bedrijf B] Advies B.V en [bedrijf D] Management B.V. en [E] B.V welke bij vonnissen van de Rechtbank te 's-Gravenhage (sector civiel recht - enkelvoudige kamer) van [datum] 2005 en [datum] 2005 en [datum] 2005 in staat van faillissement zijn verklaard, meermalen, niet volledig heeft voldaan aan de in artikel 1 0,

eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omschreven verplichtingen

en de boeken en bescheiden en andere gegevensdragers, waarmee volgens dat artikel administratie is gevoerd en die ingevolge dat artikel zijn bewaard, niet in ongeschonden staat tevoorschijn heeft gebracht, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar

- geen volledige kasadministratie gevoerd in een van die voornoemde rechtspersonen en

- regelmatig contante inkomsten en uitgaven van een van die voornoemde rechtspersonen niet verantwoord in de administratie en

- vanaf maart 2005 in het geheel geen administratie meer gevoerd en

- ondanks herhaalde schriftelijke verzoeken daartoe, niet de administratie van [bedrijf C]

Incasso B.V. en [bedrijf B] Advies B.V. en [bedrijf D] Management B.V. en [E] B.V. aan de benoemde curatoren ( mr. [curator 1] en mr [curator 2]) ter beschikking gesteld,

ten gevolge waarvan de rechten en verplichtingen van die rechtspersonen niet te allen tijde (juist en volledig) konden worden gekend.

5. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7. De straf

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 primair, 9 primair, 10 en 11 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Daarnaast vordert de officier van justitie de navolgende bijkomende straffen :

- ingevolge artikel 339, lid 1, juncto artikel 36 openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak en

- ingevolge artikel 339, lid 1, juncto artikel 28, lid 1, sub 5 met betrekking tot de feiten 1, 2 en 5 ontzetting uit het recht tot uitoefening van enig beroep in de financiële dienstverlening voor de duur van 8 jaar.

De officier van justitie deelt verder mede dat zij voornemens is te gelegener tijd een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte van alle feiten vrij te spreken c.q. te ontslaan van alle rechtsvervolging.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende geruime tijd geen gevolg gegeven aan de herhaalde verzoeken van de curatoren om boeken en bescheiden betreffende de diverse vennootschappen waarvan verdachte bestuurder was, aan de curatoren ter beschikking te stellen. Hierdoor heeft hij het werk van de curatoren om tot afwikkeling van de faillissementen te komen, gedurende lange tijd gefrustreerd.

Voorts valt verdachte aan te rekenen dat hij als bestuurder van de vennootschap [bedrijf C] Incasso B.V. een onvolledige administratie heeft gevoerd waardoor de curatoren geen juist en volledig beeld hebben kunnen krijgen van de rechten en verplichtingen van deze vennootschap jegens de diverse schuldeisers.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 27 juni 2007 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte eenmaal eerder op 29 december 2005 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uur subsidiair 30 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken ter zake van valsheid in geschrift. Van deze voorwaardelijke gevangenisstraf liep verdachte nog in een proeftijd, die eindigde op 13 januari 2008. De officier van justitie heeft hiervan niet de tenuitvoerlegging gevorderd.

Op 19 april 2007 is verdachte door de economische politierechter tot een geldboete van € 8.000,= veroordeeld ter zake van overtredingen van milieudelicten en horecabesluiten.

8. De vordering van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de benadeelde partijen geconcludeerd tot :

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [X17] tot het bedrag van € 1.000,= en tot niet-ontvankelijkheid van het meer gevorderde;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [X11] tot het bedrag van € 500,=;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [X18] tot het bedrag van € 8.000,= en tot niet-ontvankelijkheid van het meer gevorderde;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [X22] tot het bedrag van € 66.528,36 en tot niet-ontvankelijkheid van het meer gevorderde;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [X19] tot het bedrag van € 11.000,= en tot niet-ontvankelijkheid van het meer gevorderde;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [X20] tot het bedrag van € 27.890,74 en tot niet-ontvankelijkheid van het meer gevorderde.

Voorts heeft de officier van justitie ten aanzien van alle benadeelde partijen gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van respectievelijk de volgende bedragen :

- € 1.000,= subsidiair 20 dagen;

- € 500,= subsidiair 10 dagen;

- € 8.000,= subsidiair 70 dagen;

- € 66.528,36 subsidiair 360 dagen;

- € 11.000,= subsidiair 85 dagen;

- € 27.890,74 subsidiair 170 dagen.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit dat alle vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat verdachte de feiten niet heeft gepleegd en, indien verdachte aan een of meer feiten schuldig wordt bevonden, er ook sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partijen.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal, nu zij verdachte vrijspreekt van de feiten waarop de vorderingen van de benadeelde partijen betrekking hebben, de benadeelde partijen in hun vorderingen niet ontvankelijk verklaren.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen :

9, 22c, 22d, 63, 342 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij -gewijzigde- dagvaarding onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 primair en subsidiair, 9 primair, 10 en 11 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij -gewijzigde- dagvaarding onder 9. subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uit-

maakt :

ten aanzien van feit 9. subsidiair :

ALS BESTUURDER VAN EEN RECHTSPERSOON WELKE IN STAAT VAN FAILLISSEMENT IS VERKLAARD NIET VOLDOEN AAN DE IN ARTIKEL 10, EERSTE LID, VAN BOEK 2 VAN HET BURGERLIJK WETBOEK OMSCHREVEN VERPLICHTING EN DE BOEKEN EN DE BESCHEIDEN EN ANDERE GEGEVENSDRAGERS, WAARMEE VOLGENS DAT ARTIKEL ADMINISTRATIE GEVOERD IS EN DIE INGEVOLGE DAT ARTIKEL ZIJN BEWAARD, NIET IN ONGESCHONDEN STAAT TEVOORSCHIJN BRENGEN.

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot :

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid voor de tijd van 40 uren;

beveelt dat, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 20 dagen;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uur per dag, zodat 34 uren subsidiair 17 dagen hechtenis resteren;

in verzekering gesteld op : 30 oktober 2006;

op vrije voeten gesteld op : 2 november 2006.

bepaalt dat de benadeelde partijen :

- [X17];

- [X11];

- [X18];

- [X22];

- [X19];

- [X20]

niet ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding zijn, nu verdachte van deze feiten is vrijgesproken.

Dit vonnis is gewezen door

mr J.W. du Pon, voorzitter,

mrs M.E. Honée en V.F. Milders, rechters,

in tegenwoordigheid van M.L.A. van der Togt, griffier;

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 februari 2009.

(1) Waar hierna wordt verwezen naar dossierpagina's betreft dit de pagina's van de bundel doorgenummerde processen-verbaal met het nummer PL15J1/2005/1974.

(2) Kopie van het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van koophandel en Fabrieken voor Haaglanden, p. 52-52.

(3) Kopie van het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van koophandel en Fabrieken voor Haaglanden, p. 45-46.

(4) Kopie van het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van koophandel en Fabrieken voor Haaglanden, p. 43-44.

(5) Kopie van het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van koophandel en Fabrieken voor Haaglanden, p. 49-50.

(6) Kopie van het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van koophandel en Fabrieken voor Haaglanden, p. 55-56.

(7) Kopie van de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 6 juli 2005, p.160-161.

(8) Kopie van de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. [datum] 2005, p.114-115.

(9) Kopie van de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 24 augustus 2005, p.137-138.

(10) Kopie van de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 24 augustus 2005, p.186-187.

(11) Kopie van de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 7 december 2005, p.209-210.

(12) Proces-verbaal van aangifte [curator 1] en [curator 2], Zaak 23 p.11-13.

(13) Proces-verbaal van onderzoek administratie door [......] en [......], beide inspecteur van de regiopolitie Haaglanden, Zaak 23 p. 65 en 66.

(14) Proces-verbaal van nader verhoor aangever [X17], Zaak 23 p.38

(15) Proces-verbaal van nader verhoor aangever [X17], Zaak 23 p.39

(16) Proces-verbaal van verhoor [X15], Zaak 23 p.46, 48.

(17) Faillissementsverslag d.d. 2 september 2005 [bedrijf C] incasso B.V., p. 123.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature