< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Eiseres heeft een dochter. Zij woonde in het desbetreffende jaar bij haar moeder. De dochter was in dat jaar ernstig drugsverslaafd. Eiseres heeft in het onderhavige jaar diverse kosten gemaakt in verband met de drugsverslaving van haar dochter. In geschil is of eiseres recht heeft op een aftrek ingevolge artikel 6.16, aanhef en letter a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 . Rechtbank 's-Gravenhage oordeelt dat eiseres geen recht heeft op een dergelijke aftrek. Zij heeft namelijk met hetgeen zij heeft gesteld en de stukken die zij heeft overgelegd niet aannemelijk gemaakt dat haar dochter gelet op haar beperkingen aanspraak maakte op opname in een bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten geregelde intramurale inrichting als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit. Ook komt ze niet in aanmerking voor een aftrek in verband met overige buitengewone uitgaven. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/2935/IB/PVV

Uitspraakdatum: 26 november 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 21 maart 2007 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres voor het jaar 2004 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer]) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 21.911.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2008.

Namens eiseres is verschenen mr. G. Bodt. Namens verweerder zijn verschenen [A] en

[B].

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1. Eiseres heeft een dochter, geboren op [datum] 1971. Zij woonde in het jaar 2004 bij haar moeder. De dochter van eiseres was in dat jaar ernstig drugsverslaafd. Eiseres heeft in het onderhavige jaar diverse kosten gemaakt in verband met de drugsverslaving van haar dochter.

2.2. Eiseres heeft aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2004 gedaan

naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.948. In deze aangifte heeft zij

€ 1.263 als persoonsgebonden aftrek op haar inkomen in mindering gebracht.

2.3. Met dagtekening 6 oktober 2006 heeft verweerder aan eiseres een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2004 opgelegd. Deze aanslag is als volgt vastgesteld.

Aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning € 20.948

Minder persoonsgebonden aftrek € 963

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 21.911

2.4. In haar beroepschrift heeft eiseres verzocht om € 5.867 (na aftrek van de voor het jaar 2004 geldende drempel) als persoonsgebonden aftrek in aanmerking te nemen, waarvan een bedrag van € 4.262 kosten betreffen die zij heeft gemaakt ten gevolge van de drugsverslaving van haar dochter. Voorts heeft zij verzocht het belastbare inkomen uit werk en woning vast te stellen op € 16.344.

2.5. In geschil is of eiseres recht heeft op een aftrek ingevolge artikel 6.16, aanhef

en letter a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). Dit geschil spitst zich toe op de vraag of de dochter van eiseres in het onderhavige jaar kon worden aangemerkt als ernstig gehandicapt als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: het Uitvoeringsbesluit). Voorts is in geschil of eiseres de overige, door haar geclaimde, kosten (welke zijn vermeld in de bij haar beroepschrift gevoegde herberekening van haar inkomen) als buitengewone uitgaven ten laste van haar inkomen uit werk en woning kan brengen.

De uitgaven in verband met de drugsverslaving van de dochter van eiseres

2.6. Ingevolge artikel 6.16, aanhef, letter a, van de Wet zijn – voor zover hier van belang – buitengewone uitgaven de uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling van tot zijn huishouden behorende ernstig gehandicapte personen van 27 jaar of ouder. Ingevolge artikel 20, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit wordt voor de toepassing van artikel 6.16 van de Wet iemand als ernstig gehandicapt beschouwd indien hij gelet op zijn beperkingen aanspraak maakt op opname in een bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten geregelde intramurale inrichting. Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt voor de toepassing van artikel 6.16 van de Wet iemand als zorgafhankelijk beschouwd indien hij, zo hij niet bij de belastingplichtige zou inwonen, zou zijn aangewezen op beroepsmatige hulp of verzorging in een verzorgingsinrichting of verpleeginrichting.

2.7. Nu verweerder zulks betwist, ligt het op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat zij recht heeft op aftrek als bedoeld in artikel 6.16, aanhef, letter a, van de Wet. Naar het oordeel van de rechtbank is zij hier niet in geslaagd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met hetgeen zij heeft gesteld en de stukken die zij heeft overgelegd niet aannemelijk gemaakt dat haar dochter in het jaar 2004 gelet op haar beperkingen aanspraak maakte op opname in een bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten geregelde intramurale inrichting als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit. Ook indien ervan moet worden uitgegaan dat de dochter van eiseres zorgafhankelijk was, dan maakt dit het oordeel van de rechtbank niet anders nu artikel

20, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit niet van toepassing is, omdat het hier niet gaat om een ouder, broer of zuster van eiseres.

De overig door eiseres geclaimde buitengewone uitgaven

2.8. Naar het oordeel van de rechtbank dient eiseres, nu verweerder zulks betwist, aannemelijk te maken dat zij de door haar in de herberekening van haar inkomen genoemde uitgaven daadwerkelijk heeft gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres dit, met hetgeen zij heeft gesteld en de stukken die zij heeft overgelegd, niet aannemelijk gemaakt.

2.9. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 26 november 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. C.G.M. van Rijnberk, in tegenwoordigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature