< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Portugal. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of de minderjarige ten tijde van de overbrenging en achterhouding haar gewone verblijfplaats had in Portugal dan wel in Nederland. Gelet op de feitelijke stellingen van partijen is het antwoord op die vraag afhankelijk van de intentie van de ouder die op dat moment het gezag had over de minderjarige. De vader heeft overgelegd een door de Portugese rechtbank bekrachtigde overeenkomst tussen partijen waarin het gezag is overgedragen aan de vader. De moeder stelt dat de vader nimmer het gezag over de minderjarige heeft gehad. Zij betwist de geldigheid van de overeenkomst. Zij stelt primair dat de vader de overeenkomst valselijk heeft opgesteld. Zij stelt subsidiair dat zij de overeenkomst heeft ondertekend zonder dat zij het wist. De rechtbank ziet aanleiding een bericht van een deskundige te bevelen ter beoordeling van de echtheid van de handtekening van de moeder. Partijen dienen daartoe eerst de stukken over te leggen die nodig voor het onderzoek. De zaak wordt daartoe pro forma aangehouden.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

7x

Rekestnummer: FA RK 08-9154

Zaaknummer: 324337

Datum beschikking: 23 december 2008

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 6 november 2008 bij de rechtbank Utrecht ingekomen verzoek van:

de Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (Trb. 1987, 139), gevestigd te ’s-Gravenhage, verder te noemen de Centrale Autoriteit, optredend voor zichzelf en namens:

[de vader]

wonende te [woonplaats], Portugal.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder]

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers, kantoorhoudende te Breda.

Procedure

Bij beschikking van 18 november 2008 heeft de rechtbank Utrecht de onderhavige zaak verwezen naar deze rechtbank. Hiertoe heeft de rechtbank Utrecht het volgende overwogen:

“Aangezien de moeder met [dochter A.] haar gewone verblijfplaats heeft in [woonplaats], is deze rechtbank bevoegd van het verzoek kennis te nemen. Gezien de internationale aspecten en de andere bijzonderheden van dit type verzoeken echter acht de rechtbank het op dit moment wenselijk dat deze zaak behandeld wordt door de rechtbank ’s-Gravenhage. Deze rechtbank beschikt nu over meer deskundigheid op dit gebied, doordat daar het bureau van de liaisonrechter internationale kinderbescherming gevestigd is.”

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief d.d. 8 december 2008 met producties van de zijde van de moeder;

- de brief d.d. 11 december 2008 met pleitnotities van de zijde van de moeder;

- de brief d.d. 11 december 2008 met producties van de zijde van de moeder.

De minderjarige is op 12 december 2008 in raadkamer gehoord.

Op 12 december 2008 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. M.P. Verveer, de vader, vergezeld van J.M. van der Boom, tolk in de Portugese taal, de moeder en de advocaat van de moeder. Van de zijde van de Centrale Autoriteit zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat tussen partijen het volgende vast.

In juli 1999 hebben de ouders een affectieve relatie gekregen en zij hebben zich in december 1999 samen gevestigd in [woonplaats], Portugal. Gedurende hun relatie is op [datum] 2001 te Utrecht de minderjarige [dochter A.], geboren. De vader heeft de minderjarige erkend.

De vader heeft de Portugese nationaliteit, de moeder en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit.

De ouders hebben tot eind 2006 met de minderjarige in Portugal gewoond. De moeder is in december 2006 vanuit Portugal met de minderjarige naar Nederland teruggekeerd. De moeder had toen het eenhoofdig gezag over de minderjarige. De minderjarige heeft tot de zomervakantie 2007 in Nederland verbleven. Vanaf de zomervakantie tot 11 november 2007 heeft de minderjarige bij haar vader in Portugal verbleven. Op 11 november 2007 heeft de moeder de minderjarige overgebracht naar Nederland alwaar de minderjarige sedertdien verblijft.

Verzoek en verweer

De vader heeft via de Portugese Centrale Autoriteit op 3 april 2008 bij de Nederlandse Centrale Autoriteit een verzoek ingediend tot teruggeleiding van genoemde minderjarige naar Portugal.

De Nederlandse Centrale Autoriteit heeft op 6 november 2008 het verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Utrecht. Zij heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet (Wet van 2 mei 1990, Stb. 202 ), de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarige vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen dan wel te bevelen – indien de moeder weigert haar binnen de bepaalde termijn terug te brengen naar Portugal – dat de moeder de minderjarige aan de vader dient af te geven, zodat hij de minderjarige mee terug kan nemen naar haar gewone verblijfplaats.

In de vóór de terechtzitting van de zijde van de moeder overgelegde pleitnotities, welke pleitnotities de rechtbank met instemming van de moeder als een verweerschrift beschouwt, verzoekt de moeder de Centrale Autoriteit in haar verzoekschrift tot teruggeleiding niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit verzoek af te wijzen, met veroordeling van de Centrale Autoriteit en de vader in de kosten van deze procedure.

Beoordeling

(Relatieve) bevoegdheid

Het verzoek van de Centrale Autoriteit is gebaseerd op het (Haagse) Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Portugal zijn partij bij het Verdrag.

Ingevolge artikel 11, lid 1 en sub a, van de Uitvoeringswet bij het Verdrag is de kinderrechter van de rechtbank binnen wier rechtsgebied het kind zijn werkelijke verblijfplaats heeft, bevoegd tot de kennisneming van alle zaken met betrekking tot de toepassing van – onder meer – het Verdrag. Nu de minderjarige haar werkelijke verblijfplaats in het arrondissement Utrecht heeft, is de rechtbank Utrecht in deze de bevoegde rechter. De rechtbank Utrecht heeft echter aanleiding gezien de zaak naar deze rechtbank te verwijzen. Naar analogie van artikel 270, lid 3, tweede volzin, van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering houdt de rechtbank de zaak aan zich, mede gelet op het belang van de minderjarige dat ermee gediend is dat op het verzoek zo spoedig mogelijk wordt beslist.

Inhoudelijke beoordeling

Het Verdrag heeft tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende Staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Het Verdrag heeft voorts tot doel het in de ene verdragsstaat bestaande recht betreffende het gezag en het omgangsrecht in de andere verdragsstaat te doen eerbiedigen. De eerbiediging van het gezags- en omgangsrecht dient bezien te worden in samenhang met de onmiddellijke terugkeer van het ontvoerde kind.

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag, wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk wordt uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag ).

De rechtbank dient, gelet op het voorgaande, allereerst te beoordelen of de minderjarige ten tijde van de door de Centrale Autoriteit gestelde overbrenging en achterhouding haar gewone verblijfplaats had in Portugal dan wel in Nederland.

Het begrip gewone verblijfplaats als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag is – anders dan het Nederlandse internrechtelijke begrip woonplaats of domicilie – een feitelijk begrip. Aan dit begrip dient inhoud te worden gegeven door de omstandigheden en feiten van het concrete geval. Hierbij spelen de intentie van de gezaghebbende ouder(s), de duur van het feitelijke verblijf in samenhang met de leeftijd van het kind en het bestaan van nauwe maatschappelijke banden een belangrijke rol.

De vader heeft zich op het standpunt gesteld dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige tot het moment van haar overbrenging naar Nederland op 11 november 2007 in Portugal is gelegen.

De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige sedert 25 december 2006 in Nederland is gelegen.

Ter terechtzitting heeft de Centrale Autoriteit erkend dat het de intentie van de moeder was om vanaf december 2006 in Nederland te gaan wonen. Niet in geschil is dat de moeder in december 2006 belast was met het éénhoofdig gezag over de minderjarige en dat zij derhalve gerechtigd was om de gewone verblijfplaats van de minderjarige te wijzigen.

De vader heeft gesteld dat in april 2007, in het kader van de beëindiging van hun samenleving, partijen een schriftelijke overeenkomst hebben gesloten waarin is overeengekomen dat de vader voortaan het ouderlijk gezag over de minderjarige zal uitoefenen en dat tussen de moeder en de minderjarige een omgangsregeling zal gelden. Deze overeenkomst is op 3 mei 2007 door de Portugese rechter bekrachtigd.

Volgens de moeder heeft de vader nimmer het gezag gehad over de minderjarige. De moeder heeft gesteld dat de vader zich tegen de terugkeer van de moeder met de minderjarige naar Nederland niet heeft verzet en dat hij dit ook niet kon omdat hij geen gezag had. De moeder heeft voorts gesteld dat partijen medio 2007 nog gesproken hebben over een vakantieregeling inhoudende dat de minderjarige in de zomervakantie 2007 een aantal weken bij de vader zou doorbrengen. Volgens haar is uiteindelijk tussen partijen afgesproken dat de minderjarige in de zomervakantie 2007 vier weken bij de vader zou doorbrengen. Toen zij op 20 augustus 2007 in Portugal was om de minderjarige op te halen, bleek dat de vader op geen enkele wijze bereid was mee te werken aan de terugkeer van de minderjarige naar Nederland en werd zij voor het eerst geconfronteerd met de door de vader genoemde overeenkomst. Volgens de moeder heeft de vader de overeenkomst valselijk opgesteld en heeft hij de handtekening van de moeder, zowel onder de overeenkomst als onder het homologatieverzoek vervalst, en is de vervalste overeenkomst op 3 mei 2007 door de Portugese rechter bekrachtigd. De moeder heeft gesteld dat zij nimmer enige overeenkomst heeft ondertekend, laat staan dat zij het verzoek aan de Portugese rechter tot bekrachtiging hiervan heeft ondertekend. De moeder heeft verder nog gesteld dat niet is uit te sluiten dat de betreffende overeenkomst zich bevond tussen de stukken die haar in mei 2007 ter tekening zijn voorgelegd met betrekking tot de echtelijke woning. In dat laatste geval zou zij deze overeenkomst hebben getekend zonder dat zij het wist. Desgevraagd heeft zij gesteld dat zij in het weekend van 14 en 15 april 2007 waarin zij in Portugal verbleef, in ieder geval niets heeft getekend.

De moeder heeft gewezen op het feit dat de Centrale Autoriteit in september 2007 een teruggeleidingsprocedure is begonnen, nu ook zij ervan uitging dat de vader de minderjarige ongeoorloofd achterhield. De Centrale Autoriteit was daarbij op de hoogte van de beslissing van de Portugese rechter. Nadat de moeder de minderjarige op 11 november 2007 naar Nederland had teruggebracht heeft de Centrale Autoriteit de zaak gesloten.

Gelet op deze feitelijke stellingen van partijen is het antwoord op de vraag of de gewone verblijfplaats van de minderjarige direct vóór 11 november 2007 in Portugal of Nederland was gelegen, afhankelijk van de intentie van de ouder die op dat moment het gezag had. Doorslaggevend is dus het antwoord op de vraag bij wie van de ouders op dat moment het gezag over de minderjarige gelegen was.

Op grond van artikel 21, lid 1, van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna te noemen: Brussel IIbis) wordt de in een lidstaat gegeven beslissing in de andere lidstaat erkend zonder dat daartoe enigerlei procedure vereist is.

Ingevolge artikel 23, aanhef en onder a, Brussel II bis wordt een beslissing betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid niet erkend indien de erkenning, gelet op het belang van het kind, kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de aangezochte lidstaat; ingevolge artikel 23, aanhef en onder c en d Brussel IIbis wordt een zodanige beslissing evenmin erkend indien – samengevat – een al dan niet in de procedure verschenen partij niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord.

Indien vast komt te staan dat de overeenkomst en/of het verzoek tot homologatie gericht aan de Portugese rechtbank is/zijn voorzien van een valse handtekening dan is daarmee naar het oordeel van de rechtbank de erkenning van de beslissing van de Portugese rechter, mede gelet op het belang van het kind, strijdig met de Nederlandse openbare orde. In dat geval kan de beslissing van de Portugese rechter niet worden erkend en is het eenhoofdig gezag niet overgegaan naar de vader.

Nu de moeder ter terechtzitting uitdrukkelijk heeft gesteld dat zij in april 2007 géén stukken heeft ondertekend, gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de moeder dat zij de onderhavige stukken mogelijk per ongeluk heeft ondertekend. Blijkens het stempel op het verzoek aan de Portugese rechter is deze op 19 april 2007 ingediend en is dit verzoek dus voor of op die datum ondertekend.

Indien komt vast te staan dat de handtekening onder het verzoek aan de Portugese rechter van hand van de moeder is, gaat de rechtbank eveneens voorbij aan haar stelling dat de beslissing van de Portugese rechter niet kan worden erkend op de gronden vermeld in artikel 23, aanhef en sub c en d Brussel IIbis.

Uit het vorenstaande volgt dat het antwoord op de vraag of de moeder al dan niet de overeenkomst en het aan de Portugese rechter gerichte verzoek tot homologatie hiervan, heeft ondertekend, doorslaggevend is voor de vraag bij wie het ouderlijk gezag rustte op het moment van de overbrenging.

De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding een bericht van een deskundige te bevelen ter beoordeling van de echtheid van de handtekening van de moeder.

Hiertoe dient de vader uiterlijk op 15 januari 2009 aan de rechtbank over te leggen de hierna vermelde stukken:

1. het origineel van de overeenkomst (“ACORDO DE REGULAÇÃO DO PODER PATERNAL”) waarbij het gezag aan de vader is overgedragen;

2. het origineel van het verzoek tot homologatie gericht aan de Portugese rechtbank: “Tribunal de Familia e Menores de Portimão”.

De moeder dient hiertoe uiterlijk op 15 januari 2009 aan de rechtbank over te leggen de hierna vermelde stukken:

1. minimaal vijf / maximaal tien originele door de moeder bij eerdere gelegenheden in de periode april 2007 geplaatste handtekeningen, te denken valt aan handtekeningen op schoolrapporten, kwitanties enz.;

2. een kopie van het rijbewijs en een kopie van het paspoort van de moeder;

3. tien door de moeder in het bijzijn van haar advocaat geplaatste handtekeningen, elke handtekening op een apart vel en gecertificeerd door de advocaat.

De rechtbank is van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige en is voornemens als deskundige te benoemen: mw. R. ter Kuile-Haller, handschriftdeskundige te ’s-Gravenhage.

Aan de handschriftdeskundige zal worden gevraagd een onderzoek in te stellen en een schriftelijk antwoord te geven op de volgende vragen:

1. Is naar uw oordeel de tweede handtekening onder het kopje “Os Requerentes” op de overeenkomst “ACORDO DE REGULAÇÃO DO PODER PATERNAL” afkomstig van de moeder?

2. Is naar uw oordeel de handtekening onder het kopje “A requerente” op het verzoek gericht aan het “Tribunal de Familia e Menores de Portimão” afkomstig van de moeder?

3. Indien al of niet met volledige zekerheid kan worden vastgesteld of de onder de vragen 1 en 2 bedoelde handtekeningen al dan niet van de moeder afkomstig is, met welke mate van waarschijnlijkheid kan hierover een uitspraak worden gedaan?

4. Kunt u beargumenteerd uiteenzetten hoe u tot uw antwoorden op vraag 1, 2 en 3 bent gekomen?

5. Ziet u overigens nog aanleiding tot het plaatsen van opmerkingen die u vanuit uw expertise voor een juist oordeel over deze kwestie van belang acht?

De kosten van het bericht van de deskundige worden begroot op € 1.500,--. Gelet op het bepaalde in artikel 195 Rv zal de rechtbank aan geen der partijen een voorschot opleggen. Bij eindbeschikking zal worden beslist wie der partijen de kosten van het deskundigenbericht zal dragen.

Eventuele bezwaren tegen de persoon van de door de rechtbank voorgestelde deskundige of ten aanzien van de aan deze te stellen vragen, dienen schriftelijk en gemotiveerd, uiterlijk op 15 januari 2009 aan de rechtbank te worden medegedeeld, onder gelijktijdige verzending van een kopie van dit schrijven aan de wederpartij.

Na ontvangst van de door de vader en de moeder over te leggen stukken en bij gebreke van een schriftelijke reactie van partijen als vorenbedoeld zal de rechtbank tot benoeming van de hiervoor genoemde deskundige overgaan.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de vader uiterlijk op 15 januari 2009 aan de rechtbank de volgende stukken dient over te leggen:

1. het origineel van de overeenkomst (“ACORDO DE REGULAÇÃO DO PODER PATERNAL”) waarbij het gezag aan de vader is overgedragen;

2. het origineel van het verzoek tot homologatie gericht aan de Portugese rechtbank: “Tribunal de Familia e Menores de Portimão” ;

bepaalt dat de moeder uiterlijk op 15 januari 2009 aan de rechtbank de volgende stukken dient over te leggen:

1. minimaal vijf / maximaal tien originele door de moeder bij eerdere gelegenheden in de periode april 2007 geplaatste handtekeningen, te denken valt aan handtekeningen op schoolrapporten, kwitanties enz.;

2. een kopie van het rijbewijs en een kopie van het paspoort van de moeder;

3. tien door de moeder in het bijzijn van haar advocaat geplaatste handtekeningen, elke handtekening op een apart vel en gecertificeerd door haar advocaat;

houdt iedere verdere beslissing PRO FORMA aan tot 15 januari 2009.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, M. Kramer en C.F. Mewe, tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 december 2008.

Nu de voorzitter buiten staat is deze beschikking te ondertekenen, wordt deze beschikking ondertekend door de oudste rechter.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature